Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8347

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
21-001617-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:1357, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof volgt de overweging van de rechtbank over de beoordeling van het delictsbestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ en het opzet. In aanvulling hierop overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder het rapport van het NFI (‘Chemisch onderzoek naar bijtende/ zure vloeistof’) van 14 oktober 2016 (dossierpagina 119 - 124) blijkt dat verdachte een fles meenam met daarin een oplossing van zoutzuur ‘in de orde van grootte van 30% in water’. Over de veiligheidsrisico’s schrijft de NFI-deskundige dat een dergelijke zoutzuuroplossing bijtend is, in geval van inademen en bij contact op de huid. Bij inademing kan de oplossing onder andere effect hebben op de ademhaling; op de huid en in de ogen kan het ernstige brandwonden veroorzaken. Gelet op het voorgaande en gelet op de inhoud van de in het vonnis van de rechtbank opgenomen overweging, is het hof van oordeel dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever, als gevolg van het handelen van verdachte.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat verdachte gelet op de door de rechtbank in het vonnis vastgestelde omstandigheden handelde ter uitvoering van een op enig moment tevoren genomen besluit. Het hof voegt daar aanvullend aan toe dat uit de bewijsmiddelen en de op basis daarvan door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit en dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001617-17

Uitspraak d.d.: 22 september 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 13 maart 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-740353-16 en 05-740085-17, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1943] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 september 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.M.W. Daamen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 maart 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten veroordeeld tot (kortgezegd): een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist behalve op het punt van de strafoplegging. Het hof zal het vonnis dan ook – met aanvulling van gronden, gelet op het in hoger beroep gevoerde verweer – bevestigen, behalve ten aanzien van de straf en motivering van de straf.

Het hof komt naast de door de eerste rechter opgelegde straf tot oplegging van vrijheidsbeperkende maatregelen. Daarom zal het vonnis ten aanzien van de strafoplegging worden vernietigd. In zoverre zal opnieuw worden rechtgedaan.

Ten aanzien van de voorwaardelijke verzoeken tot het horen van getuigen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van verbalisant [verbalisant 1] . Deze verbalisant kwam, samen met verbalisant ter [verbalisant 2] , naar aanleiding van een melding van aangever als eerste ter plaatse.

Verbalisant [verbalisant 1] dient te worden gehoord omtrent hetgeen hij in zijn proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 24 – 25 heeft vermeld over wat aangever [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) en zijn broer [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) hebben verklaard ten aanzien van het incident en de herkenning van verdachte, kort nadat hij, verbalisant, ter plaatse kwam en tijdens de behandeling van [benadeelde 1] in de ambulance.

Deze verklaringen bevatten discrepanties ten opzichte van de later door hen afgelegde verklaringen, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft zich verzet zich tegen het horen van verbalisant [verbalisant 1] . Naar oordeel van de advocaat-generaal is geen sprake is van dermate opvallende discrepanties in de van aangever en zijn broer opgetekende verklaringen dat het horen van [verbalisant 1] noodzakelijk zou zijn.

Het hof overweegt als volgt.

Nu het hof met de rechtbank van oordeel is dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, is daarmee de voorwaarde vervuld die de verdediging aan haar verzoek tot het horen van verbalisant [verbalisant 1] ten grondslag had gelegd, zodat het hof op dat verzoek zal beslissen.

Zowel aangever als zijn broer [benadeelde 2] is tijdens het strafproces meermalen gehoord omtrent het ten laste gelegde en hetgeen zij hebben meegemaakt. Zo zijn beiden ook gehoord door de rechter-commissaris waarbij de verdediging in de gelegenheid is gesteld vragen te stellen en opmerkingen te maken.

Met de raadsman constateert het hof dat sprake is van enkele verschillen tussen de in het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] opgetekende verklaringen van aangever en zijn latere verklaringen, afgelegd tijdens de aangifte en tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris. Het hof acht die verschillen in het licht van het ten laste gelegde echter niet dermate prangend dat het horen van verbalisant [verbalisant 1] noodzakelijk wordt geacht. Immers, in de kern is aangever gebleven bij zijn beschuldiging dat er - kort gezegd - met zoutzuur naar hem is gegooid en dat hij verdachte als de dader daarvan heeft herkend.

Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat verbalisant [verbalisant 1] de verklaringen van aangever en zijn broer niet heeft opgenomen in het kader van een – in alle rust afgenomen – verhoor doch alleen de eerste verklaringen heeft opgetekend, in de hectiek korte tijd na het incident.

Ten aanzien van de verklaringen van [benadeelde 2] geldt voorts naar oordeel van het hof dat nauwelijks sprake is van discrepanties ten opzichte van zijn latere verklaringen. Ook met betrekking tot zijn verklaringen geldt dat hij is gebleven bij zijn belastende verklaring en de herkenning door hem van verdachte als - kort gezegd - de dader, de persoon die zijn broer naar buiten heeft gewerkt.

Het hof acht - gelet op het voorgaande en bij gebreke van een nadere onderbouwing - niet noodzakelijk dat verbalisant [verbalisant 1] wordt gehoord en wijst dat verzoek af.

Ten aanzien van het in hoger beroep gevoerde verweer.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bepleit en daartoe het volgende aangevoerd - hier kort en zakelijk weergegeven - :

1. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van verklaringen en de herkenning van verdachte.

Verdachte ontkent stelselmatig de dader te zijn geweest van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De verklaringen van aangever [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1] ) bevatten discrepanties. Zo heeft aangever tijdens de verzorging in de ambulance tegen verbalisant [verbalisant 1] een andere verklaring over het incident afgelegd dan ten tijde van zijn aangifte.

Uit de eerste verklaringen van aangever blijkt dat hij zelf de fles met de bijtende vloeistof uit de handen van de dader heeft geslagen, als gevolg waarvan hij de vloeistof over zich heen kreeg. Niet kan worden bewezenverklaard dat de dader vloeistof vanuit de fles gericht naar aangever heeft gegooid.

Ook de verklaringen van [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ) over de herkenning van verdachte tegenover verbalisant [verbalisant 1] luidden anders dan zijn latere verklaringen tijdens zijn politieverhoor en tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris. [benadeelde 2] heeft tegen [verbalisant 1] verklaard dat hij de man alleen op de rug heeft gezien en dat hij hem eigenlijk niet kende, terwijl hij in latere verhoren verklaarde dat hij de dader (te weten: [verdachte] , verdachte) wél kende en ook herkende.

Het lijkt er sterk op dat zowel aangever als de getuige het incident heeft aangedikt.

Genoemde verklaringen zijn dermate wisselend en onbetrouwbaar dat deze niet mogen bijdragen aan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Voorts maakt het dragen van een mondkapje door de dader de herkenning van verdachte door [benadeelde 1] onbetrouwbaar terwijl ook de herkenning door [benadeelde 2] onbetrouwbaar is, nu hij de dader slechts op de rug heeft gezien.

2 Zwaar lichamelijk letsel.

Niet kan worden bewezenverklaard dat sprake is geweest van een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De bijtende vloeistof, een zoutzuur-oplossing, heeft bij aangever niet meer dan eerstegraads brandwonden veroorzaakt.

In de medische verklaring staat dat de genezingsduur op twee weken wordt geschat.

3 Ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet

Niet kan worden bewezenverklaard dat de dader (voorwaardelijk) opzet had en/of dat sprake is geweest van voorbedachte raad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank heeft namelijk ten onrechte bewezenverklaard dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans (op zwaar lichamelijk letsel).

Uit het dossier blijkt dat de bijtende vloeistof een oplossing was met een percentage van 30 aan zoutzuur, en daarmee veel minder krachtig dan 100 % zoutzuur. Daarmee is de kans op blijvend verlies van het gezichtsvermogen – in het geval van contact met de ogen – niet ‘aanmerkelijk’.

Daarnaast is de kans dat een dergelijke vloeistof in de ogen belandt klein.

Niet kan worden bewezenverklaard dat de dader ook willens en wetens de kans op zwaar lichamelijk letsel - zo die al bestond - heeft aanvaard. Op grond van het dossier kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat van de dader een gerichte handeling is uitgegaan waarbij hij er rekening mee moest houden dat de vloeistof in de ogen van aangever terecht zou komen.

