Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8279

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
200.137.571/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende onderbouwing van grieven. Tekortkoming (belangenverstrengeling door advocaat) in de nakoming van een overeenkomst ontheft de wederpartij niet van zijn verbintenis(sen) uit hoofde van die overeenkomst. De tekortkoming maakt schadeplichtig. Die schade moet bewezen worden en is niet per definitie gelijk aan de betaalde declaraties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.137.571/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/135462 / HA ZA 12-259)

arrest van 19 september 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. L.S. Slinkman, kantoorhoudend te Hoogezand,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: aanvankelijk mr. J. Doornbos, kantoorhoudend te Groningen, die zich echter op

10 mei 2016 aan de zaak onttrokken heeft.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

15 augustus 2012 en 28 augustus 2013 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 november 2013,

- de memorie van grieven.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 28 augustus 2013 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [appellant] alsnog toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis, voor zover in hoger beroep van belang. Aangevuld met nog enkele feiten waarvan in hoger beroep eveneens kan worden uitgegaan, stelt het hof de feiten als volgt vast.

3.2

[geïntimeerde] heeft in de periode van 1998 tot 2008 [appellant] bijgestaan als advocaat in diverse (civielrechtelijke, bestuursrechtelijke en tuchtrechtelijke) procedures, direct of indirect verband houdend met een door [appellant] in 1990 in eigendom verworven onroerende zaak aan de [a-straat] 10-12 te [C] .

3.3

Bedoelde onroerende zaak heeft [appellant] in 2004 terug geleverd aan de verkopende partij [D] . Die teruglevering was het sluitstuk van een door [appellant] , met [geïntimeerde] als advocaat, tegen [D] aangespannen civiele (bodem-)procedure, welke procedure eindigde met een tussen partijen op 23 februari 2004 gesloten - vaststellingsovereenkomst (verder: de vaststellingsovereenkomst). Ingevolge die vaststellingsovereenkomst is de door [appellant] bij teruglevering van [D] te ontvangen (actuele) prijs bij bindend advies van 17 maart 2004 (verder: het bindend advies) vastgesteld door drie makelaars, waarvan één makelaar, te weten [E] , door [appellant] was aangewezen. Voorafgaand aan dit bindend advies had [appellant] kosten van rechtsbijstand gemaakt tot een bedrag van € 89.250,-.

3.4

Na voormelde teruglevering heeft [appellant] , met [geïntimeerde] als advocaat, een klacht

ingediend tegen [E] voornoemd bij de Raad van Toezicht van de Nederlandse Vereniging van Makelaars in Onroerende Zaken (NVM). Bij uitspraak van

19 november 2004 heeft de Raad van Toezicht voornoemd geoordeeld dat [E]

anders heeft getaxeerd dan een behoorlijk makelaar/taxateur betaamt. Dat oordeel is

bij uitspraak van 1 november 2005 door de Centrale Raad van Toezicht van de NVM

bekrachtigd.

3.5

In aansluiting op voormelde tuchtrechtelijke procedure heeft [appellant] , met [geïntimeerde]

als advocaat, [E] gedagvaard in een civiele (bodem)procedure bij de

toenmalige rechtbank Groningen. [appellant] vorderde in die procedure, kort samengevat,

[E] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, omdat [E]

volgens [appellant] toerekenbaar tekort was geschoten in de nakoming van

de overeenkomst van opdracht, dan wel onrechtmatig jegens [appellant] had gehandeld. De rechtbank Groningen heeft bij vonnis van 11 april 2007 de vordering van [appellant]

afgewezen, de reconventionele vordering van [E] (ter zake van door

[appellant] onbetaald gelaten facturen) toegewezen en [appellant] in de kosten van de procedure in conventie en reconventie verwezen. Van voormeld vonnis is [appellant] in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden. Bij arrest van 20 januari 2009 heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank in conventie bekrachtigd en in reconventie vernietigd voor wat betreft de hoogte van het toegewezen bedrag aan hoofdsom. [appellant] is ook in de proceskosten in hoger beroep verwezen. Bij brief van 23 maart 2009 heeft [geïntimeerde] een negatief cassatieadvies ontvangen, in die zin dat de geconsulteerde cassatieadvocaat geen enkele mogelijkheid zag om met enige kans op succes beroep in te stellen tegen voormeld arrest van het gerechtshof Leeuwarden.

