Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8239

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
200.185.847
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenverevening, afstand van recht, schriftelijkheidsvereiste, rechtsverwerking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, familie

zaaknummer gerechtshof 200.185.847

(zaaknummer rechtbank 931853)

arrest van 19 september 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente Noordenveld,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. M.M. Mok,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de man,

advocaat: mr. A.M.B. Leerkotte.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

15 juli 2015 en 25 november 2015 die de rechtbank Midden-Nederland heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 februari 2016,

- de memorie van grieven tevens houdende akte wijziging van eis (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte van de man (met producties) en een antwoordakte van de vrouw.

2.2

Vervolgens hebben de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 20 december 1972 gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 17 oktober 2001 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken, die op 26 oktober is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

In het echtscheidingsconvenant zijn partijen overeengekomen dat hun pensioenrechten worden verevend.

3.3

Bij brief van mei 2007 heeft de vrouw het volgende aan de man geschreven:

…”Bij deze deel ik u mede, dat ondanks het feit er momenteel nog geen sprake is van samenwonen, waardoor mijn rechten op allimentatie zouden vervallen, ik toch van deze regeling geen gebruik meer wil maken.

Vanaf 1 juni 2007 wens ik van u geen financiele vergoeding/allimentatie meer te ontvangen.”…

3.4

Bij brief van 21 mei 2007 heeft de man aan de vrouw geschreven:

…”Allereerst ben ik blij voor jou dat je gelukkig gaat worden met [partner] en tevens in de financiële omstandigheden bent gekomen, dat je kunt gaan afzien van de ontvangst van de “financiële vergoeding/alimentatie”….

Waarover echter duidelijkheid gewenst c.q. noodzakelijk is, is over de vraag of je hiermee ook bedoelt dat je volledige loskoppeling wenst van al onze financiële verplichtingen naar elkaar.

Daarmee bedoel ik, dat er een wettelijke regeling loopt van betaling van pensioenrechten (ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen) van mij naar jou en van jou naar mij.

Uiteraard zal ik ook jouw verplichtingen aan mij dan laten vervallen, als jij deze verplichtingen van mij aan jou laat vervallen.

Je reactie zie ik graag tegemoet.”…

3.5

De vrouw heeft niet gereageerd op deze brief.

3.6

De man is op 1 oktober 2010 met vroegpensioen gegaan en op 1 oktober 2013 met regulier pensioen. De man is op 1 oktober 2013 65 jaar geworden.

3.7

Per brief van 6 oktober 2011 heeft Nationale Nederlanden (de pensioenuitvoerder van de man) aan de man onder meer het volgende medegedeeld:

“(…) Per 1 oktober 2010 heeft u recht op een tijdelijk en levenslang ouderdomspensioen dat u heeft opgebouwd tijdens uw dienstverband met VvAA groep B.V.

Tot op dit moment heeft er geen uitkering plaatsgevonden van bovengenoemde pensioenen. In verband hiermee heeft u nog recht op een nabetaling over de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2011.

In verband met uw echtscheiding per 26 oktober 2001 heeft uw ex-partner, mevrouw [appellant] , geboren [geboortedatum] , op basis van de “Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS)”, recht op de helft van het (tijdelijk) ouderdomspensioen.

Tijdens de huwelijksperiode is € 13.964,72 aan ouderdomspensioen en € 711,84 aan tijdelijk ouderdomspensoen per jaar opgebouwd.

U heeft recht op de helft daarvan, zijnde € 6.982,36 respectievelijk € 355,92.