4 Voorbedachte raad

Het dossier bevat onvoldoende bewijs om te kunnen beoordelen welke bedoeling de dader had en dus welk plan hij had opgevat, om te oordelen dat sprake was van een voorbedachte raad op het toebrengen van letsel bij personen.

Dat de dader zelf een mondkapje droeg en handschoenen, volstaat daarvoor niet. Op grond van het dossier staat niet vast dat verdachte de bedoeling had om zoutzuur op mensen, in dit geval aangever, te doen belanden. Het is maar de vraag of de dader rekende op een confrontatie met de bewoners.

Het hof overweegt ten aanzien van de verweren als volgt.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] . en [benadeelde 2] .

Het hof volgt de rechtbank in de overwegingen met betrekking tot (betrouwbaarheid van) de bewijsmiddelen met betrekking tot de identiteit van de dader en acht, zoals het hof ook al hierboven heeft overwogen, evenals de rechtbank wettig en overtuigend dat verdachte de dader was.

Het hof verwijst daarvoor naar de overwegingen van de rechtbank in het vonnis, op pagina 3 onderaan de pagina (Vanaf: ‘Aangever heeft verklaard dat degene die de vloeistof gooide, verdachte was.’) tot en met pagina 5, tweede alinea (‘De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het door verdachte geschetste scenario dat iemand anders de dader zou zijn geweest.’).

Aanvullend overweegt het hof dat het - als hiervoor overwogen - de verklaringen van aangever in voldoende mate consistent acht.

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde 1] zoals afgelegd tijdens zijn aangifte en het verhoor bij de rechter-commissaris voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Voor de beoordeling van de gebeurtenissen in het licht van het ten laste gelegde neemt het hof evenals de rechtbank als uitgangspunt de aangifte van [benadeelde 1] .

Uit die aangifte alsook uit zijn aanvullende verklaringen blijkt dat aangever, toen er plotseling een man in zijn woonkamer stond, zonder twijfel die man als [verdachte] , verdachte, herkende.

Ten aanzien van [benadeelde 2] geldt dat de door verbalisant [verbalisant 1] opgetekende eerste uitlatingen van [benadeelde 2] over de dader summier zijn, terwijl hij in latere verhoren op overtuigende wijze heeft verklaard dat hij de man - die hij voornamelijk op de rug zag terwijl zijn broer hem het huis uitwerkte - (evenals zijn broer, die riep: ‘Wat moet jij dan hier, [verdachte] ?!’) herkende als [verdachte] /verdachte, onder meer aan postuur en haardracht. Hij baseerde die herkenning op het gegeven dat hij, [benadeelde 2] , op verschillende momenten weleens - zij het kort - een woordje met verdachte had gewisseld in de buurt en ook eenmaal in de woning.

Ook het feit dat de dader een mondkapje droeg is naar oordeel van het hof onvoldoende om te oordelen dat de herkenning van verdachte door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] onbetrouwbaar is.

In dit verband merkt het hof op dat herkenning van een persoon niet slechts mogelijk is door het waarnemen van een neus en/of mond doch ook heel wel kan plaatsvinden door het waarnemen van postuur, omvang, haardracht en/of motoriek van de persoon in kwestie.

Dit geldt temeer wanneer sprake is van een korte afstand tot de persoon en wanneer het gaat om herkenning van een persoon die men persoonlijk kent. Beide waren hier het geval.

Ten aanzien van zwaar lichamelijk letsel en het (voorwaardelijk) opzet

Het hof volgt de overweging van de rechtbank over de beoordeling van het delictsbestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ en het opzet (pagina 5 vonnis, 4e en 5e alinea).

In aanvulling hierop overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder het rapport van het NFI (‘Chemisch onderzoek naar bijtende/ zure vloeistof’) van 14 oktober 2016 (dossierpagina 119 - 124) blijkt dat verdachte een fles meenam met daarin een oplossing van zoutzuur ‘in de orde van grootte van 30% in water’. Over de veiligheidsrisico’s schrijft de NFI-deskundige dat een dergelijke zoutzuuroplossing bijtend is, in geval van inademen en bij contact op de huid. Bij inademing kan de oplossing onder andere effect hebben op de ademhaling; op de huid en in de ogen kan het ernstige brandwonden veroorzaken.