3.6

Intussen had [D] voornoemd het plan opgevat om, na het saneren van de

bodem van de aan hem terug geleverde onroerende zaak te [C] , de opstallen om te

"bouwen" tot een museum/bezoekerscentrum en Algemeen Informatie Punt (AIP) van de

provincie Groningen. [appellant] , die nog eigenaar is van een achter voormelde onroerende

zaak gelegen terrein, heeft zich, met [geïntimeerde] als zijn advocaat, tegen de plannen van [D]

gekeerd en in dat verband met hulp van [geïntimeerde] zijn zienswijze en bezwaren in diverse

bestuursrechtelijke procedures kenbaar gemaakt. Zo is er onder meer bezwaar gemaakt tegen een door BB&B VOF, namens [D] , in maart 2006 bij gedeputeerde staten van de provincie Groningen ingediend saneringsplan, tegen door [D] bij de gemeente Winsum aangevraagde bouwvergunningen en tegen voornemens van de gemeente Winsum om aan [D] vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. De door of namens [appellant] ingediende zienswijzen/bezwaren hebben er niet toe geleid dat het saneringsplan is afgewezen, noch dat de bouwvergunningen en vrijstellingen niet zijn verleend. Een door [geïntimeerde] geconcipieerd bezwaarschrift, dat op 29 augustus 2007 werd ingediend, is door de gemeente Winsum als zienswijze opgevat en niet-ontvankelijk verklaard omdat de termijn van indiening met één dag was overschreden. Een daartegen gericht bezwaarschrift van [geïntimeerde] is eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

3.7

De hiervoor genoemde vennootschap onder firma BB&B VOF, die namens [D] een saneringsplan ter goedkeuring indiende, is op 1 februari 2006 opgericht en gevestigd aan het (kantoor)adres van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is (of was) één van vennoten van deze vennootschap.

3.8

Vanaf (ongeveer) het jaar 2008 heeft [geïntimeerde] geen werkzaamheden meer als advocaat

voor [appellant] verricht. [geïntimeerde] heeft in verband met door hem vanaf 30 december 2005 voor

[appellant] verrichte werkzaamheden op 21 november 2006, 13 maart 2007 en 16 mei 2007

declaraties aan [appellant] verzonden, tot een totaalbedrag van € 23.527,83.

3.9

Bij een aan [geïntimeerde] gerichte (fax)brief van 1 mei 2009 heeft [appellant] zich beklaagd

over het door [geïntimeerde] niet meenemen van de kosten van rechtsbijstand (van [appellant] ) in de

hiervoor genoemde vaststellingsovereenkomst van 24 februari 2004, over het door [geïntimeerde] niet vernietigen of laten vernietigen van het hiervoor eveneens vermelde bindend advies, over het door [geïntimeerde] via BB&B optreden voor [D] en de gemeente Winsum, zijnde de "tegenpartijen" van [appellant] , en over het één dag te laat indienen van een bezwaarschrift, dan wel het niet wijzen van [appellant] op de juiste termijn van indiening. [appellant] heeft met voormelde brief [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor geleden en nog te lijden schade.

3.10

In aansluiting op deze brief heeft [appellant] een klacht ingediend bij de deken van

de orde van advocaten in het toenmalige arrondissement Groningen. De deken voornoemd

heeft de klacht, bestaande uit voormelde vier concrete klachten, bij brief van 6 oktober 2009

doorgeleid naar de Raad van Discipline. Bij beslissing van 28 mei 2010 heeft de Raad voornoemd de eerste twee klachten ongegrond verklaard en de klachtonderdelen (betrekking hebbend op [geïntimeerde] betrokkenheid bij BB&B VOF, en op het/de te laat ingediende bezwaarschrift/zienswijze) gegrond verklaard en aan [geïntimeerde] , die zich in 2009 als advocaat van het tableau had laten schrappen, een schorsing van drie maanden opgelegd.

