Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:813

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
200.202.805
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Wwz. Ontbinding op de d-grond. Verbetertraject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0167
GZR-Updates.nl 2017-0119
AR 2017/623
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.202.805

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, 5100338)

beschikking van 3 februari 2017

in de zaak van

[naam verzoekster] ,

wonende te [plaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,

hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. C.J. Tijman,

tegen

de stichting

Stichting Ziekenhuis Gelderse Vallei,

gevestigd te Ede,

verweerster in het hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: ZGV,

advocaat: mr. J.W. Koekebakker.

1
1. Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

2 augustus 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, waarbij de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen de partijen op de d-grond heeft ontbonden met ingang van 1 oktober 2016, onder veroordeling van ZGV tot betaling aan [verzoekster] van de transitievergoeding ter hoogte van € 9.308,90 bruto en onder compensatie van de proceskosten.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift (met producties) van [verzoekster] , ter griffie ontvangen op 1 november 2016;

- het verweerschrift met producties van ZGV;
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling namens [verzoekster] toegezonden productie 6;

- de op 13 januari 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 28 februari 2017 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoekster] heeft in haar hoger beroepschrift verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en bij (het hof leest:) beschikking (voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad):
primair

ZGV te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2016, dan wel tot herstel van de arbeidsovereenkomst per een latere datum onder veroordeling van ZGV tot doorbetaling van salaris en emolumenten vanaf 1 oktober 2016;

subsidiair

ZGV te veroordelen tot betaling aan haar van een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto;

het voorgaande onder veroordeling van ZGV in de kosten van de procedure in beide instanties.

3 De feiten

3.1

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.2

[verzoekster] , geboren op [datum1] , is op 1 februari 2001 in dienst getreden van ZGV in de functie van radiodiagnostisch laborante op de afdeling radiologie en nucleaire geneeskunde. In deze functie was [verzoekster] verantwoordelijk voor het maken van röntgenfoto’s ten behoeve van de verschillende behandelafdelingen van ZGV. Het salaris van [verzoekster] , gebaseerd op een arbeidsduur van uiteindelijk 16 uur per week, bedroeg € 1.315,42 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering.

3.3

In de functiebeschrijving van radiodiagnostisch laborant staat onder het kopje “functie-eisen” en subkopje “Risico’s, verantwoordelijkheden en invloed” vermeld: “Functionaris is verantwoordelijk voor een goede uitvoering van het onderzoek en draagt er zorg voor, dat de patiënt zo min mogelijk straling ontvangt (ALARA-principes).” Het ALARA-principe staat voor ‘as low as reasonably achievable’.

3.4

Bij brieven van 7 juni 2011 en 5 januari 2012 heeft ZGV aan [verzoekster] een schriftelijke waarschuwing gegeven wegens herhaald te laat komen.

3.5

Op 8 oktober 2013 heeft ZGV een beoordelingsgesprek gevoerd met [verzoekster] . Uit het verslag daarvan blijkt dat de aanleiding van het gesprek is gelegen in de klachten die collega’s uiten over [verzoekster] betreffende haar functioneren, werkhouding, samenwerking en de bejegening van de patiënten. ZGV heeft over deze klachten in het verslag van het gesprek het volgende opgenomen:

“De klachten zijn in dit gesprek zo concreet mogelijk geformuleerd:

- Werktempo ligt bij [verzoekster] duidelijk lager dan bij de collega’s

- Communicatie met collega’s is nauwelijks aanwezig over waar [verzoekster] heen gaat. Is dan enige tijd spoorloos ten koste van de patiëntenzorg.

- Het op tijd beginnen heeft de nodige aandacht nodig

- Communicatie met patiënten. Een en ander is voor de leidinggevende niet nader te duiden, maar collega’s geven aan hier plaatsvervangende schaamte van te krijgen en lopen dan maar weg.”

3.6

Op 17 juli 2014 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden naar aanleiding van - volgens het verslag - “het tweemaal achtereen te laat komen binnen één week, op 24 en 26 juni 2014 en eerdere waarschuwingen, voorts de klachten die binnen kwamen van een collega betreft [verzoekster] functioneren en gesprekken over het functioneren en het te laat komen in de afgelopen jaren. Tevens is besproken de klachtenbrief van een patiënt.” In dit gesprek heeft afdelingshoofd [naam afdelingshoofd] aan [verzoekster] medegedeeld dat hij, gezien voorgaande gesprekken en de klachten, heeft besloten tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. [naam functionaris] (personeelsfunctionaris) heeft in dit gesprek voorts aan [verzoekster] voorgehouden dat er twee opties waren: een ontslag met wederzijds goedvinden, eventueel met een naar omstandigheden passende compensatie, of een ontslagprocedure. [verzoekster] heeft over deze twee opties bedenktijd gekregen.

