Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8240

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
200.184.626
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2015:6386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldleningsovereenkomst. Borgtocht. Opeisbaarheid. Verjaring. Stuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2017-0331

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.184.626

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 384464)

arrest van 19 september 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te Hilversum,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. L. Kruiswijk,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te Naarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. Ph.A.J. Raaijmakers.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 maart 2016 hier over. Bij dit arrest is een comparitie van partijen bepaald, die heeft plaatsgevonden op 15 april 2016. Het proces-verbaal van deze comparitie bevindt zich in het dossier.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord.

1.3

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het vonnis van 9 september 2015.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. Op 30 januari 2005 hebben [X] (hierna: [X] ), [geïntimeerde] en [appellant] een geldleningsovereenkomst gesloten. Hierbij heeft [geïntimeerde] een geldlening van € 120.000 aan [X] verstrekt tegen een rente van 10%. In artikel 2.2 van de overeenkomst is bepaald dat [X] per de laatste dag van elke maand, voor het eerst op 28 februari 2005, ten minste € 1.666,66 te vermeerderen met de verschuldigde rente dient te betalen. Artikel 2.3 bepaalt dat [X] de hoofdsom met rente uiterlijk op 31 januari 2011 volledig aan [geïntimeerde] dient te hebben terugbetaald. In artikel 5 is bepaald dat de hoofdsom of het eventuele restant daarvan en de verschuldigde rente terstond opeisbaar zijn, zonder waarschuwing of ingebrekestelling, onder meer bij faillissement van [X] alsmede bij het niet (tijdig) nakomen van een of meer verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst. In artikel 7 is bepaald dat, indien [X] zijn verplichtingen jegens [geïntimeerde] op enig moment niet nakomt, [appellant] zich als borgsteller bereid verklaart om alsdan 60% van de betalingsverplichtingen van [X] uit deze overeenkomst over te nemen.

[X] heeft in februari, maart en november 2005 en februari, maart en oktober 2006 alleen rentebedragen betaald. Ook in 2007 heeft hij een aantal aflossingen niet voldaan. Vanaf 2008 heeft hij “betaald wat hij kon”, waarbij de betalingsachterstand steeds verder is opgelopen. Op 18 december 2013 is [X] failliet verklaard. Bij brief van 18 januari 2014 heeft [geïntimeerde] [X] erop gewezen dat de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge de geldleningsovereenkomst haperde en verzocht zijn betalingen te hervatten. Bij brief van 22 januari 2014 heeft [geïntimeerde] zijn vordering ingediend bij de curator in het faillissement van [X] . De curator heeft [geïntimeerde] meegedeeld dat zijn vordering is genoteerd op de lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren, maar dat niet valt te verwachten dat er een uitkering aan de concurrente crediteuren zal volgen. Bij brief van 30 januari 2014 heeft [geïntimeerde] vervolgens [appellant] als borg aangesproken. Bij brief van 26 mei 2014 en 17 juni 2014 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] [appellant] verzocht het openstaande bedrag van € 55.000 aan [geïntimeerde] te voldoen. [appellant] heeft aan deze verzoeken niet voldaan.

3.2

[geïntimeerde] heeft [appellant] hierna gedagvaard voor de rechtbank Midden-Nederland. Hij heeft gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 36.300, zijnde 60% van het restantbedrag van € 55.000, te vermeerderen met rente, zulks op grond van de overeengekomen borgstelling.

3.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 9 september 2015 de vordering toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten en nakosten.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[appellant] komt met negen grieven op tegen het vonnis van 9 september 2015 (grieven I tot en met VIII, twee grieven zijn genummerd als grief III). Hij vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

4.2

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

4.3

Het hof zal eerst ingaan op de grieven I en II, waarmee [appellant] zijn beroep op verjaring opnieuw aan de orde stelt. [appellant] keert zich tegen de overwegingen van de rechtbank dat uit artikel 2.3 van de geldleningsovereenkomst is af te leiden dat [X] zich in ieder geval heeft verbonden om de geldlening uiterlijk op 31 januari 2011 volledig terugbetaald te hebben, dat hieruit genoegzaam volgt dat de intentie van partijen was dat [X] maandelijks een bedrag ter aflossing zou betalen, maar dat hij het volledige bedrag uiterlijk op die datum volledig terugbetaald zou hebben, en dat de vordering van [geïntimeerde] op [X] daarom eerst op 1 februari 2011 opeisbaar is geworden en dus niet is verjaard.

