Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8275

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
WAHV 200.176.455
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van proceskostenvergoeding wordt in zoverre

vernietigd. Het is niet aan de rechter om te treden in de beoordeling van de ter zake door de

betrokkene ervaren noodzaak een rechtsbijstandverlener in te schakelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.176.455

20 september 2017

CJIB 183841951

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland

van 16 juni 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “Voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 7 augustus 2014 met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .

2. De gemachtigde is van mening dat de termijn waarna bekeurd mag worden nog niet was verstreken. Artikel 11, eerste lid, van het Besluit voertuigen geeft de mogelijkheid om een motorrijtuig of een aanhangwagen gedurende twee maanden na het tijdstip waarop artikel 72, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 voor dat voertuig gelding verkrijgt, op de weg te laten staan zonder dat voor dat voertuig een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. De twee maanden waren op de pleegdatum nog niet verstreken, aangezien de geldigheid van het kenteken tot en met 12 juli 2014 geschorst is geweest. Subsidiair heeft de gemachtigde aangevoerd dat in deze zaak op automatische wijze een sanctie is opgelegd. Dat is, gelet op het arrest van het hof van 22 juli 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2015:5553, niet mogelijk.

3. Zoals het hof heeft overwogen in zijn arrest van 10 april 2013, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2013:2539, heeft de regelgever met de invoering van deze uitzondering op de keuringsplicht het oog gehad op gevallen, waarin de kentekenhouder het motorrijtuig niet tijdig kan laten keuren door onvoorziene omstandigheden, zoals een ongeval met het motorrijtuig vlak voor het verstrijken van de geldigheid van het keuringsbewijs. Naar het oordeel van het hof kan onderhavige situatie daarmee niet gelijkgesteld worden. Immers, van een zodanige onvoorziene omstandigheid is in het geheel geen sprake als de schorsing van de geldigheid van het kenteken eindigt door tijdsverloop.

4. Nu door de betrokkene niet wordt betwist dat het keuringsbewijs op 7 augustus 2014 zijn geldigheid heeft verloren, is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 februari 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2016:240 op het beroep tot cassatie in het belang der wet geoordeeld dat het in het arrest van het hof van 22 juli 2015 neergelegde oordeel met betrekking tot de geautomatiseerde wijze van sanctieoplegging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet hierop kan ook het subsidiaire verweer van de gemachtigde geen doel treffen.

5. De sanctie is terecht opgelegd, zodat de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond heeft verklaard. In zoverre leent de beslissing van de kantonrechter zich voor bevestiging.

6. De gemachtigde voert verder aan dat de kantonrechter ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend.

7. De kantonrechter heeft het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen, omdat hij de noodzaak niet zag van het inschakelen van een gemachtigde, gelet op de aard van de overtreding en het standaardmatige karakter van de ingediende beroepsgrond(en). Volgens artikel 13a, eerste lid, van de WAHV heeft de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Het is echter niet aan de rechter om te treden in de beoordeling van de ter zake door de betrokkene ervaren noodzaak een rechtsbijstandverlener in te schakelen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter in zoverre vernietigen.

8. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten met betrekking tot de procedure bij de kantonrechter en in hoger beroep voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: indienen beroepschrift bij de kantonrechter, indienen hoger beroepschrift en indienen nadere toelichting. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 toe (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 620,- (2,5 x € 496,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor wat betreft de afwijzing van het verzoek tot proceskostenvergoeding;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 620,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Meines als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.