3.7

In augustus 2014 heeft ZGV een verzoek ingediend bij de rechtbank Gelderland tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen. In de eindbeschikking in die procedure van 26 november 2014 (3368345 \ HA VERZ 14-267) heeft de kantonrechter het verzoek van ZGV afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen (waarbij [verzoekster] ‘ [naam1] ’ wordt genoemd):

“2.2. De essentie van het onderhavige geschil is of er sprake is van zodanig disfunctioneren van [naam1] dan wel een aan haar te wijten verstoorde arbeidsrelatie dat in redelijkheid niet van ZGV kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

2.3.

De kantonrechter overweegt als volgt. ZGV heeft twee verslagen van met [naam1] gevoerde beoordelingsgesprekken (8 oktober 2013 en 17 juli 2014) in het geding gebracht. Vastgesteld moet worden dat ZGV de indertijd met [naam1] gevoerde gesprekken niet conform de regels van de van toepassing zijnde CAO en de daaraan gerelateerde regeling heeft gevoerd en vastgelegd. Ter zitting heeft ZGV ook erkend dat de klachten summier beschreven zijn en dat zij zich realiseert dat er onvoldoende is vastgelegd. Daarbij komt dat, naar het oordeel van de kantonrechter, de gebeurtenissen c.q. het gestelde disfunctioneren van [naam1] , dat voor ZGV aanleiding is geweest het onderhavige ontbindingsverzoek in te dienen, het verzoek niet kunnen dragen. Enerzijds omdat dat door [naam1] gemotiveerd is betwist en anderzijds omdat het door ZGV gestelde disfunctioneren is te herleiden tot reacties en/of verklaringen van collega’s en/of artsen – die deels dateren van na de datum waarop het beoordelingsgesprek heeft plaats gevonden (17 juli 2014) – waarop [naam1] in het kader van hoor en wederhoor niet naar behoren heeft kunnen reageren. Van belang is ook dat ZGV heeft erkend dat het verbetertraject dat is ingezet naar aanleiding van het op 8 oktober 2013 gevoerde gesprek goed is verlopen, zoals door [naam1] is gesteld. Overigens kan het niet zo zijn dat de vooralsnog gebleken, want erkende, enkele keer dat [naam1] (op 24 juni 2014) te laat op haar werk is verschenen, de druppel zou zijn die de emmer heeft doen overlopen, zoals door ZGV is gesteld.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat ZGV niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gewichtige redenen, althans gewijzigde omstandigheden waardoor voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van haar kan worden gevergd. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen. (…)”.

3.8

In december 2014 heeft [verzoekster] haar werkzaamheden bij ZGV hervat dan wel voortgezet. ZGV heeft toen in een of meer gesprek(ken) met [verzoekster] aangegeven dat van haar wordt verwacht dat zij geen fouten meer maakt, dat zij zich strikt aan de werkafspraken houdt en dat zij niet meer te laat komt. Voorts wordt afgesproken dat [verzoekster] begeleid zal worden en dat er frequent (maandelijks) gesprekken zullen plaatsvinden.

3.9

ZGV heeft op 8 januari 2015, 17 februari 2015, 12 mei 2015, 26 mei 2015, 18 juni 2015, 8 juli 2015, 2 september 2015, 3 november 2015 en 18 december 2015 gesprekken met [verzoekster] gevoerd. Daarin zijn incidenten besproken die met betrekking tot [verzoekster] hadden plaatsgevonden.

3.10

In het gespreksverslag van 8 januari 2015 staat onder meer vermeld:

“5-1-2015

Bij een opname zijn extra opnames gemaakt welke niet gevraagd en dus ook niet nodig waren. Hier door heeft patiënt onnodige straling opgelopen. (…)

06-01-2015

Zonder overleg met de bucky oudste was [verzoekster] de koffiekamer aan het opruimen. Dit was uitdrukkelijk tegen de afspraken in. [verzoekster] zou namelijk helder communiceren wat ze doet en waar zo naar toe gaat.