Bij de berekening zijn wij uitgegaan van de volgende gegevens:

Datum huwelijk : [trouwdatum]

Datum scheiding : [scheidingsdatum]

Aanvangsdatum deelnemerschap : 1 november 1977

Einddatum deelnemerschap : 1 juli 2001

Aangezien de aanvraag voor de verevening niet binnen 2 jaar na de echtscheidingsdatum is ingediend zult u zelf moeten zorgdragen voor de verdeling

Onderstaand treft u een specificatie aan van de door ons aan u over de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2011 verschuldigde bedragen.

per jaar termijnbedrag Verschuldigd Nabetaling voor uw ex-partner

Ouderdomspensioen €13.964,72 €1.163,73 €13.964,76 € 6.982,38

Tijdelijk Ouderdomspensioen € 711,84 € 59,32 € 711,84 € 355,92

(…) De helft van de uit te keren termijnbedragen dient u over te maken naar uw ex-partner.(…)

Alle genoemde bedragen zijn bruto.(…)”

3.8

Naar aanleiding van een verzoek om informatie van de vrouw, heeft Nationale Nederlanden haar per e-mail van 7 oktober 2014 geïnformeerd over bovenstaande brief van 6 oktober 2011, dat de aanvraag voor de pensioenverevening niet binnen twee jaar na echtscheiding is ingediend, zodat partijen zelf voor verdeling moeten zorgdragen; en dat Nationale Nederlanden niet zelf aan haar zal uitkeren.

3.9

Bij aangetekende brief van 16 oktober 2014 aan de man heeft de vrouw aanspraak gemaakt op haar gedeelte van het gewone en het tijdelijke pensioen van de man en verzoekt zij een en ander te regelen/op te lossen.

3.10

Bij aangetekende brief van 3 maart 2015 heeft mr. Mok namens de vrouw verzocht het achterstallige pensioenbedrag binnen 10 dagen na dagtekening te betalen en er vanaf april 2015 zorg voor te dragen dat voor het begin van iedere maand de helft van het bruto te ontvangen bedrag aan pensioen op de bankrekening van de vrouw wordt over gemaakt, en rechtsmaatregelen aangekondigd ingeval daaraan niet voldaan zal worden.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

De vrouw heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd:

- betaling van een bedrag van € 33.070,28 te vermeerderen met de jaarlijkse indexering en de wettelijke rente vanaf 29 april 2015 tot aan de dag van volledige betaling;

- voor zover mocht blijken dat er door andere pensioeninstellingen eveneens pensioenuitkeringen zijn gedaan aan de man, hem te veroordelen tot betaling van dat gedeelte van de gedane uitkeringen waarop de vrouw op grond van de WVPS aanspraak kan maken, nader op te maken bij staat;

- alle pensioeninstellingen waar de man tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd te machtigen aan de vrouw informatie te verstrekken omtrent de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken en haar te informeren omtrent haar aanspraken die voortvloeien uit de WVPS;

- alle pensioeninstellingen waar de vrouw tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd te machtigen om namens haar vanaf 1 mei 2015 en voor de toekomst maandelijks verschuldigde bruto pensioenuitkeringen waarop de man op grond van de WVPS aanspraak kan maken uit te keren, althans de man te veroordelen om maandelijks aan de vrouw de bruto pensioenuitkeringen te verstrekken waarop zij vanaf 1 mei 2015 en voor de toekomst op grond van de WVPS aanspraak kan maken;

een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de man niet hieraan voldoet, met een maximum van € 50.000,- en met veroordeling van de man in de proceskosten.

4.2

De man heeft verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 november 2015 de vorderingen van de vrouw afgewezen, met compensatie van de proceskosten tussen partijen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

De vrouw komt met twee grieven op tegen het bestreden vonnis, wijzigt haar eis en vordert in hoger beroep het vonnis van 25 november 2015 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar te verklaren arrest met verwijzing van de man in de kosten van beide instanties, de man te veroordelen:

I A om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen arrest aan de vrouw te voldoen alle achterstallige en reeds opengevallen pensioentermijnen, inclusief de jaarlijkse indexeringen, waarop zij op grond van de WVPS aanspraak kan maken vanaf 1 oktober 2010 tot de dag van het te wijzen arrest te vermeerderen met de wettelijke rente over die opengevallen termijnen vanaf 1 oktober 2010 althans vanaf 29 april 2015, tot aan de dag der algehele voldoening;

