Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8301

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
200.207.074
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag. Voldaan aan vereisten, geen nader onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.207.074

(zaaknummer rechtbank Gelderland 290453)

beschikking van 21 september 2017

inzake

[verzoekster 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de moeder, en

[verzoeker 2] ,

verblijvende te [verblijfplaats] ,

verder te noemen: de vader,

verzoekers in hoger beroep,

tezamen verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. M.L. Neuteboom-van Asselt te Montfoort,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Arnhem,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

en


de gecertificeerde instelling
stichting Jeugdbescherming Gelderland, regio Midden,

gevestigd te Doetinchem,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbenden] ,

wonende te [woonplaats belanghebbenden] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties A-N, ingekomen op 6 januari 2017;

- het verweerschrift met producties 7-12;

- een journaalbericht van mr. Neuteboom-van Asselt van 6 juli 2017 met producties O-V;

- een brief van de GI van 31 juli 2017 met een bijlage;

- een journaalbericht van mr. Neuteboom-van Asselt van 4 augustus 2017 met producties
W-Y.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 10 augustus 2017 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is [medewerker raad] verschenen. Namens de GI is [medewerker GI] , voogdijwerker, verschenen, bijgestaan door mr. N.R. Kasteel. De pleegouders zijn eveneens in persoon verschenen.

2.3

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.4

Desgevraagd hebben de raadsvertegenwoordiger en mr. Kasteel ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende hebben kennisgenomen van het journaalbericht van mr. Neuteboom-van Asselt van 4 augustus 2017 met producties W-Y, dat zij zich voldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemmen met overlegging van die producties zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op productie W en X. Het hof laat productie Y buiten beschouwing, omdat deze productie is overgelegd in strijd met de tweeconclusieregel.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [kind] , geboren op [geboortedatum] (verder te noemen: [kind] ) te [geboorteplaats] . De vader en de moeder waren gezamenlijk met het gezag over [kind] belast.

3.2

[kind] heeft tot oktober 2014 bij haar ouders in [plaats] gewoond. Zij woonden in een woning waar meerdere leden woonden van de [groep] waarvan de ouders deel uitmaken.

3.3

Op 10 oktober 2014 is [kind] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is ten aanzien van haar een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend. Op 13 oktober 2014 is [kind] , met hulp van de politie, uit huis geplaatst.

3.4

Bij beschikking van 6 januari 2015 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, op verzoek van de raad, [kind] tot 10 oktober 2015 onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 8 september 2015 tot 10 oktober 2016.

3.5

Bij beschikking van 6 januari 2015 heeft de kinderrechter eveneens de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] verlengd voor de duur van zes maanden, tot 10 juli 2015. Deze machtiging is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 8 september 2015 tot 10 oktober 2016.

3.6

Bij beschikking van 28 juli 2016 heeft dit hof de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 8 september 2015 bekrachtigd.

3.7

[kind] heeft nadat zij uit huis is geplaatst eerst enkele maanden in een crisispleeggezin verbleven. Daarna is zij in het perspectief biedend pleeggezin van de pleegouders geplaatst, waar zij thans nog verblijft.

3.8

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 7 oktober 2016 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het ouderlijk gezag van de ouders over [kind] beëindigd, de GI tot voogdes benoemd en het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De omvang van het geschil

De ouders zijn met twee grieven in hoger beroep gekomen van laatstgenoemde beschikking. Deze grieven beogen de zaak in hoger beroep in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen..

De ouders verzoeken het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te gelasten als bedoeld in artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

De ouders kunnen zich met de bestreden beschikking niet verenigen en voeren daartoe het volgende aan. De ouders zijn in 2010 gedoopt in de [groep] Deze geloofsgemeenschap baseert haar geloofsopvattingen op de bijbel, maar wijkt op onderdelen sterk af van traditionele kerkelijke gemeenschappen. Met nadruk wijzen de ouders erop dat hun geloofsgemeenschap niet als sekte moet worden beschouwd. De ouders menen dat zij altijd goed voor [kind] hebben gezorgd, waarbij het belang van [kind] altijd voorop heeft gestaan, en dat hun geloofsovertuiging hieraan niet in de weg staat. Er is volgens de ouders dan ook geen ontwikkelingsbedreiging van [kind] binnen hun gezin. De ouders voeren voorts aan dat de rechtbank ten onrechte geen nader onderzoek in de zin van artikel 810a lid 2 Rv heeft gelast naar hun opvoedingsvaardigheden en geloofsovertuiging.