Gelet op het voorgaande en gelet op de inhoud van de in het vonnis van de rechtbank opgenomen overweging, is het hof van oordeel dat sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever, als gevolg van het handelen van verdachte.

Ten aanzien van de voorbedachte raad

Het hof volgt tevens integraal de overweging van de rechtbank ten aanzien van de ten laste gelegde voorbedachte raad (pagina 5 vonnis, 6e alinea).

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat verdachte gelet op de door de rechtbank in het vonnis vastgestelde omstandigheden handelde ter uitvoering van een op enig moment tevoren genomen besluit.

Het hof voegt daar aanvullend aan toe dat uit de bewijsmiddelen en de op basis daarvan door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit en dat hij voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven.

Aldus staat vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het hof acht voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

De verweren worden derhalve verworpen.

Oplegging van straf en/of maatregel

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door gericht, vanuit een fles, een behoorlijke hoeveelheid zoutzuuroplossing van 30%, naar een naburige dorpsbewoner te gooien.

Onmiddellijk daaraan voorafgaand is verdachte de woning van het slachtoffer en zijn broer wederrechtelijk binnengedrongen. Immers, hij was niet uitgenodigd, noch had hij zijn komst aangekondigd en is, om binnen te kunnen komen, zonder toestemming van de bewoners de – hoge – omheining van de woning van het slachtoffer gepasseerd.

Verdachte heeft daarbij voor aangever volkomen onverwacht gehandeld. Het motief voor verdachte om aangever aldus te bejegenen is tot op heden onduidelijk gebleven.

Het slachtoffer heeft blijkens de medische verklaring en de schriftelijke slachtofferverklaring in het dossier als gevolg van de aanval met de chemische stof eerstegraads brandwonden opgelopen, in zijn gelaat, in zijn hals en op zijn arm.

Daarnaast heeft het slachtoffer forse psychische schade opgelopen als gevolg van het feit. Hij is angstig als hij naar buiten gaat en bevreesd verdachte in zijn directe omgeving tegen te komen.

Verdachte heeft door zijn daad de fysieke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden.

Het hof acht het handelen van verdachte dan ook zeer ernstig.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg geëist dat verdachte ter zake van de onder parketnummers 05/740353-16 subsidiair en 05/740085-17 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het onder parketnummers 05/740353-16 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van de onder parketnummers 05/740353-16 subsidiair en 05/740085-17 ten laste gelegde feiten (‘Poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad’ en ‘Het in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen’) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het onder parketnummer 05/740353-16 primair ten laste gelegde zal vrijspreken en ter zake van de onder parketnummer 05/740353-16 subsidiair en 05/740085-17 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met aftrek van het voorarrest en met oplegging van bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de reclassering, de verplichting tot meewerken aan ambulante begeleiding en toezicht en oplegging van een contact- en een gebiedsverbod ten aanzien van het slachtoffer en het gebied binnen de grenzen van het dorp Terborg.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Bij de strafoplegging houdt het hof in aanvulling op de strafmotivering in het vonnis allereerst rekening met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Gelet op de ernst van dit feit komt naar oordeel van het hof als sanctie slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van een substantiële duur in aanmerking.

Bij de straftoemeting houdt het hof voorts rekening met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie gedateerd 6 augustus 2017 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie of justitie, dit afgezien van een transactie in het verdere verleden.

Bij de strafoplegging houdt het hof tenslotte rekening met de inhoud van de zich in het dossier bevindende voorlichting omtrent de persoon van verdachte, waaronder een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 30 november 2016 en een tweetal Pro Justitia rapportages (een psychologisch onderzoek en een neuropsychologisch onderzoek) van G.J.W. Pol, GZ-psycholoog, van 14 februari 2017.

