Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8359

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
200.209.972/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf. Niet nakomen afspraken en dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.209.972/01

(zaaknummer rechtbank C/18/169912 / FA RK 16-2449)

beschikking van 19 september 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.B. de Jong te Hoogezand,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. E. Henkelman te Groningen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Jeugdbescherming Noord,

gevestigd te Groningen,

verder te noemen: de GI.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 november 2016 onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de moeder met productie(s), ingekomen op 8 februari 2017;

- het verweerschrift van de vader met productie(s);

- een brief van 23 februari 2017 van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad), ingekomen op 27 februari 2017;

- een journaalbericht van mr. De Jong van 28 februari 2017 met productie(s);

-een brief van de GI van 14 maart 2017;

- een journaalbericht van mr. De Jong van 15 maart 2017 met productie(s);

- een brief van 21 april 2017 van de raad met productie(s);

- een journaalbericht van mr. De Jong van 2 mei 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 15 augustus 2017 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn niet verschenen, wel zijn verschenen hun respectieve advocaten. Mr. De Jong heeft het woord mede gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities. De GI is niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen partijen heeft een affectieve relatie bestaan. Uit deze relatie zijn geboren

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2005 en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2007.

De vader heeft de kinderen erkend en de ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

3.2

Partijen hebben op 11 maart 2016 een ouderschapsplan ondertekend waarin onder meer is opgenomen dat de vader de verantwoordelijkheid zal dragen voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] en de moeder de verantwoordelijkheid zal dragen voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] . Daarbij is afgesproken dat [de minderjarige2] zal worden ingeschreven op het adres van de vader en [de minderjarige1] op het adres van de moeder.

3.3

In de zomervakantie van 2016 is [de minderjarige2] na een verblijf bij de moeder niet teruggekeerd bij de vader en is de omgang tussen [de minderjarige1] en de vader gestopt. De GI heeft op 14 september 2106 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven om zich te houden aan de gemaakte afspraken met betrekking tot het hoofdverblijf van de kinderen (het hoofdverblijf van [de minderjarige2] bij de vader) en de afspraken over de omgang. De moeder volgt de aanwijzing niet op.

Bij beschikking van 3 november 2016 heeft de rechtbank deze schriftelijke aanwijzing bekrachtigd en bepaald dat [de minderjarige2] binnen een week, uiterlijk 10 november 2016 bij de vader moet zijn. De moeder geeft geen (tijdig) gevolg aan deze uitspraak.

3.3

Bij de bestreden beschikking van 15 november 2016 heeft de kinderrechter het verzoek van de moeder om het hoofdverblijf van [de minderjarige2] bij haar te bepalen en een nadere zorgregeling te bepalen tussen de vader en beide kinderen afgewezen. De kinderrechter heeft op het zelfstandig verzoek van de vader bepaald dat de moeder de feitelijke situatie aangaande het hoofdverblijf van [de minderjarige2] en de omgang tussen de ouders en de kinderen in overeenstemming brengt met hetgeen partijen daarover hebben afgesproken in het ouderschapsplan dat zij op 11 maart 2016 hebben ondertekend. De kinderrechter heeft hierbij voorts bepaald dat de moeder voor iedere keer dat zij nalaat dit gebod na te komen aan de vader een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag, met een maximum van € 5.000,-.

3.4

[de minderjarige2] is naar de vader teruggegaan nadat de vader de bestreden beschikking aan de moeder heeft laten betekenen.

3.5

De ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] bij de GI is 14 april 2017 geëindigd. De hulpverlening is in vrijwillig kader voortgezet.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is niet langer in geschil de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige2] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige2] en [de minderjarige1] . In geschil is enkel de dwangsomveroordeling.

4.2

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 november 2016. Deze grief betreft het opleggen van een dwangsom bij het niet nakomen van het ouderschapsplan.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder stelt dat de veroordeling tot betaling van een dwangsom onterecht is omdat zij bij het niet nakomen van het ouderschapsplan heeft gehandeld in het belang van [de minderjarige2] . [de minderjarige2] gaf zelf aan dat hij niet terug wilde naar zijn vader. De vrouw heeft hem niet belemmerd om naar zijn vader te gaan. Er is geen sprake van een stelselmatig niet meewerken van de vrouw aan een ouderschapsplan/uitspraak van een rechter. De vrouw heeft na de uitspraak van de rechtbank meegewerkt aan terugkeer van [de minderjarige2] naar zijn vader waarbij in overleg met de GI de tijd is genomen voor de teruggeleiding. Subsidiair verzoekt de vrouw de dwangsom in tijd te beperken.

5.2

Het hof is van oordeel dat de dwangsomveroordeling op goede gronden is uitgesproken en in stand dient te blijven. De moeder heeft zonder enig overleg met de vader en de gezinsvoogd tijdens de ondertoezichtstelling [de minderjarige2] na de omgangsregeling niet naar zijn vader laten gaan. Dat de vrouw hierbij, zoals zij stelt, in het belang van [de minderjarige2] heeft gehandeld heeft zij onvoldoende onderbouwd. Zowel het niet overleggen met de vader en de GI als het gedurende langere tijd [de minderjarige2] bij zich houden en het geen gevolg geven aan de aanwijzing van de GI, maken naar het oordeel van het hof dat hier sprake is van een moedwillig en stelselmatig niet nakomen van afspraken over het hoofdverblijf van [de minderjarige2] die het opleggen van een dwangsom rechtvaardigen. Dat de vrouw ook niet na de bestreden beschikking maar eerst na de betekening hiervan aan de vrouw is gaan meewerken aan de teruggeleiding van [de minderjarige2] , bevestigt het voorgaande. Het hof ziet wel aanleiding om nu er sinds de teruggeleiding geen problemen zijn geweest en de ondertoezichtstelling blijkbaar niet meer noodzakelijk is omdat hulp in vrijwillig kader voldoende is, de veroordeling tot betaling van een dwangsom in duur te beperken, namelijk voor maximaal twee jaar. Het subsidiaire verzoek van de vrouw is daarom toewijsbaar.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, leiden de grieven niet tot vernietiging van de bestreden beschikking, zodat deze zal worden bekrachtigd onder aanvulling zoals hiervoor overwogen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 november 2016 en beschikt aanvullend dat de dwangsom wordt gemaximeerd voor een periode van twee jaar ingaande 15 november 2016;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep/beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. G.M. van der Meer en mr. R. Feunekes en is op 19 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.