3.11

Bij brief van 25 oktober 2010 heeft de advocaat mr. F.H. Kappelhof namens

[appellant] [geïntimeerde] (andermaal) aansprakelijk gesteld voor door [appellant] geleden en nog te

lijden schade en [geïntimeerde] verzocht aansprakelijkheid te erkennen. [geïntimeerde] heeft geen

aansprakelijkheid erkend.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellant] heeft, voor zover van belang in hoger beroep, in eerste aanleg, kort samengevat, gevorderd voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de uitvoering van zijn werkzaamheden voor [appellant] en [geïntimeerde] wegens dat toerekenbaar tekortschieten te veroordelen bij wijze van voorschot aan [appellant] te betalen een bedrag van € 33.007,11, vermeerderd met wettelijke rente, en te bepalen dat de schade (overigens) bij staat moet worden bepaald, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2.

[geïntimeerde] heeft aanvankelijk verstek laten gaan waarna de rechtbank op 6 juni 2012 de vorderingen van [appellant] heeft toegewezen. Vervolgens is [geïntimeerde] in verzet gekomen tegen dat vonnis en heeft hij alsnog verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 28 augustus 2013 voor recht verklaard dat [geïntimeerde] jegens [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten door geen melding te maken van zijn betrokkenheid als vennoot bij BB&B VOF en door er niet op toe te zien dat vóór 29 augustus 2007 door of ten behoeve van [appellant] een zienswijze werd ingediend bij de gemeente Winsum. Zij heeft de vorderingen voor het overige afgewezen en de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] is van het vonnis van 28 augustus 2013 in hoger beroep gekomen onder aanvoering van zes grieven (genummerd I tot en met VI).

5.2

Grief I richt zich tegen het, in rechtsoverweging 4.4. van het vonnis van de rechtbank neergelegde oordeel, dat [appellant] te laat is met zijn klacht over het "niet meenemen" van de kosten van rechtsbijstand aan de zijde van [appellant] in de vaststellingsovereenkomst en het bindend advies.

5.3

Bij brief van 17 juni 1998 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld dat de kosten van rechtsbijstand onderdeel waren van de schade die [appellant] leed als gevolg van de geconstateerde bodemverontreiniging. Voorafgaand aan het tot stand komen van het bindend advies (17 maart 2004) waren die kosten van rechtsbijstand opgelopen tot een bedrag van € 89.250,-. In het bindend advies is niet opgenomen dat [D] die kosten aan [appellant] dient te betalen. [appellant] heeft in deze procedure het standpunt ingenomen dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de uitvoering van de tussen partijen gesloten overeenkomst door in dat bindend advies niet op te nemen dat de genoemde kosten van rechtsbijstand door [D] aan [appellant] dienen te worden betaald. [geïntimeerde] heeft op dat onderdeel, voor zover hier van belang, aangevoerd dat [appellant] te laat is met zijn klacht daarover. De rechtbank heeft vervolgens in rechtsoverweging 4.4. van het vonnis overwogen:

"Met [geïntimeerde] is de rechtbank van oordeel dat [appellant] te laat is met zijn klachten over het niet "meenemen" van de kosten van rechtsbijstand aan de zijde van [appellant] in de ten processe bedoelde vaststellingsovereenkomst en het nadien uitgebrachte bindend advies.

De vaststellingsovereenkomst dateert van februari 2004 en het bindend advies van maart 2004, terwijl [appellant] zich eerst bij (fax)brief van l mei 2009, derhalve ruim 5 jaar later, bij [geïntimeerde] heeft beklaagd over het ontbreken van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in die vaststellingsovereenkomst en het uitblijven van een vernietiging van het bindend advies, en [geïntimeerde] voor de door hem als gevolg daarvan geleden schade aansprakelijk heeft gesteld. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] niet eerder bij [geïntimeerde] had kunnen klagen (…)."