Uit het reclasseringsadvies van 30 november 2016 blijkt dat verdachte ook bij de reclassering heeft ontkend het feit te hebben gepleegd. De zoon van verdachte heeft zorgen omtrent zijn vader en diens dagelijks functioneren, die door de reclassering worden gedeeld. Door de houding van verdachte kan echter geen relatie worden gelegd tussen zijn persoon en eventuele problematiek en het delict. Er kan daarom ook geen plan van aanpak worden opgesteld. Van een reclasseringstoezicht wordt geen meerwaarde verwacht.

De problematiek in combinatie met de ernst van de verdenking maakt dat herhaling van strafbaar gedrag met ernstige gevolgen niet uitgesloten kan worden. Het hof voegt daaraan toe, dat dit te minder kan worden uitgesloten, nu het motief voor de daad onbekend is gebleven.

Uiteindelijk wordt op grond van dit alles geadviseerd de strafzaak af te doen zonder verplicht reclasseringscontact.

De deskundige G.J.W. Pol komt in zijn rapportage op basis van psychologisch onderzoek tot de volgende bevindingen:

Bij verdachte is sprake van een cognitieve stoornis NAO, bestaande uit een lage cognitieve verwerkingssnelheid, een aandachtstoornis, een geheugenstoornis en een beperkte cognitieve flexibiliteit. Tevens kan worden gesproken van een suboptimaal vermogen om te plannen en een suboptimale impulscontrole.

Er is sprake van een beperkt zelf reflecterend vermogen, en de coping-vaardigheden van verdachte laten te wensen over. Voor zover bekend was er bij hem ten tijde van het tenlastegelegde geen sprake van andere psychopathologie.

Er zijn geen gronden voor een behandeladvies in een strafrechtelijk kader.

Naar de mening van rapporteur zou het evenwel - indien mogelijk - wel goed zijn als verdachte toch een reclasseringstoezicht opgelegd zou krijgen, zodat vanuit zorgoogpunt een vinger aan de pols kan worden gehouden en hij in zijn functioneren kan worden gevolgd.

Het hof komt op grond van de ernst van het feit en hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte is gebleken, zoals hiervoor weergegeven, tot oplegging van een vrijheidsbenemende straf van een hierna te melden duur, gelijk aan de duur van het voorarrest en zonder oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden.

Het hof zal verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf echter wél vrijheidsbeperkende maatregelen in de vorm van een gebieds- en een contactverbod opleggen, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst nog op welke wijze ook direct contact te zoeken met het slachtoffer en zijn broer, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , dan wel zich in hun nabije omgeving op te houden.

Gelet op de toedracht van het geweldsdelict, de bewezenverklaarde voorbedachte raad, het onbekend gebleven motief, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en nu ter zitting van het hof door verdachte is bevestigd dat hij aangevers na zijn invrijheidstelling indirect heeft benaderd, dient naar het oordeel van het hof er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan of zich belastend gedraagt jegens bepaalde personen. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, zal het hof daarom de door de advocaat-generaal gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid bevelen van de vrijheidsbeperkende maatregelen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 41.645,00, bestaande uit een bedrag van

€ 40.000 aan immateriële schade en een bedrag van € 11.645 aan materiële schade (in verband met medische kosten, toekomstige medische kosten, reiskosten, opvragen medische informatie en wettelijke rente). Daarnaast heeft de raadsvrouw een bedrag van € 1.737,00 ter zake van proceskosten (3 punten à € 579,00) gevorderd.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00 ter zake van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de eerste rechter, gelet op de ernst van de feiten, een veel te laag bedrag heeft toegewezen. De benadeelde partij staat inmiddels onder behandeling van een psycholoog.

De raadsman van verdachte heeft de hoogte van de schade betwist en daarbij betoogd dat als schadevergoeding ter zake van immateriële schade ten hoogste een bedrag van € 500,00 tot € 2000,00 kan worden toegewezen. De materiële schade is onvoldoende onderbouwd. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat geen bewijsstukken zijn overgelegd dat wel dat niet is gebleken dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

De raadsman acht voorts het gevorderde bedrag aan proceskosten veel te hoog.