De rechtbank miskent volgens de ouders dat hun uitspraken geloofsuitspraken zijn, waarbij sprake is van een ander taalveld. Van belang is volgens de ouders hoe de geloofsgemeenschap in de praktijk functioneert. De ouders stellen dat geen sprake is van een (sociaal) isolement van [kind] en de door de GI en de raad gestelde misstanden zijn niet aan de orde. De ouders wijzen erop dat hun huwelijk heilig is en dat reeds daarom geen sprake is van seksuele contacten met anderen, laat staan met kinderen. Anders dan in de bestreden beschikking is overwogen, wijzen de ouders ook niet de westerse maatschappij in haar geheel af. Zij zijn zich ervan bewust dat zij in Nederland wonen en leven en leren [kind] hoe zij in deze samenleving moet functioneren. De ouders zijn bereid om, indien [kind] bij hen wordt geplaatst, de schoolgang van [kind] op haar huidige school voort te zetten. Ook zal [kind] met andere kinderen kunnen blijven spelen. [kind] heeft het recht om in gezinsverband met haar ouders op te groeien en bovendien heeft [kind] het recht om te worden onderwezen in de geloofsopvattingen van haar ouders.

5.4

De GI verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. Volgens de GI hoeft de omstandigheid dat de ouders deel uitmaken van een geloofsgemeenschap geen probleem te zijn, maar houden de ouders er een extreme vorm van geloofsbeleving op na, onder absolute leiding van mevrouw [naam] . Toen de gemeenschap in [plaats] verbleef was sprake van fysiek en verbaal geweld. De ouders hebben alle banden met het maatschappelijke leven verbroken en verwerpen de westerse samenleving waarin zij leven. De ouders achten zich niet gebonden aan wet- en regelgeving, erkennen geen overheidsgezag en beschouwen scholen, justitie en hulpverlening als werktuigen van satan. Zij beschouwen zichzelf als soeverein, wat tot gevolg heeft dat een normaal gesprek met ouders niet mogelijk is. Als gevolg van de opstelling en het gedrag van de ouders en het gebrek aan samenwerking en dialoog is de maatregel van ondertoezichtstelling onuitvoerbaar gebleken, aldus de GI. De ouders staan niet open voor enige vorm van hulpverlening en hebben alle banden met hun families verbroken. Onder deze omstandigheden is thuisplaatsing ook niet in het belang van [kind] . De GI verzoekt het hof het verzoek van de ouders om nader onderzoek te gelasten af te wijzen, nu een dergelijk onderzoek niets zal toevoegen. Het kernprobleem is de door een extreme geloofsbeleving gedomineerde levensvisie van de ouders, die maakt dat zij zich niet kunnen conformeren aan de gangbare maatschappelijke opvattingen. De ouders gaan hierdoor voorbij aan de belangen van [kind] , aldus nog steeds de GI.

5.5

De raad heeft ter mondelinge behandeling verweer gevoerd en verzoekt het hof eveneens de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het gaat ook volgens de raad niet om de geloofsovertuiging van de ouders, maar om hun handelen. [kind] heeft in het verleden traumatische ervaringen opgedaan door het handelen van de ouders. Zij is ingezet als menselijk schild op het moment van de uithuisplaatsing en de moeder heeft [kind] , toen zij al geruime tijd in het huidige pleeggezin verbleef, ontvoerd naar [land] , waardoor [kind] in [land] enige tijd in een kindertehuis heeft moeten verblijven en opnieuw verlieservaringen heeft opgedaan. De ouders zijn volgens de raad regelmatig onbetrouwbaar gebleken in het nakomen van de afspraken rondom de omgangsregeling. Zo hebben de ouders meer dan eens voor onbepaalde tijd afstand genomen van [kind] en hebben zij ook een derde meegenomen naar de omgang welke derde pas na interventie van de politie is vertrokken. Gelet op hun uitingen en handelen zien de ouders de impact van hun handelen op [kind] niet. De raad voert voorts aan dat de ouders toestemming hebben geweigerd om [kind] in te schrijven op een basisschool. De ouders stellen zich daarmee buiten de westerse samenleving en isoleren [kind] op die manier van de maatschappij. Samenwerking met de ouders is volgens de raad niet mogelijk gebleken. Ten aanzien van het verzoek van de ouders om een nader onderzoek te gelasten overweegt de raad dat het belang van [kind] zich tegen een dergelijk onderzoek verzet. Het is in het belang van [kind] dat zij weet waar zij zal opgroeien aldus nog steeds de raad.