5.4

Bij de beoordeling van de grief staat voorop dat een grief zodanig moet zijn onderbouwd dat aan de rechter en de wederpartij voldoende duidelijk is op welke gronden vernietiging gewenst wordt (HR 12 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8435). In de toelichting op de grief wordt, zo begrijpt het hof, aangevoerd dat verzuimd is de advocaatkosten op te nemen in de vaststellingsovereenkomst hoewel [geïntimeerde] in zijn brief van 11 juni 1998 had meegedeeld dat de kosten van rechtsbijstand onderdeel vormden van de schade die [appellant] leed als gevolg van de geconstateerde bodemverontreiniging. De grief en de toelichting daarop doen aldus niet meer dan (nog eens) weergegeven waarover [appellant] zich beklaagt. Waarom het oordeel van de rechtbank dat [appellant] die klacht te laat heeft geuit onjuist is valt in die toelichting echter niet te lezen. De grief is om die reden onvoldoende onderbouwd en slaagt bijgevolg niet.

5.5

Grief II richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat het ontbreken van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de vaststellingsovereenkomst en het afzien van het inroepen van de vernietiging van het bindend advies als beroepsfout van [geïntimeerde] aangemerkt moeten worden.

5.6

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.5. van het vonnis waarvan beroep overwogen:

"Los daarvan, kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet gezegd worden dat het

ontbreken van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de vaststellingsovereenkomst en het afzien van het inroepen van de vernietiging van het

bindend advies als "beroepsfouten" van [geïntimeerde] aangemerkt moeten worden.

De rechtbank verwijst in dat verband naar en onderschrijft de overwegingen en beslissingen van de Raad van Discipline dienaangaande in de beslissing van de Raad van 28 mei 2010. [appellant] heeft in dit geding niet anders gedaan dan de argumenten die hij in de tuchtrechtelijke procedure naar voren had gebracht, te herhalen en daarbij onvoldoende toegelicht en onderbouwd in welk opzicht [geïntimeerde] zou zijn tekort geschoten. Ook heeft [appellant] niet aangegeven op welke grond of gronden vernietiging van het bindend advies zou hebben dienen plaats te vinden, terwijl de rechtbank voorshands twijfels heeft of die vernietiging wel met succes had kunnen plaatsvinden."

5.7

De toelichting op deze grief is identiek aan die op grief I. De grief bevat twee aspecten:

a. kosten rechtsbijstand;

b. vernietiging bindend advies.

ad a

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] op dit onderdeel afgewezen omdat te laat geklaagd is. Grief I was gericht tegen dit oordeel. Zoals uit de bespreking van die grief hiervoor blijkt, is de grief ongegrond. De beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van de vordering (voor zover deze ziet op de kwestie van de kosten van rechtsbijstand) omdat daarover te laat geklaagd is blijft dus staan. Aan inhoudelijke beoordeling van de vraag of het niet opnemen van de kosten van rechtsbijstand in het bindend advies als een beroepsfout van [geïntimeerde] moet worden aangemerkt en of de vordering op die grond toewijsbaar is komt het hof om die reden niet toe. Dat de rechtbank wél een inhoudelijk oordeel heeft gegeven doet daar niet aan af. Dat oordeel van de rechtbank kan niet anders worden begrepen dan als een ten overvloede gegeven oordeel, met andere woorden: een oordeel waarop de beslissing niet is gegrond. Bij het hoger beroep tegen een dergelijke beslissing heeft [appellant] onvoldoende belang.

ad b

Blijkens het hiervoor, in rechtsoverweging 5.3, opgenomen citaat uit het vonnis van de rechtbank is ook ten aanzien van de klacht over het niet vernietigen van het bindend advies geoordeeld dat die klacht te laat was. Grief I is beperkt tot de kwestie van de kosten van rechtsbijstand en ook overigens is geen grief gericht tegen het nu besproken oordeel van de rechtbank. De beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van de vordering (voor zover deze ziet op de kwestie van het niet vernietigen van het bindend advies) omdat daarover te laat geklaagd is blijft dus staan. Aan inhoudelijke beoordeling van de vraag of het niet vernietigen van het bindend advies als een beroepsfout van [geïntimeerde] moet worden aangemerkt komt het hof om die reden niet toe. Dat de rechtbank wél een inhoudelijk oordeel heeft gegeven doet daar niet aan af. Dat oordeel van de rechtbank kan niet anders worden begrepen dan als een ten overvloede gegeven oordeel, met andere woorden: een oordeel waarop de beslissing niet is gegrond. Bij het hoger beroep tegen een dergelijke beslissing heeft [appellant] onvoldoende belang.