Daarvoor dient hooguit 1 of 1,5 punt volgens de liquidatietarieven in civiele zaken te worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-740353-16 subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof acht de vordering voor het meerdere onvoldoende onderbouwd. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Het hof zal ten aanzien van de gevorderde proceskosten, zoals door de raadsvrouw verzocht, uitgaan van de liquidatietarieven voor de rechtbanken en hoven.

Het gevorderde bedrag is hoger dan € 40.000,-- en zou er in beginsel toe moeten leiden dat tarief IV wordt toegepast. Nu een bedrag van € 20.000,-- was gevorderd tot vergoeding van de vermeend geleden immateriële schade en het hof voor die post een bedrag van € 2.000,-- toewijst met afwijzing voor het overige, ziet het hof daarin aanleiding om tarief I toe te passen. Daarbij betrekt het hof dat het gevorderde bedrag ook naar de in Nederland in het algemeen gehanteerde maatstaven exorbitant hoog was.

De werkzaamheden van de raadsvrouw hebben bestaan uit het bijwonen van de zitting in eerste aanleg en de zitting in hoger beroep en het maken van een pleitnota in beide instanties ter toelichting op de vordering. Gelet op de omvang van de werkzaamheden zal het hof daaraan naar redelijkheid en billijkheid in totaal vier punten toekennen. Eén punt wordt volgens tarief I gewaardeerd op € 384,00 zodat de kosten van rechtsbijstand in deze zaak voor vier punten worden bepaald op € 1.536,00.

Het hof zal dit bedrag meenemen in de kostenveroordeling.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter zake van immateriële schade. Deze bedraagt

€ 20.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht opnieuw te beslissen op de vordering tot schadevergoeding.

Daarbij is aangevoerd dat de rechter in eerste aanleg, gelet op de ernst van de feiten, een veel te laag bedrag heeft toegewezen.

De benadeelde partij was getuige van de belaging van zijn broer. Hij heeft klachten als gevolg van een posttraumatische stress-stoornis en staat inmiddels onder behandeling van een psycholoog. Het gaat hier om rechtstreekse schade.

De raadsvrouw heeft verzocht het gevorderde bedrag volledig toe te wijzen of anders aan te sluiten bij het bedrag dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan benadeelden met shockschade toekent (€ 5.000).

De raadsman van verdachte heeft de hoogte van de schade betwist en verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding af te wijzen. Het gaat om beoordeling van eventuele shockschade. De vordering is onvoldoende onderbouwd.

Voorts geldt dat een zorgvuldige beoordeling van de vordering te belastend is voor strafgeding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar oordeel van het hof onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof deelt daarmee het standpunt van de raadsvrouw van de benadeelde partij niet. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk geworden dat er bij de benadeelde partij sprake is van zogenaamde shockschade. Een onderbouwing van die schade met een brief van een (niet forensisch) psycholoog waarmee de benadeelde partij een behandelrelatie heeft, is daarvoor onvoldoende. Het hof acht de vordering onvoldoende onderbouwd.

Verdachte is daarom niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 138 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van straf en motivering van de straf en de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaar op geen enkele wijze in de meest ruime zin van het woord direct noch indirect contact zal hebben (dat houdt onder meer in noch in woord, noch in geschrift, noch via social media contact zoeken, noch contact opnemen) met de heer [benadeelde 1] en/of de heer [benadeelde 2], thans wonende aan de [adres] te Terborg.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt voor iedere keer dat niet (geheel) aan de maatregel wordt voldaan 7 dagen.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde zich voor de duur van 5 jaar zich niet zal begeven en/of bevinden binnen het gebied in het dorp Terborg dat wordt omsloten door de volgende straten:

[adressen] ,

nóch op voornoemde straten voor zover die grenzen aan het voornoemd omsloten gebied in het dorp Terborg.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan 7 dagen.

Toepassing van de vervangende heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een plastic trechter en latex handschoenen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-740353-16 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-740353-16 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 1.536,00.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot schadevergoeding af.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. E. Venekatte en mr. A.J. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier,

en op 22 september 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 22 september 2017.

Tegenwoordig:

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. J.M. van Westerlaak, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.