5.6

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof - na eigen onderzoek - overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:266 BW, zodat het gezag van de ouders over [kind] moet worden beëindigd. Het hof voegt hieraan nog toe dat uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling blijkt dat de ouders ook thans niet in staat zijn het belang van [kind] voorop stellen. Anders dan de ouders stellen, is hierbij - zoals de rechtbank reeds heeft overwogen - niet de geloofsovertuiging van de ouders leidend, maar de wijze waarop zij uitvoering geven aan het belijden van hun geloof. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat nog steeds geen samenwerking tussen de ouders en de GI tot stand is gekomen en dat de ouders geen contact hebben met de pleegouders. Ook staan de ouders niet open voor enige vorm van hulpverlening. Daarnaast hebben de ouders meerdere keren een geruime periode afstand genomen van [kind] , hetgeen verwarrend is voor [kind] en hen onvoorspelbaar maakt voor haar. Het hof overweegt voorts dat sinds de bestreden beschikking tien maanden zijn verstreken, maar dat de ouders nog steeds niet beschikken over stabiele huisvesting. Zo heeft de GI ter mondelinge behandeling onweersproken verklaard dat haar uit informatie van de politie is gebleken dat de vader op een camping in [plaats 2] woont met mevrouw [naam] , de leidster van de geloofsgroep, en dat de moeder een woning deelt met een mannelijk lid van de geloofsgemeenschap. Daarnaast bestaat er geen zicht op de financiële situatie van de ouders en geven de ouders geen inzicht in hun visie op een toekomst in Nederland, die zij thans zeggen na te streven. Dit oordeelt het hof temeer van belang nu de ouders voornemens waren naar [land] te emigreren en de vader ter mondelinge behandeling heeft verklaard zijn hotel op [plaats 3] nog steeds te bezitten. Ten slotte oordeelt het hof het in het belang van [kind] dat zij duidelijkheid krijgt over haar opvoedingsperspectief, nu zij inmiddels gehecht is aan de pleegouders, bij wie zij al twee en een half jaar woont.

5.7

Ten aanzien van het verzoek van de ouders om ingevolge artikel 810a lid 2 Rv een nader onderzoek te gelasten, overweegt het hof dat een nader onderzoek in de onderhavige zaak niet mede kan leiden tot beslissing van de zaak en dat ook het belang van [kind] zich verzet tegen nader onderzoek. De ouders ontkennen en zien niet in dat hun handelen schadelijk is voor [kind] en een ernstige bedreiging voor haar ontwikkeling vormt. Het verzoek van de ouders strekt onder meer tot onderzoek van de door hen gewenste en nagestreefde thuisplaatsing van [kind] . Gelet op enerzijds het handelen van de ouders dat gebaseerd is op een door een extreme geloofsovertuiging gedomineerde levensvisie, hetgeen tot gevolg heeft dat zij aan het belang van [kind] voorbij gaan en anderzijds de omstandigheid dat [kind] inmiddels is gehecht binnen het pleeggezin, is een thuisplaatsing in strijd met haar belang. Het hof zal het verzoek van de ouders om een nader onderzoek te gelasten dan ook afwijzen.

5.8

De maatregel van ondertoezichtstelling, waarbij de inzet van de GI steeds gericht is geweest op een thuisplaatsing van [kind] , heeft gefaald wegens het niet tot stand komen van een werkbare hulpverleningsrelatie met de ouders. Het (ontwikkelings)belang van [kind] vergt thans dat de stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie wordt gewaarborgd. Nu de ouders niet in staat zijn gebleken de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen en zij daartoe evenmin binnen afzienbare termijn in staat worden geacht en de aanvaardbare termijn daarvoor - mede gelet op de leeftijd van [kind] - inmiddels is verstreken, is de maatregel van gezagsbeëindiging met betrekking tot de beide ouders geëigend.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

6.2

Overeenkomstig het verzoek van de ouders zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 7 oktober 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzocht af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. T. ter Brugge, R. Feunekes en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 21 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.