Voor het geval moet worden aangenomen dat de grieven I en II niettemin hebben beoogd ook het nu besproken oordeel van de rechtbank (te laat inzake het niet vernietigen van het bindend advies) aan te vallen, geldt daarvoor hetzelfde als is overwogen bij de beoordeling van grief I. In de toelichting op de grieven I en II wordt slechts de klacht herhaald maar waarom het oordeel van de rechtbank dat [appellant] de klacht over het niet vernietigen van het bindend advies te laat heeft geuit onjuist is, valt in die toelichting niet te lezen. De grief is om die reden onvoldoende onderbouwd en slaagt bijgevolg niet.

5.8

Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van de gevoerde civiele procedure tegen makelaar [E] niet zonder meer gezegd kan worden dat [geïntimeerde] niet de zorg van een goed advocaat in acht heeft genomen.

5.9

In de toelichting op deze grief stelt [appellant] dat de procedure tegen [E] verloren is gegaan omdat geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid het bindend advies buitengerechtelijk te vernietigen dan wel middels een rechterlijke uitspraak te laten vernietigen (artikel 7:904 Burgerlijk Wetboek). Voorts is vermeld hoe het bindend advies tot stand is gekomen.

5.10

Ook hier geldt weer dat dat een grief zodanig moet zijn onderbouwd dat aan de rechter en de wederpartij voldoende duidelijk is op welke gronden vernietiging gewenst wordt. Aan de grief ligt kennelijk ten grondslag de gedachte dat vernietiging van het bindend advies (ook na verweer van [D] ) succesvol zou zijn geweest, dat [geïntimeerde] om die reden de weg van de vernietiging had moeten inslaan, althans daartoe had moeten adviseren en dat het nalaten daarvan een beroepsfout is.

5.11

Op grond waarvan het bindend advies succesvol aantastbaar zou zijn geweest wordt in de toelichting op de grief niet gesteld. Zoals vermeld wordt daarin wel beschreven hoe de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming van het bindend advies is geweest, maar aan de vraag hoe die feitelijke gang van zaken de conclusie zou kunnen onderbouwen dat het bindend advies vernietigbaar was is met geen woord aandacht besteed. Ook overigens is die vernietigbaarheid niet onderbouwd. Aldus is de rechter geen enkel handvat gegeven om tot een verantwoorde beoordeling van de kwestie van de vernietigbaarheid te komen. De grief faalt dus reeds omdat deze op het punt van de gestelde vernietigbaarheid van het bindend advies onvoldoende is onderbouwd. De vervolgvraag zou, uitgaande van vernietigbaarheid, zijn of sprake was van een beroepsfout van [geïntimeerde] , maar aan die vraag wordt gelet op het voorgaande niet toegekomen.

5.12

Grief IV keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en onderbouwd dat en welke schade hij door het (gestelde) tekortschieten van [geïntimeerde] heeft geleden. In het verlengde daarvan wordt in grief V opgekomen tegen het oordeel dat geen grond bestaat voor toekenning van een voorschot op de schadevergoeding en het verwijzen van de zaak naar de schadestaatprocedure omdat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is gemaakt. In grief VI wordt opgekomen tegen het oordeel dat niet gezegd kan worden dat de declaraties van [geïntimeerde] niet verschuldigd zijn omdat [geïntimeerde] ondeugdelijk werk heeft verricht. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

