Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8158

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
WAHV 200.180.230
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoorplicht. Door te oordelen dat de inleidende beschikking voldoende informatie bevat om een

gemotiveerd verweer te voeren en dat de officier van justitie daarom van het horen mocht afzien,

heeft de kantonrechter een uitzonderingsgrond toegepast die de wet niet kent.

Niet stoppen voor rood licht. Mogelijkheid om tijdig tot stilstand te komen tijdens de geelfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.180.230

18 september 2017

CJIB 181308569

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 13 augustus 2015

betreffende

[betrokkene] BV (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 30 maart 2016 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen.

Beoordeling

1. De gemachtigde betoogt – onder meer – dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan een schending van de hoorplicht door de officier van justitie.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift expliciet aan de officier van justitie heeft verzocht te worden gehoord. De officier van justitie heeft op het beroep beslist zonder aan dit verzoek te voldoen. De gemachtigde heeft vervolgens bij de kantonrechter geklaagd over schending van de hoorplicht.

3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie in het bepaalde in artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aanleiding heeft kunnen zien om het horen achterwege te laten, nu de inleidende beschikking voldoende informatie bevat om een gemotiveerd verweer te kunnen voeren.

4. Dit oordeel van de kantonrechter is onjuist op grond van het navolgende.

5. Ingevolge artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo. artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar slechts van afzien, indien:
- het beroep kennelijk ongegrond is, of

- het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, of
- de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of

- de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord (artikel 7:17 Awb).

6. In de onderhavige zaken doet geen van voormelde uitzonderingsgronden zich voor. Door te oordelen dat de officier van justitie van het horen mag afzien wanneer een inleidende beschikking voldoende informatie bevat, heeft de kantonrechter een uitzonderingsgrond toegepast die de wet niet kent.

7. Het hof is van oordeel dat de gemachtigde in dit geval had moeten worden gehoord door de officier van justitie. Nu de kantonrechter het besluit van de officier van justitie ten onrechte niet heeft vernietigd wegens schending van de hoorplicht, kan diens beslissing niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie daarom vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. Nu de beslissingen van de kantonrechter en van de officier van justitie niet in stand blijven, laat het hof de overige bezwaren daartegen buiten beschouwing.

8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 25 april 2014 om 09:32 uur op de N2 te [C] met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

9. De gemachtigde stelt dat de verkeerslichtinstallatie ondeugdelijk was ingesteld. Gelet op de te korte geeltijd was het voor de bestuurder van het voertuig niet mogelijk tijdig tot stilstand te komen. De gemachtigde onderbouwt zijn stelling met verwijzing naar een rapport dat door een verkeerskundig bureau is opgesteld. Daarin is geadviseerd dat in situaties als deze de geeltijd ten minste vier seconden moet bedragen. De gemachtigde heeft vastgesteld dat de geelfase hier slechts drie seconden duurt. Als er door rood is gereden, is dat het gevolg geweest van de zgn. ‘dilemmazone’. Binnen die zone, die zich op enige afstand van het verkeerslicht bevindt, besluiten automobilisten bij geel licht of het al dan niet verantwoord is om door te rijden. Waarschijnlijk reed er een voertuig achter het voertuig van de betrokkene. Om een kop-staartbotsing te vermijden, heeft de bestuurder besloten door te rijden. Dat is verantwoord weggedrag, aldus de gemachtigde.

10. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat namens de betrokkene niet wordt ontkend dat met haar voertuig door rood is gereden, staat vast dat de gedraging is verricht. Het hof heeft nu te beoordelen of de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht het achterwege laten van een sanctie rechtvaardigen.

10. Namens de betrokkene is gemotiveerd gesteld dat het niet mogelijk was om tijdig tot stilstand te komen tijdens de geelfase. Het hof stelt voorop dat in het algemeen mag worden verwacht dat een bestuurder te allen tijde in staat is zijn voertuig tijdig en op een verantwoorde wijze voor een verkeerslicht tot stilstand te brengen. Van een bestuurder mag men immers verwachten dat hij anticipeert op een naderend verkeerslicht en zijn snelheid zodanig aanpast dat tijdig kan worden gestopt.

