Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8188

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
16/01272
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:5046, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Woz. Muziekvereniging. Waardevaststelling pand. Gecorrigeerde vervangingswaarde. Invloed omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-10-2017
FutD 2017-2500

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 16/01272

uitspraakdatum: 19 september 2017

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 september 2016, nummer AWB 15/6241, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Barneveld (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 1 te [Z] , per waardepeildatum 1 januari 2014 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2015 vastgesteld op € 727.000. Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting 2015 (OZB) vastgesteld op € 1.057,05 (eigenaar) en € 834,59 (gebruiker niet-woning).

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De heffingsambtenaar heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid en is opgericht in 1879. Blijkens haar statuten is het doel van belanghebbende het uitoefenen van instrumentale muziek. Belanghebbende bereikt haar statutaire doel door:

  1. het houden van repetities en andere muziekoefeningen,

  2. het geven van muziekuitvoeringen,

  3. het deelnemen aan muziekwedstrijden, en

  4. elke andere manier die niet in strijd is met enig wettelijk voorschrift of hetgeen men in het maatschappelijk verkeer betaamt.

2.2.

Belanghebbende heeft gewone leden, jeugdleden (leden die de leeftijd van negen jaar hebben bereikt maar nog niet die van zestien) en ereleden.

2.3.

Belanghebbende geeft tegen vergoeding muzieklessen aan leden (kinderen en volwassenen). Belanghebbende brengt maandelijks een contributie in rekening aan haar leden. Daarnaast heeft belanghebbende sponsors, aan wie zij tegen vergoeding diensten verleent.

2.4.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak.

2.5.

Belanghebbende is onder nummer [00000] geregistreerd als ondernemer voor de heffing van omzetbelasting. Belanghebbende doet per kwartaal aangifte omzetbelasting. Tot de gedingstukken behoren kopieën van de aangiften omzetbelasting die belanghebbende over het jaar 2015 heeft ingediend.

2.6.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een brief van 7 mei 2016 van [A] accountants en adviseurs aan het bestuur van belanghebbende. In deze brief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Naar aanleiding van een bij de Rechtbank lopende WOZ-procedure heeft u ons verzocht aan te geven wat de verhouding BTW-plichtige en niet-BTW-plichtige omzet is. (…)

Vrijgestelde omzet is BTW-plichtige omzet

Alle activiteiten van [X] vallen onder de heffing van de omzetbelasting. Er zijn echter zaken, die niet tot feitelijke belastingheffing leiden, omdat deze vrijgesteld zijn, of omdat het 0%-tarief van toepassing is. Van het 0%-tarief is in uw geval geen sprake, wel van vrijgestelde omzet.

De vrijgestelde omzet heeft betrekking op inkomsten, waar niet direct een tegenprestatie tegenover staat, zoals donaties, opbrengst oud papier en van fondsen ontvangen (aanmoedigings-) bijdragen.

De term “vrijgestelde omzet” kan tot de conclusie leiden, dat deze omzet niet onder omzetbelasting valt. Dit is echter pertinent onjuist. De wetgever heeft in dit geval gemeend, dat het niet wenselijk is, dat bijdragen van derden ter ondersteuning van de vereniging, ook nog eens zouden worden afgeroomd met BTW-heffing.

Aftrek BTW voorbelasting

Wanneer sprake is van BTW-plichtige en niet BTW-plichtige prestaties, heeft dit gevolgen voor de aftrek van de BTW voorbelasting. Deze kan dan voor een deel niet in mindering gebracht worden op de af te dragen BTW.

In uw geval is daarvan geen sprake, aangezien alle omzet BTW-plichtige omzet is. De door u (aan leveranciers) betaalde omzetbelasting is dus geheel aftrekbaar.

Uitsluitend BTW-plichtige omzet

Geconcludeerd kan worden, dat er uitsluitend sprake is van BTW-plichtige omzet. Ter informatie merken wij op, dat de vrijgestelde omzet over 2015 voor 15,6% (2014: 11,0%) deel uitmaakte van de totale omzet.”

3. Geschil

3.1.

In geschil is of de WOZ-waarde van de onroerende zaak ex- of inclusief omzetbelasting dient te worden vastgesteld.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de WOZ-waarde exclusief omzetbelasting € 601.000 is.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak moet worden gesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde.

4.2.

Bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde komt betekenis toe aan bepaalde omstandigheden die de eigenaar betreffen. Daaronder valt ook de omstandigheid dat op de eigenaar al dan niet de omzetbelasting drukt die hem in rekening wordt gebracht over de vervangingskosten (vgl. HR 9 februari 2007, nr. 41.264, ECLI:NL:HR:2007:AW3876).

4.3.

