Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8345

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
200.220.083/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Terugplaatsing is niet in het belang van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.220.083/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/154522 / FJ RK 17-374)

beschikking van 21 september 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.M. Wolfert te Groningen,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.


Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 mei 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 21 juli 2017;

- het verweerschrift met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 28 juli 2017, waarin de raad aangeeft geen relevante stukken te hebben.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 augustus 2017 plaatsgevonden. De moeder

is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is mw. [C] verschenen. Namens de GI zijn verschenen mw. [D] en mw. [E] . Voorts is de pleegmoeder verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de moeder is geboren [in] 2011 te [F] [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ). De moeder is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] . De vader van [de minderjarige] is niet in beeld.

3.2

[de minderjarige] staat sinds 9 november 2012 onder toezicht van de GI. Deze maatregel loopt tot

9 november 2017.

3.3

[de minderjarige] is met ingang van 25 april 2013 met een machtiging uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg, welke machtiging telkens is verlengd. Bij beschikking van

3 november 2016 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met een half jaar, te weten tot 9 mei 2017, in afwachting van de rapportage van Jeugdhulp Friesland naar het perspectief van [de minderjarige] .

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot uiterlijk 9 november 2017.

3.5

[de minderjarige] verblijft sedert juni 2013 bij de pleegouders.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

3 mei 2017. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt de beschikking van 3 mei 2017 te vernietigen en het inleidende verzoek van de GI tot machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.

4.2

De GI voert verweer en zij verzoekt het door de moeder ingestelde hoger beroep

niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

4.3

Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.2

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de moeder aanvoert, de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter hieromtrent over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt hier het volgende aan toe.

5.3

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] in de eerste ruim anderhalf jaar van zijn leven gedurende verschillende (langere) periodes op verschillende adressen is ondergebracht, hetgeen tot veel onrust en onveiligheid voor [de minderjarige] heeft geleid. [de minderjarige] heeft hierdoor ook geen veilige hechtingsrelatie met de moeder opgebouwd. [de minderjarige] is eind april 2013 uit huis geplaatst en heeft sinds zijn plaatsing bij de pleegouders in juni 2013 op alle gebieden een positieve ontwikkeling doorgemaakt. [de minderjarige] heeft zich inmiddels veilig gehecht in het pleeggezin. Hij ervaart veel rust, regelmaat en duidelijkheid van de pleegouders en reageert daar goed op. [de minderjarige] ziet de moeder een keer per maand gedurende anderhalf uur bij de pleegouders thuis in aanwezigheid van de pleegmoeder en met begeleiding van de GI.

5.4

In het kader van een door de GI voorgenomen verzoek aan de raad om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel heeft Jeugdhulp Friesland vanaf juli 2016 onderzoek gedaan naar het toekomstperspectief van [de minderjarige] . Hiertoe zijn onder meer twee omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder geobserveerd. Vanuit de observaties voor, tijdens en na de bezoekregeling met de moeder blijkt dat [de minderjarige] weerstand laat zien om naar het bezoek te gaan en dat hij de moeder tijdens het bezoek vermijdt. [de minderjarige] uit dit zowel verbaal als non-verbaal door emotioneel te reageren en zijn ongenoegen hiermee kenbaar te maken. [de minderjarige] ervaart geen veiligheid bij de moeder en laat zien de bezoeken onplezierig te vinden. Uit informatie van de pleegmoeder en de leerkracht van [de minderjarige] is naar voren gekomen dat [de minderjarige] in de periode na de observatie bezoeken opvallend en niet eerder gezien gedrag vertoonde. Zo huilde hij veel, was van snel van slag en boos, aldus de leerkracht. Op basis van de bevindingen over de geobserveerde bezoeken en de overige beschikbare informatie over de moeder, [de minderjarige] en de hulpverlening heeft Jeugdhulp Friesland in zijn Adviesverslag van 22 december 2016 de GI geadviseerd om [de minderjarige] in het pleeggezin te laten opgroeien. Anders dan namens de moeder in haar tweede grief is betoogd heeft het hof geen aanleiding om aan de gedegenheid van voornoemd adviesverslag te twijfelen nu naast de observaties vier gesprekken met de moeder zijn gevoerd, informanten zijn gesproken en rapportages uit het verleden zijn geraadpleegd.

5.5

Gelet op de inmiddels langdurige plaatsing in het pleeggezin, waarbij sprake is van een veilige hechting aan de pleegouders, als ook op de hiervoor genoemde bevindingen en het advies van Jeugdhulp Friesland is het hof van oordeel dat een terugplaatsing naar de moeder niet in het belang van [de minderjarige] is. Wat er ook zij van de intentie van de moeder om de relatie met de pleegouders in stand te houden, een verhuizing naar de moeder zal de hechtingsrelatie van [de minderjarige] met de pleegouders doorbreken en zijn stabiele en veilige opvoedingssituatie verstoren. Dit zal voor [de minderjarige] , die in zijn jonge leven al het nodige heeft meegemaakt, een trauma opleveren hetgeen zijn huidige ontwikkeling en hechting ernstig kan schaden. Teneinde de plaatsing bij de pleegouders voort te laten duren acht het hof verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dan ook noodzakelijk. Voor zover de moeder heeft willen betogen dat sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 EVRM, treft dit, gelet op het bepaalde in lid 2 van dat artikel en hetgeen hiervoor is overwogen, geen doel.

5.6

De moeder heeft nog gesteld dat zij haar leefsituatie inmiddels op orde heeft. Ze wordt sinds april 2016 begeleid door een hulpverlener van [G] , ze heeft zelfstandige woonruimte, ontvangt een uitkering en staat onder bewind. De moeder heeft aan de onderzoeker van Jeugdhulp Friesland aangegeven dat zij drie jaar geleden niet in staat was om voor [de minderjarige] te zorgen en dat ze denkt dit nu wel goed aan te kunnen. Zij heeft bovendien aangegeven open te staan voor hulpverlening. Hoewel het hof oog heeft voor de positieve wending die de moeder aan haar leven lijkt te hebben gegeven, maakt dit het oordeel van het hof, gelet op hetgeen hiervoor over de gehechtheid van [de minderjarige] in het pleeggezin is overwogen en de gevaren voor zijn ontwikkeling bij terugplaatsing, niet anders. De aanvaardbare termijn, waarin [de minderjarige] teruggeplaatst zou kunnen worden bij de moeder, is naar het oordeel van het hof al (geruime tijd) verstreken.

5.7

De moeder heeft ten slotte voorgesteld om op grond van het bepaalde in artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) een deskundige te benoemen, opdat onderzoek gedaan kan worden naar de belangen van de minderjarige en van de moeder in het kader van het verzoek van de GI.

5.8

Artikel 810a Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind. Het hof is van oordeel dat het gelasten van een onderzoek strijdig is met het belang van [de minderjarige] , zodat het verzoek van de moeder niet toewijsbaar is. Zoals hiervoor reeds is overwogen is [de minderjarige] gebaat bij continuering van zijn huidige stabiele en voor hem vertrouwde opvoedomgeving in het pleeggezin en is terugplaatsing niet aan de orde. Een nieuw onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder kan dan ook niet mede tot beslissing van de zaak leiden, nog daargelaten dat dat wederom onrust en onzekerheid voor [de minderjarige] tot gevolg zal hebben, hetgeen - gelet ook op het hiervoor overwogene over de aanvaardbare termijn - niet in zijn belang is.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 mei 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, I.M. Dölle en S. Rezel, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 21 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.