I B om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen alle nog open te vallen of reeds opengevallen pensioenaanspraken waarop zij op grond van de WVPS aanspraak kan maken, inclusief de jaarlijkse indexeringen, vanaf de dag van het te wijzen arrest tot de dag waarop het gevorderde onder II feitelijk is geëffectueerd;

II om binnen 14 dagen na betekening van het arrest alle pensioeninstellingen waar hij tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd te machtigen aan de vrouw informatie te verstrekken omtrent de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken en haar te informeren omtrent haar aanspraken die voortvloeien uit de WVPS;

III A om binnen 14 dagen na betekening van het arrest alle pensioeninstellingen waar hij tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd te machtigen om namens hem de toekomstige nog open te vallen pensioenaanspraken waarop zij op grond van de WVPS aanspraak kan maken rechtstreeks aan haar uit te keren;

III B om, indien de pensioeninstellingen weigeren aan het onder III A genoemde medewerking te verlenen, maandelijks aan de vrouw de bruto pensioenuitkeringen te verstrekken waarop zij op grond van de WVPS aanspraak kan maken;

IV tot het betalen van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet voldoet aan het hiervoor onder II en III A, met een maximum van € 50.000,-.

Vermeerdering van eis

5.2

De man heeft zich verzet tegen de eiswijziging in hoger beroep, stellende dat de vermeerdering van eis de procedure onnodig vertraagt, dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die de eiswijziging met zich brengen maar van een uitbreiding van het geschil - met de gevorderde wettelijke rente - , waardoor hij onredelijk in zijn verdedigingsbelang wordt geschaad.

5.3

Op grond van artikel 130 lid 1 Rv is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen, en is de gedaagde bevoegd hiertegen bezwaar te maken op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Van strijd met de goede procesorde is op grond van vaste rechtspraak sprake wanneer de wijziging de verdediging onredelijk bemoeilijkt dan wel onredelijke vertraging van het geding veroorzaakt. De man heeft bij zijn memorie van antwoord gelegenheid gehad en genomen om zich tegen de vordering van de vrouw te verweren en bij zijn akte van 26 juli nog nadere stukken in het geding gebracht. Dit heeft tot dusver niet tot onredelijke vertraging geleid. Het hof is, ook omdat hoger beroep dient tot aanvulling van stellingen en omissies, van oordeel dat geen sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde en staat de wijziging van eis toe.

Afstand van recht, rechtsverwerking?

5.4

De vrouw komt met haar eerste grief op tegen de overweging van de rechtbank dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep meer kan doen op het geldend maken van haar recht op verevening van pensioen.

De man voert als verweer dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar recht op pensioenverevening, dan wel haar recht daarop heeft verwerkt. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 29 juni 2007 hebben partijen een gesprek gehad waarin zij onder meer over het onderwerp pensioen hebben gesproken, waarbij de man aan de vrouw heeft aangegeven dat zijn vraag over het afzien van het pensioen nog onbeantwoord was gebleven. De vrouw heeft hierop geantwoord: “Ik wil niets meer van jou hebben, jouw geld heb ik niet nodig en ik wil niets meer met je te maken hebben.”, aldus de man. Hij biedt bewijs aan van zijn stellingen.

5.5

Nu het hier gaat om het recht op pensioenverevening is het volgende wettelijk kader van toepassing. Artikel 1:155 BW bepaalt dat in geval van echtscheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de echtscheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) recht heeft op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in deze wet toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten.

Artikel 2 lid 1 van de WVPS bepaalt dat in geval van scheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht heeft op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding.

Krachtens artikel 9 WVPS zijn echtgenoten gehouden desgevraagd over en weer die gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de rechten en verplichtingen die uit de WVPS voortvloeien.

5.6

Gelet op de bovenstaande maatstaven overweegt het hof als volgt.

Ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van de man, dan nog is dat in het onderhavige geval onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar recht op pensioenverevening.