Partijen houdt verdeeld via welke methode dient te worden bepaald in hoeverre belanghebbende gerechtigd is tot aftrek van voorbelasting bij vervanging van de onroerende zaak. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de omzetverhouding bepalend is, maar dat de buiten de onroerende zaak gerealiseerde omzet (recette uitvoeringen) buiten beschouwing dient te blijven. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de omzet bepalend is, met inbegrip van de buiten de onroerende zaak gerealiseerde omzet. Voor het behalen van deze omzet hebben de leden van belanghebbende binnen de onroerende zaak gerepeteerd, aldus belanghebbende. Een scheiding is volgens belanghebbende moeilijk te maken.

4.4.

Het Hof volgt het standpunt van belanghebbende. Vooropgesteld wordt dat in de Taxatiewijzer en kengetallen, Algemeen deel, hoofdstuk 10, twee methoden worden beschreven. Deze twee methoden komen overeen met de twee methoden die in de regelgeving betreffende de omzetbelasting worden beschreven. De methoden zijn kort te omschrijven als 1) omzetverhouding (pro rata) en 2) werkelijk gebruik. Partijen zijn het eens dat de tweede methode niet bruikbaar is in de situatie van belanghebbende, aangezien de feitelijke kennis ontbreekt om per ruimte vast te kunnen stellen of deze voor belaste of vrijgestelde activiteiten wordt gebruikt en bovendien voor de hand ligt dat de diverse ruimtes worden gebruikt voor alle activiteiten van belanghebbende. Gelet op de foto’s van het interieur van de onroerende zaak zal het Hof partijen hierin volgen. Dit betekent dat de omzetverhouding (pro rata) bepaalt in hoeverre belanghebbende is gerechtigd tot aftrek van voorbelasting bij vervanging van de onroerende zaak. Anders dan de heffingsambtenaar ziet het Hof geen aanleiding de buiten de onroerende zaak gerealiseerde omzet buiten beschouwing te laten. Belanghebbende voert terecht aan dat de leden binnen de onroerende zaak repeteren voor de uitvoeringen die zij elders geven. Bovendien treedt vermenging op tussen het gericht repeteren voor uitvoeringen en het samenspel van de leden van belanghebbende binnen de diverse samenstellingen voor overige doeleinden, zoals het op peil houden van vaardigheden, het leren van nieuwe stukken en meer algemeen het uitoefenen van hun hobby. Het Hof ziet niet in dat de door de heffingsambtenaar bepleite omzetsplitsing tot een nauwkeuriger resultaat leidt, dat meer recht doet aan de situatie van belanghebbende. Dit klemt te meer nu omzetgegevens geheel ontbreken. Het Hof zal daarom uitgaan van alle activiteiten van belanghebbende.

4.5.

Voor de onderhavige procedure zijn de activiteiten van belanghebbende als volgt te duiden:

  • -

    Diensten die aan de leden worden verleend in ruil voor de contributie;

  • -

    Geven van muziekles aan leden tegen vergoeding;

  • -

    Verlenen van reclame- en promotiediensten aan sponsors;

  • -

    Verstrekking van spijzen en dranken (baromzet);

  • -

    Geven van muziekuitvoeringen.

4.6.

Op de voet van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) jo. artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) jo. bijlage B, post 35, bij het Uitvoeringsbesluit, zijn leveringen en diensten van culturele aard van amateurmuziekverenigingen vrijgesteld van omzetbelasting. Bij de toepassing van deze vrijstelling geldt als voorwaarde dat de ondernemer niet systematisch het maken van winst beoogt en, zo er wel winst wordt gemaakt, deze niet wordt uitgekeerd maar wordt aangewend voor de instandhouding of de verbetering van de vrijgestelde handelingen. Op de voet van artikel 11, eerste lid, onderdeel o, ten tweede, Wet OB 1968 jo. artikel 8, eerste lid, onderdeel c, Uitvoeringsbesluit, is onder andere onderwijs in muziek aan jongeren tot 21 jaar vrijgesteld van omzetbelasting. De ondernemers wier prestaties overigens op grond van, voor zover van belang, artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet OB zijn vrijgesteld, kunnen voor activiteiten ter verkrijging van financiële steun gebruik maken van de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel v, Wet OB. Deze vrijstelling geldt indien de ontvangsten ter zake van leveringen niet meer bedragen dan € 68.067 per jaar en die ter zake van diensten niet meer dan € 22.689 per jaar.

4.7.

Het Hof leidt uit de overgelegde aangiften omzetbelasting voor het jaar 2015 af dat belanghebbende de drempel van artikel 11, eerste lid, onderdeel v, Wet OB heeft overschreden. Dit betekent dat de activiteiten die belanghebbende verricht om extra inkomsten te verwerven, volgens de voor iedere dienst overeenkomstig zijn aard vastgestelde regels aan de heffing van omzetbelasting zijn onderworpen.

4.8.