[appellant] voert aan dat niet ter discussie staat dat [X] de in artikel 2.2 van de overeenkomst vermelde betalingsverplichting stelselmatig niet is nagekomen en dat artikel 5 van de overeenkomst hieraan het gevolg verbindt dat de hoofdsom en de verschuldigde rente terstond opeisbaar zijn geworden. Volgens [appellant] is zonder twijfel sprake van fatale termijnen. Voor de uitleg die de rechtbank aan de overeenkomst heeft gegeven, bestaat in zijn visie geen grond. Hij stelt zich op het standpunt dat de vordering tegen hem op 2 maart 2005, of in ieder geval in 2008 opeisbaar is geworden, zodat de verjaring van de vordering jegens hem toen is aangevangen. Volgens hem is niet relevant of [X] door het verrichten van betalingen nadat de vordering opeisbaar is geworden de verjaring heeft gestuit, zoals de rechtbank heeft overwogen, omdat stuiting van de verjaring van de vordering op [X] niet betekent dat ook de verjaring van de vordering op [appellant] als borg is gestuit.

4.4

Het hof overweegt hierover als volgt. Niet in geschil is dat de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] uit hoofde van de overeengekomen borgtocht een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen betreft. Op grond van artikel 3:307 BW verjaart deze rechtsvordering door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

4.5

Uit artikel 7:855 BW volgt dat de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] als borg opeisbaar is geworden op het moment dat [X] in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de geldleningovereenkomst ten opzichte van [geïntimeerde] is tekortgeschoten. Voor de vraag wanneer dat het geval was, is allereerst van belang wat de aard en inhoud is van de verplichtingen die op grond van de overeenkomst op [X] rustten. Die vraag moet door uitleg van de overeenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden beantwoord. Daarbij is niet enkel de (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst van belang; steeds komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.6

Naar het oordeel van het hof laten de relevante bepalingen in de schriftelijke overeenkomst die partijen hebben gesloten op zichzelf niets aan duidelijkheid te wensen over. Artikel 2.2 bepaalt dat [X] per de laatste dag van elke maand, voor het eerst op 28 februari 2005, ten minste € 1.666,66 te vermeerderen met de verschuldigde rente over de (resterende) hoofdsom dient te betalen. Artikel 2.3 vervolgt dat [X] de hoofdsom vermeerderd met rente uiterlijk op 31 januari 2011 volledig aan [geïntimeerde] zal hebben terugbetaald. Uit deze bepalingen volgt eenduidig dat [X] per maand ten minste het genoemde aflossingsbedrag plus rente moest betalen, telkens per de laatste dag van de maand, te beginnen op 28 februari 2005, en uiterlijk op de einddatum (31 januari 2011) de hoofdsom en rente volledig diende te hebben (terug)betaald. Uit de bepalingen dat [X] “ten minste” het genoemde bedrag per maand diende te betalen en “uiterlijk” op de einddatum hoofdsom en rente volledig moest hebben betaald, volgt dat het [X] was toegestaan om hogere aflossingen te doen en de lening vervroegd af te lossen. Dat het [X] vrij zou staan om per maand minder te betalen dan het in artikel 2.2 genoemde bedrag plus rente, zolang hij maar op de einddatum de hoofdsom en rente volledig zou hebben betaald, valt niet uit deze bepalingen af te leiden. Artikel 5 van de overeenkomst bepaalt vervolgens dat (het restant van) de hoofdsom en de verschuldigde rente terstond, zonder waarschuwing of ingebrekestelling, opeisbaar zijn bij het niet c.q. niet tijdig nakomen van een of meer verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst. Tot deze verplichtingen behoort evident de verplichting tot betaling zoals hiervoor omschreven. Uit genoemde bepaling volgt dan ook dat bij niet tijdige en/of volledige betaling van het in artikel 2.2 vermelde (minimale) termijnbedrag de hoofdsom en rente terstond opeisbaar worden, zonder dat daarvoor een ingebrekestelling is vereist. Omstandigheden die voor een andere uitleg van de overeenkomst pleiten, heeft [geïntimeerde] niet gesteld en zijn het hof ook niet gebleken. Het hof merkt daarbij nog het volgende op. Tijdens de comparitie in hoger beroep heeft [geïntimeerde] over de achtergrond van de overeenkomst verklaard dat [X] graag het restaurant van [appellant] wilde overnemen, dat [X] een vriend of kennis van zijn partner is, dat hij [X] wilde helpen zodat hij het restaurant inderdaad kon overnemen en dat hij bereid was om hem daarvoor een lening van € 120.000 te verstrekken. Zoals [geïntimeerde] heeft verklaard, ging het voor hem niet om een zakelijke kwestie, maar om een vriendendienst. De tekst van het contract was niet van hem afkomstig, maar van [X] . [geïntimeerde] heeft begrepen dat [X] deze van internet had gehaald. Hij ging ervan uit dat het zo goed was geregeld, aldus zijn verklaring. Het hof wil op grond hiervan aannemen dat [geïntimeerde] niet als professionele partij heeft gehandeld, dat de rechtskennis van [geïntimeerde] (en wellicht ook van [X] en [appellant] ) ten aanzien van de te sluiten overeenkomst beperkt was en dat partijen zich niet hebben bezig gehouden met de details van het contract. Dat wil echter niet zeggen dat aan de bepalingen in het contract geen betekenis (althans een andere dan de tekstuele betekenis) zou toekomen, integendeel: uit de verklaring van [geïntimeerde] dat hij ervan uitging dat de zaak hiermee goed was geregeld, volgt juist dat hij het contract in deze vorm wilde volgen. In elk geval volgt uit deze omstandigheden niet dat [X] , en overigens ook [appellant] , redelijkerwijs mocht en moest begrijpen dat op [X] - in weerwil van de tekst van het contract - slechts de afdwingbare verplichting rustte om uiterlijk op de einddatum de hoofdsom en rente volledig te voldoen. Gelet daarop moet worden aangenomen dat de hoofdsom en rente opeisbaar zijn geworden op het moment dat [X] niet (volledig en tijdig) aan zijn maandelijkse betalingsverplichting voldeed.