12. Indien een driekleurig verkeerslicht geel licht uitstraalt, houdt dit in beginsel in dat moet worden gestopt. Slechts indien men het verkeerslicht zo dicht genaderd is dat stoppen niet meer mogelijk is, mag men doorrijden. Daarbij dient er in beginsel van te worden uitgegaan dat de duur van de geellichtfase lang genoeg is om dat voertuig op verantwoorde wijze tijdig tot stilstand te brengen voor de stopstreep, uitgaande van de toegestane maximumsnelheid ter plaatse, de veronderstelling dat het voertuig beschikt over de voorgeschreven bedrijfsrem en met inachtneming van één seconde reactietijd.

13. De vraag of de geellichtfase in de onderhavige omstandigheden zodanig is dat op verantwoorde wijze voor de stopstreep én dus voor het rode verkeerslicht kan worden gestopt, dient te worden beantwoord aan de hand van de stopafstand van het betreffende voertuig. De stopafstand bestaat uit de remweg van het voertuig plus de afstand die nog wordt afgelegd in de reactietijd van één seconde voordat na het signaleren van het gele licht begonnen wordt met remmen. Het is het hof ambtshalve bekend dat de remweg wordt bepaald door toepassing van de formule S = V²/2xA. Daarbij staat S voor de remweg, V voor de beginsnelheid en A voor de remvertraging.

14. Blijkens de RDW-voertuiggegevens behorende bij het kenteken [00-YYY-0] gaat het in het onderhavige geval om een bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 31 december 2011. Artikel 5.3.38, eerste lid, van de Regeling Voertuigen bepaalt dat een dergelijk voertuig moet beschikken over een bedrijfsrem waarvan de remvertraging tenminste 5 m/s² bedraagt, welke remvertraging door moderne voertuigen als dat van de betrokkene ruimschoots wordt gehaald.

15. Uitgaande van een beginsnelheid van 50 kilometer per uur (13,88 m/s), zijnde de ter plaatse geldende maximumsnelheid, en een remvertraging van 5 m/s² levert de remwegformule een remweg op van 19,27 meter. Wanneer daar een reactieafstand van 13,88 meter bij opgeteld wordt, blijkt dat de stopafstand van het voertuig 33,15 meter is. Het hof merkt daarbij nog op dat bij verreweg de meeste voertuigen de remvertraging een stuk groter is dan minimaal vereist, zodat de remweg en dus ook de stopafstand feitelijk nog korter is.

16. Erop gelet dat binnen de bebouwde kom, zoals hier, de rood licht-fase van het verkeerslicht is voorafgegaan door een geel licht-fase van tenminste 3 seconden, betekent dit dat de betrokkene ongeveer 3 seconden de tijd heeft gehad om zijn voertuig vóór de stopstreep tot stilstand te brengen. Ervan uitgaande dat de betrokkene reed met de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, was hij, op het moment dat het verkeerslicht geel licht ging uitstralen, ongeveer 41,64 meter (13,88 x 3 seconden) van het verkeerslicht verwijderd. Derhalve is de stopafstand van 33,15 meter ruimschoots voldoende geweest om tijdig voor de stopstreep te kunnen stoppen. Dat de optimale geelfase door een verkeerskundig adviesbureau anders wordt ingeschat, is voor deze beoordeling niet relevant. Dergelijke adviezen hebben geen bindende werking. Het verweer op dit punt slaagt dan ook niet.

17. Het verweer met betrekking tot de dilemmazone wordt eveneens verworpen.
Artikel 68, 1e lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 verplicht om, tenzij dat redelijkerwijs niet meer mogelijk is, te stoppen voor een geel verkeerslicht. Nu de bestuurder van het voertuig van de betrokkene, gelet op het hiervoor overwogene, redelijkerwijs tijdig had kunnen stoppen tijdens de geelfase, komt het voor rekening van de betrokkene dat die mogelijkheid niet is benut. Dat het tot stilstand brengen van het voertuig in dit geval tot een aanrijding had kunnen leiden, zoals de gemachtigde zonder enige onderbouwing heeft gesteld, acht het hof niet aannemelijk geworden.

18. Er is terecht een sanctie opgelegd. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt dan ook ongegrond verklaard.

19. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 490,- (= 2 x € 490,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 181308569 de administratieve sanctie is opgelegd ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 490,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.