De diensten die belanghebbende aan haar leden verleent, zijn vrijgesteld van omzetbelasting op de voet van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, Wet OB jo. bijlage B, post 35, bij het Uitvoeringsbesluit, mits niet systematisch het maken van winst wordt beoogd en, zo er wel winst wordt gemaakt, deze niet wordt uitgekeerd maar wordt aangewend voor de instandhouding of de verbetering van de vrijgestelde handelingen. Het Hof leidt uit de statuten af dat een eventueel batig saldo dat belanghebbende behaalt, bij ontbinding niet toevalt aan de leden maar aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld ter beschikking wordt gesteld. Hetgeen het college ontvangt, zal worden bewaard voor een eventueel nieuw op te richten muziekvereniging. Dat belanghebbende wel naar winst zou streven en deze op andere wijze dan conform de statuten zou besteden, is niet gebleken. Belanghebbende voldoet aan de voorwaarden die aan de toepassing van voornoemde vrijstelling worden gesteld. Dit houdt in dat belanghebbende verplicht de vrijstelling moet toepassen op de diensten die zij aan haar leden verleent in ruil voor de contributie.

4.9.

Ook zijn de muzieklessen aan personen tot 21 jaar verplicht vrijgesteld op de voet van artikel 8, eerste lid, onderdeel c, Uitvoeringsbesluit. De overige voornoemde handelingen van belanghebbende zijn belast.

4.10.

Langs de hiervoor geschetste scheidslijn tussen vrijgestelde en belaste handelingen dient de omzetverhouding (pro rata) van belanghebbende te worden vastgesteld. Het Hof ziet zich voor het probleem gesteld dat in de gedingstukken onvoldoende gegevens aanwezig zijn om de omzetverhouding voor 2015 vast te stellen, zelfs bij benadering.

4.11.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof aangegeven dat zijn standpunt dat belanghebbende in het geheel geen recht op aftrek heeft, onjuist is. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende het aanbod gedaan de pro rata vast te stellen op 50%. De gemachtigde van belanghebbende heeft dit aanbod afgewezen, en zich op het standpunt gesteld dat uit de aangiften dan wel de onder 2.6 aangehaalde brief volgt dat de pro rata 100%, 89% of 84,4% is. Het Hof verwerpt dit standpunt van belanghebbende. Zoals hiervoor reeds aangegeven, bevatten de gedingstukken onvoldoende aanwijzingen om de door belanghebbende voorgestane percentages te onderbouwen. In de aangiften is alleen de belaste omzet opgenomen, zodat de pro rata niet aan de hand van de aangiften kan worden berekend. Uit de brief van 7 mei 2016 kan evenmin een juist pro rata worden afgeleid. Ondanks dat de brief wat betreft terminologie lastig te doorgronden is, lijkt het erop dat de opsteller van de brief ervan uitgaat dat vrijgestelde prestaties recht op aftrek geven. Dit is onjuist, aangezien uit artikel 15 van de Wet OB onomstotelijk volgt dat aftrek van voorbelasting slechts mogelijk is indien een prestatie met een positief tarief (21%, 6% maar ook 0% op de voet van tabel II bij de Wet OB, overigens niet gelijk te stellen met een vrijstelling) is belast. Belanghebbende heeft dus geen recht op aftrek voor de diensten aan de leden en de muzieklessen aan leden tot 21 jaar. Dit geldt ook voor de prestaties die zij zonder (rechtstreekse) vergoeding verricht. Dat alle voorbelasting aftrekbaar is, zoals de conclusie onderaan pagina 1 van de brief luidt, kan gelet op de toepasselijke regelgeving niet juist zijn. De genoemde percentages van 15,6 (2015) en 11 (2014) aan vrijgestelde omzet zijn niet juist, aangezien deze percentages zien op donaties, opbrengst oud papier en bijdragen van fondsen, de door de opsteller van de brief als vrijgestelde omzet betitelde inkomsten. De door belanghebbende bepleite percentages voor de wel aftrekbare voorbelasting van 84,4 en 89 kunnen daarom ook niet juist zijn.

4.12.

Aangezien geen van beide partijen zijn standpunt aannemelijk heeft gemaakt, ziet het Hof aanleiding de WOZ-waarde in goede justitie vast te stellen op € 675.000.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 492 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting)  wegingsfactor 1  € 246 (bedrag 2017)), € 990 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 495 (bedrag 2017)) en € 1.237,50 voor de kosten in hoger beroep (2,5 punten (hogerberoepschrift, conclusie van repliek en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 495 (bedrag 2017)), ofwel in totaal op € 2.719,50.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de heffingsambtenaar,

– vermindert de vastgestelde waarde tot € 675.000,

– vermindert de aanslagen OZB dienovereenkomstig,

– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.719,50,

– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 331 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 503 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 19 september 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 19 september 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.