5.13

Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is een overeenkomst gesloten. Krachtens die overeenkomst heeft [geïntimeerde] rechtsbijstand aan [appellant] verleend. Ter betaling daarvan heeft [geïntimeerde] declaraties gezonden ter hoogte van, in totaal, € 23.572,83. [appellant] heeft die declaraties voldaan. [appellant] stelt nu dat [geïntimeerde] zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling doordat hij én [appellant] bijstond in diens verzet tegen het saneringsplan dat [D] had ingediend én vennoot was in de vennootschap onder firma BB&B VOF, die namens [D] dat saneringsplan ter goedkeuring had ingediend. Dat was in strijd met de tuchtrechtelijke regels die voor Advocaten gelden en leverde om die reden op een tekortkoming zijdens [geïntimeerde] in de nakoming van de gesloten overeenkomst. Daardoor was [appellant] niet gehouden de declaraties te voldoen. Of de procedures met betrekking tot dat saneringsplan anders zouden zijn afgelopen indien deze belangenverstrengeling er niet was geweest doet er volgens [appellant] niet toe. De schade is "simpelweg" het bedrag aan betaalde declaraties, derhalve € 23.572,83. Bewijs daarvan is volgens [appellant] onmogelijk nu het bij een belangenverstrengeling als de onderhavige veelal onmogelijk is exact vast te stellen welke invloed deze gehad heeft op de kwaliteit van de werkzaamheden van de advocaat.

5.14

Uit de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] vloeide voor [appellant] de verbintenis voort het [geïntimeerde] toekomende honorarium te voldoen. De, door de rechtbank aanwezig geachte en in hoger beroep niet ter discussie staande, tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van [geïntimeerde] (de belangenverstrengeling) onthief [appellant] niet van zijn verplichting tot nakoming van die verbintenis. De anders luidende stelling van [appellant] vindt geen steun in het recht.

5.15

Een tekortkoming verplicht, in het algemeen, de schuldenaar tot vergoeding van de schade die de schuldeiser daardoor lijdt (artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek). Die schade moet dan wel gesteld en bewezen worden. Door [appellant] is gesteld dat de schade gelijk is aan het bedrag van de betaalde declaraties. Dat is in eerste aanleg door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. Het feit dat [geïntimeerde] in hoger beroep geen conclusie van antwoord heeft genomen rechtvaardigt niet de conclusie dat hij dat verweer niet heeft gehandhaafd of heeft prijsgegeven. Bij die stand van zaken rust de bewijslast, ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op [appellant] . Het slechts poneren van de tekortkoming en de hoogte van de schade, zoals [appellant] doet, levert niet op het bewijs van de schade als gevolg van die tekortkoming. Overige aspecten daargelaten geldt bovendien dat de schade niet bij voorbaat als onbewijsbaar kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft [appellant] op het te bewandelen spoor gezet door te overwegen (in rechtsoverweging 4.8.)

"dat [appellant] heeft nagelaten onderbouwd aan te geven in welk opzicht de juridische bijstand van [geïntimeerde] in die overleggen en procedures tekort is geschoten of ondeugdelijk is geweest, dan wel dat die overleggen en/of procedures voor [appellant] gunstig zouden zijn uitgepakt indien [geïntimeerde] niet voor hem was opgetreden maar een andere advocaat."

Ook in hoger beroep heeft [appellant] echter (niettemin) nagelaten feitelijk te onderbouwen in hoeverre de belangenverstrengeling daadwerkelijk tot schade heeft geleid. Dat gebrek aan onderbouwing maakt ook dat niet aannemelijk is geworden dat van schade sprake is, zodat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure geen grondslag bestaat.

5.16

De conclusie uit het voorgaande is dat het enkel vaststellen dat sprake is van een tekortkoming (belangenverstrengeling) [appellant] niet ontheft van zijn verplichting tot betaling van de declaraties van [geïntimeerde] , alsmede dat het bestaan van schade onvoldoende onderbouwd is en daarmee ook de vordering tot toekenning van een voorschot op die schade en die tot verwijzing naar de schadestaatprocedure.. De grieven IV, V en VI slagen dus niet.

6 De slotsom

6.1.

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, welke kosten worden begroot op € 683,- voor griffierecht. [appellant] heeft in zijn memorie van antwoord (sub 9) nog opgemerkt dat [geïntimeerde] "in ieder geval verantwoordelijk" blijft "voor de proceskostenveroordeling in eerste aanleg". Indien die opmerking is bedoeld als grief tegen de door de rechtbank uitgesproken kostencompensatie faalt deze omdat de rechtbank terecht daartoe heeft geconcludeerd gegeven het feit dat partijen over en weer in het ongelijk waren gesteld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. locatie Groningen van

28 augustus 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 683,-.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. L. Janse en mr. G. van Rijssen en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 september 2017.