Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:824

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
200.195.162/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.195.162/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/179919 / FA RK 15-2934)

beschikking van 2 februari 2017

inzake

[verzoekster] ,

verder te noemen: de moeder, en

[verzoeker] ,

verder te noemen: de vader,

beiden wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. P.L. Hellinga te Zwolle,

en

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudend te Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

2. [de gezinshuisouders],

wonende te [B] ,

verder te noemen: de gezinshuisouder(s).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 12 april 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 7 juli 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Hellinga van 16 december 2016 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 22 december 2016 plaatsgevonden.

Verschenen zijn de ouders, bijgestaan door hun advocaat, de heer [C]
namens de raad, de heer [D] en mevrouw [E] namens de GI en de gezinshuisouder. Mr. Hellinga heeft ter zitting het woord mede gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotitie.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren:

- [in] 2001 [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] );

- [in] 2002 [de minderjarige2] ;

- [in] 2004 [de minderjarige3] ;

- [in] 2006 [de minderjarige4] ;

- [in] 2009 [de minderjarige5] (verder te noemen: [de minderjarige5] );

- [in] 2014 [de minderjarige6] (verder te noemen: [de minderjarige6] ).

De moeder heeft nog vijf kinderen uit een eerder huwelijk.

3.2

Met ingang van 6 januari 2011 is [de minderjarige5] onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd.

3.3

Bij beschikking van 15 juli 2011 heeft de kinderrechter machtiging verleend tot plaatsing van [de minderjarige5] in een voorziening voor pleegzorg. Ook zijn oudere broers en zussen zijn in juli 2011 uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige5] is nadien telkens verlengd. [de minderjarige1] woont inmiddels weer bij de ouders samen met haar broertje [de minderjarige6] .

3.4

[de minderjarige5] is in juli 2011 in een pleeggezin geplaatst en verblijft sinds december 2011 bij de gezinshuisouders.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de ouders over [de minderjarige5] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

4 De omvang van het geschil

4.1

De ouders zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

12 april 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

4.2

De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de raad af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Het hof is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:266 BW is voldaan en overweegt daartoe als volgt.

5.3

Uit de beschikbare gegevens, waaronder die uit het raadsrapport van 8 december 2015 die aan de verzoeken van de raad ten grondslag liggen, en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat het opvoedingsperspectief van [de minderjarige5] niet bij de ouders ligt.
De ouders kampen met een belast verleden. In het gezin is jarenlang, ook in het vrijwillig kader, hulpverlening ingezet. De hulpverlening heeft een uithuisplaatsing niet kunnen voorkomen. Het heeft [de minderjarige5] in de thuissituatie bij de ouders in ernstige mate ontbroken aan basale zorg en veiligheid. Er was in het grote gezin van de ouders nauwelijks geld om de kinderen te bieden wat zij nodig hadden, zoals voldoende eten. Ook was er onvoldoende aandacht voor structuur en regelmaat. Vanuit de in 2012 verrichtte psychodiagnostische onderzoeken is gebleken dat [de minderjarige5] en zijn broers en zussen lange tijd in chaos zijn opgegroeid. Ook was de vader vaak boos en sloeg hij de kinderen. De ouders konden de verzorging en de opvoeding van de kinderen niet aan en hierdoor is [de minderjarige5] tekortgekomen. Door zijn belaste voorgeschiedenis is [de minderjarige5] kwetsbaar en heeft hij specifieke verzorging, begeleiding en ondersteuning nodig. Nu de ouders sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige5] in juli 2011, derhalve over een periode van ruim vierenhalf jaar, niet in staat zijn gebleken om binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [de minderjarige5] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen, ontbreekt het vooruitzicht op terugkeer naar de ouders. Dat het perspectief van [de minderjarige5] bij de gezinshuisouders ligt,
aan wie hij gehecht is en waar hij zich goed heeft ontwikkeld, is ook niet meer in geschil.
De ouders berusten in de plaatsing van [de minderjarige5] bij de gezinshuisouders. Volgens de ouders kan deze plaatsing in een vrijwillig kader worden voortgezet, nu zij (inmiddels) inzien dat het in het belang van [de minderjarige5] is dat de reeds langdurige plaatsing bij de gezinshuisouders wordt gecontinueerd, en is een beëindiging van het gezag niet noodzakelijk en niet proportioneel.

5.4

Het hof is er niet van overtuigd dat een plaatsing in een vrijwillig kader tot de mogelijkheden behoort. Mogelijk zijn de ouders inmiddels wel duurzaam bereid om [de minderjarige5] bij de gezinshuisouders te laten opgroeien, zoals door hen aangevoerd, maar deze bereidheid is niet van duurzame aard terwijl ook een duurzame bereidheid niet (zonder meer) in de weg staat aan beëindiging van het gezag. In deze is van belang dat, gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind - en derhalve niet die van de ouders - voorop staan. Het recht van [de minderjarige5] op duidelijkheid over zijn opvoedingssituatie en daarmee zijn belang bij stabiliteit met betrekking tot zijn verblijf en duidelijkheid over de continuïteit van zijn verzorgings- en opvoedingssituatie, wegen naar het oordeel van het hof zwaar.

Het hof acht het in het belang van [de minderjarige5] , maar ook in het belang van de gezinshuisouders dat door middel van de beëindiging van het gezag van de ouders duidelijk wordt dat [de minderjarige5] (in ieder geval) tot zijn volwassenheid verder zal opgroeien bij de gezinshuisouders.

5.5

Het hof heeft voorts bij zijn oordeel betrokken dat het voortduren van het gezag van
de ouders, terwijl het perspectief van [de minderjarige5] blijvend bij de gezinshuisouders ligt, tot gevolg zou hebben dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing jaarlijks zouden dienen te worden verlengd, hetgeen veel onzekerheid en onrust met zich brengt. Voorts geldt dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in beginsel van tijdelijke aard dienen te zijn en die tijdelijkheid niet past bij de huidige situatie, waarin duidelijk is dat [de minderjarige5] 's belang gelegen is in een bestendiging van het verblijf bij de gezinshuisouders.

5.6

Voor zover de ouders een beroep hebben gedaan op de artikelen 8 EVRM en 3, 5 en 18 IVRK overweegt het hof dat de inbreuk die de beëindiging van het gezag maakt in dit geval in het belang van [de minderjarige5] noodzakelijk en proportioneel wordt geacht. De beëindiging van het gezag van de ouders is dan ook niet in strijd met genoemde verdragsbepalingen.

5.7

Nu de ouders geen grief hebben aangevoerd tegen de benoeming van de GI tot voogd, zal het hof dit onderdeel onbesproken laten.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van
12 april 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, J.G. Idsardi en M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 2 februari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.