Volgens de stellingen van partijen hebben zij bij hun echtscheidingsconvenant afgesproken dat zij de pensioenen zouden verevenen conform de wettelijke aanspraken van de WVPS. Bovendien kan niet door een mondelinge overeenkomst de toepasselijkheid van de wet worden uitgesloten (art. 2 lid 1 WVPS). De man is zich, gelet op zijn brief van 21 mei 2007 aan de vrouw, daarvan kennelijk ook bewust geweest. Daarmee strandt het beroep van de man op afstand van recht.

5.7

Het beroep van de vrouw op pensioenverevening is naar het oordeel van het hof niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Partijen hebben ten tijde van de echtscheiding in het convenant vastgelegd dat zij de pensioenen zouden verevenen. Het is dan vervolgens aan partijen om de pensioenverzekeraar(s) in kennis te stellen, dan wel aan de vereveningsplichtige om in elk geval aan de ander de nodige gegevens van diens pensioenverzekeraar te verschaffen. Niet gesteld of gebleken is dat de man een van beide heeft gedaan. De vrouw mocht, nu geen andere schriftelijk vastgelegde afspraken waren gemaakt, er daarom redelijkerwijs van uitgaan dat zij - hetzij via de maatschappij, hetzij van de man - het pensioen zou ontvangen, omdat het om het aan haar toekomende deel van het pensioen ging. Ook indien de door de man gestelde uitlatingen van de vrouw in 2007 hebben plaatsgevonden, maakt dat niet dat de man er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij geen aanspraak meer zou maken op pensioenverevening, nu zulke uitlatingen in de situatie zoals door de man geschetst niet zonder meer als zodanig bedoeld opgevat kunnen worden, mede gelet op de wettelijke schriftelijkheidseis bij uitsluiting van pensioenverevening.

De man is op 1 oktober 2010 met vervroegd pensioen gegaan en is op 1 oktober 2013 65 jaar geworden. De vrouw heeft bij productie 5 in eerste aanleg van de vrouw een brief van Nationale Nederlanden van 6 oktober 2011 aan de man overgelegd. In die brief wordt gesproken over Tijdelijk Ouderdomspensioen, en daarbij wordt ook vermeld dat sprake is van een “nabetaling voor uw ex-partner”. De man moet zich derhalve ook in 2011 nog bewust zijn geweest van de aanspraken van de vrouw. Hij heeft vervolgens in elk geval door het e-mailbericht van Nationale Nederlanden van 7 oktober 2014 c.q. de aangetekende brief van de vrouw aan hem van 16 oktober 2014 - ongeveer een jaar nadat de man 65 jaar was geworden - kunnen en moeten begrijpen dat de vrouw gebruik wilde maken van haar aanspraken. Dat is - mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - niet zodanig laat dat de man er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw haar aanspraak niet meer gestand zou doen. Dat geldt temeer gelet op de strenge eis van schriftelijke vastlegging van uitsluiting van recht op pensioenverevening.

5.8

De eerste grief van de vrouw slaagt, zodat het hof aan de vorderingen van de vrouw en de overige verweren van de man toekomt.

Prepensioen

5.9

De vrouw maakt ook aanspraak op verevening van het (pre)pensioen over de periode 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2013. De man voert (subsidiair) aan dat het prepensioen over deze periode, indien dat een aanspraak is op een VUT-uitkering, niet onder de werking van de WVPS valt, en dat hij dit nog zal uitzoeken.

Het hof acht dit verweer onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd, mede gelet op de voormelde brief van Nationale Nederlanden van 6 oktober 2011 aan de man. In die brief wordt gesproken over Tijdelijk Ouderdomspensioen, en daarbij wordt ook vermeld dat sprake is van een “nabetaling voor uw ex-partner”. Het hof maakt hieruit op dat de vrouw ook recht heeft op verevening van het Tijdelijk Ouderdomspensioen. Niet betwist is dat de man deze brief in 2011 heeft ontvangen en dus ook toen rekening had behoren te houden met verevening. Het hof verwerpt dan ook het verweer van de man ten aanzien van het prepensioen.