4.7

Vast staat dat [X] de eerste betalingstermijn, per 28 februari 2005, al niet tijdig en volledig heeft voldaan. Dit betekent dat de hoofdsom en de daarover verschuldigde rente op dat moment in hun geheel opeisbaar werden. Dat [geïntimeerde] hierop op dat moment geen aanspraak heeft gemaakt en in het vervolg steeds coulant tegenover [X] is geweest, maakt niet dat dit rechtsgevolg niet is ingetreden. Het voorgaande brengt mee dat [X] op dat moment al in de nakoming van zijn verbintenis tot betaling van de hoofdsom en rente is tekortgeschoten en dat de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] als borg daarmee opeisbaar werd. De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat de verjaring van de vordering ten opzichte van [appellant] op 1 maart 2005 (de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar werd) is gaan lopen.

4.8

Wellicht is de verjaring van de vordering van [geïntimeerde] jegens [X] gestuit door de betalingen die [X] tot 2013 is blijven doen, omdat daarin een erkenning van de vordering ligt besloten. Dit betekent echter niet dat daarmee ook de verjaring van de vordering jegens [appellant] is gestuit. Artikel 3:318 BW bepaalt immers dat erkenning van het recht tot welks bescherming een rechtsvordering dient, de verjaring stuit van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat van een erkenning door [appellant] sprake is geweest. Verder is gesteld noch gebleken dat [geïntimeerde] vóór 30 januari 2014, toen hij (na het faillissement van [X] ) [appellant] op grond van de borgstelling aanschreef, enige stuitingshandeling ten opzichte van hem heeft verricht. De conclusie is dan ook dat de rechtsvordering van [geïntimeerde] tegen [appellant] is verjaard. Het in deze zaak door [geïntimeerde] gevorderde is reeds daarom niet toewijsbaar. De grieven I en II slagen derhalve. Bij deze stand van zaken behoeven de overige grieven, bij gebrek aan belang, geen bespreking meer.

4.9

Partijen hebben geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden leiden. Aan de bewijsaanbiedingen gaat het hof daarom voorbij.

5 De slotsom

5.1

De grieven I en II slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vordering van [geïntimeerde] zal alsnog worden afgewezen.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 876

- salaris advocaat € 1.158 (2 punten x tarief III).

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,19

- griffierecht € 718

totaal verschotten € 812,19

- salaris advocaat € 2.316 (2 punten x appeltarief III).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 9 september 2015 en doet opnieuw recht;

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 876 voor verschotten en op € 1.158 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 812,19 voor verschotten en op € 2.316 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, J.A.M. van den Berk en C.J.M. Klaasen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 september 2017.