Wettelijke rente

5.10

De man voert aan dat hij geen wettelijke rente verschuldigd is; hij is niet in verzuim terwijl de wettelijke rente pas begint te lopen op het moment van in verzuim zijn van de schuldenaar. De vertraging kan de man niet worden toegerekend gelet op de uitlatingen/gedragingen van de vrouw zoals voormeld. Subsidiair moet de wettelijke rente volgens de man worden gematigd op grond van artikel 6:109 BW.

5.10

Op dit punt zijn de regels van boek 6 BW van toepassing. Op grond van artikel 6:119 lid 1 BW loopt de wettelijke rente van de verschuldigde som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Artikel 6:82 BW bepaalt dat het verzuim intreedt na - kort gezegd - schriftelijke ingebrekestelling, en - op grond van artikel 6:83 BW - zonder ingebrekestelling wanneer sprake is van een van de in dat wetsartikel genoemde gevallen. Niet gesteld of gebleken is dat in het onderhavige geval sprake is van een van die gevallen. Bij brief van 3 maart 2015 heeft mr. Mok de man schriftelijk in gebreke gesteld, voor wat betreft de toen reeds vervallen termijnen met ingang van 13 april 2015, en met ingang van 1 april 2015 telkens voor elke nieuwe termijn. Het beroep op matiging van de wettelijke rente is onvoldoende onderbouwd. De wettelijke rente is derhalve aldus toewijsbaar.

6 De slotsom

6.1

De eerste grief van de vrouw slaagt, zodat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, en de vordering zal toewijzen zoals hierna wordt vermeld, inclusief eventuele indexeringen. Nu de man tot dusver geen volledige overzichten over de jaren 2011 tot heden heeft overgelegd, zal het hof de vorderingen van de vrouw onder II, IIIA, IIIB en IV toewijzen.

6.2

De man zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de vrouw stelt het hof vast op € 817,68 aan verschotten (zijnde € 718,- aan griffierecht en € 99,68 aan explootkosten), en € 1.788,- (2 punten van tarief II (€ 894 per punt) voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief. Het hof ziet evenals de rechtbank aanleiding de kosten van het geding in eerste aanleg te compenseren, nu partijen gewezen echtelieden zijn en het geding uit die rechtsverhouding voortvloeit, zodat het hof het bestreden vonnis op dat punt zal bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

7.1

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van

25 november 2015 en doet opnieuw recht;

7.2

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen 14 dagen na betekening van dit arrest aan de vrouw te voldoen de pensioentermijnen waarop zij op grond van de WVPS aanspraak kan maken, inclusief de (eventuele) jaarlijkse indexeringen vanaf

1 oktober 2010 tot heden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2015, tot aan de dag der algehele voldoening;

7.3

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen alle vanaf heden nog openvallende pensioenaanspraken waarop zij op grond van de WVPS aanspraak kan maken, inclusief de (eventuele) jaarlijkse indexeringen;

7.4

veroordeelt de man om binnen 14 dagen na betekening van het arrest alle pensioeninstellingen waar hij tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd te machtigen aan de vrouw informatie te verstrekken omtrent de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken die voortvloeien uit de WVPS en haar te informeren omtrent die aanspraken;

7.5

veroordeelt de man om binnen 14 dagen na betekening van het arrest alle pensioeninstellingen waar hij tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd te machtigen om namens hem de toekomstige nog open te vallen pensioenaanspraken waarop de vrouw op grond van de WVPS aanspraak kan maken rechtstreeks aan haar uit te keren

7.6

voor zover de pensioeninstelling(en) weiger(t)(eren) om de hiervoor bij 7.4 en 7.5 bedoelde medewerking te verlenen:

veroordeelt de man om maandelijks aan de vrouw de bruto pensioenuitkeringen te verstrekken waarop zij op grond van de WVPS aanspraak kan maken;

7.7

Veroordeelt de man tot het betalen van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat hij niet voldoet aan het hiervoor bij 7.4 en 7.5 voldoet, met een maximum van € 50.000,-.

7.8

veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw vastgesteld op € 817,68 voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

7.9

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L. van der Bel, J.H. Lieber en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 september 2017.