Op 08-01-2015

Er is in het overleg aangegeven dat [verzoekster] erg druk overkomt en hierdoor zaken regelmatig fout lopen. Er is haar advies gegeven wat rustiger te doen en zich te beperking tot haar kerntaken.”

3.11

In het gespreksverslag van 17 februari 2015 staat onder meer vermeld:

“Gesproken werd over het samenwerken met [verzoekster] .

De collega’s geven aan dat samenwerken met [verzoekster] veel van hun aandacht vraagt. Er gebeuren regelmatig kleine dingen die het werkproces verstoren. [naam afdelingshoofd] gaf aan dat bij elke laborant wel eens wat gebeurd, maar dat dit bij [verzoekster] juiste net te vaak gebeurd, waardoor extra alertheid is geboden. [verzoekster] herkent dit niet en heeft voor alles een afdoende verklaring.”

3.12

In het gespreksverslag van 26 mei 2015 staat onder meer vermeld:

“1. Datum voorval: dinsdag 12 mei 2015

Patiënt (…)

Moest vergrotingen-opname worden gemaakt van de mamma

Ze heeft een compressie opname gemaakt ipv een vergrotingsopname. Dienstdoende radioloog ( [naam radioloog] ) heeft meermalen gecheckt en heeft het bevestigd gekregen van [verzoekster] dat dit de goede opnamen waren. Bleek dus niet correct. [verzoekster] blijft overtuigd dat ze het goed heeft gedaan

2. Datum voorval: dinsdag 12 mei 2015

Er is tussen de middag door [verzoekster] een bekken opname gemaakt met de vraagstelling fractuur. Ze heeft de foto aan dr. [naam persoon1] laten zien, maar zij had geen tijd en vroeg of [verzoekster] de foto aan een andere radioloog zou willen laten zien. Patiënt heeft een uur zitten wachten en geen van de radiologen had de foto gezien.

3. Datum voorval: dinsdag 19 mei 2015

Er was afgesproken dat [verzoekster] om 8:00 uur zou beginnen, i.pv. 9:00 uur maar ze kwam toch pas om 9:00 uur.”

3.13

In het gespreksverslag van 18 juni 2015 staat onder meer vermeld: “In de periode van 26 mei 2015 (laatste overleg) en 18 juni (recentste overleg) zijn geen bijzonderheden ten aanzien van het functioneren van [verzoekster] aan [naam persoon2] of [naam persoon3] gerapporteerd.”

3.14

In het gespreksverslag van 8 juli 2015 staat onder meer vermeld:

“Maandag 29 juni

- tijdens het werk vrij gekregen van 13:30 tot 15:00

- [verzoekster] kwam pas om 16:15 terug nadat ze ook nog naar de kapper was geweest

- dit is niet acceptabel.

Dinsdag 30 juni

- [verzoekster] heeft dienst gedaan, via collega feedback gekregen

Onduidelijk of er afstemming is geweest tussen beide collega’s tav opbellen BD'er

[verzoekster] had telefoon 5610 als dienstdoend laborant niet bij zich onduidelijkheid over een foto die wel/niet was gemaakt

geen goede prioriteiten gesteld, opruimen van ‘nutteloze’ dingen terwijl een collega nog druk was op de SEH

volgens [verzoekster] klopt er niets van, checken met [naam persoon4] en [naam persoon5]

Dinsdag 30 juni

- [verzoekster] stond om 15:30 ingeroosterd om te beginnen

- Leidinggevende heeft gebeld waar [verzoekster] bleef

- ze had niet op het rooster gekeken hoe laat ze moest beginnen.”

3.15

In het gespreksverslag van 3 september 2015 staat onder meer vermeld:

“Juli-Augustus

- [verzoekster] is in een werkkamer van een radioloog aangetroffen bij het ‘opruimen’ van het bureau

- Briefjes met pat gegevens worden in de prullenbak teruggevonden

- Koffiekopjes zijn verdwenen en worden teruggevonden op de koffietafel

- Ondanks verzoek hiermee te stoppen gaat zij hier mee door

(…)

Zaterdag 1 en zondag 2 augustus B dienst

(…)

- [verzoekster] werd gebeld om foto’s te maken van een huisartspatiënt die rechtstreeks naar de afdeling radiologie was binnengekom. [verzoekster] heeft het toegestaan, echter dit is niet de procedure. Patiënt moet binnenkomen via SEH.

- [verzoekster] belt niet, communiceert niet

- [verzoekster] was weg, geen afstemming, uiteindelijk contact

- Administratie moet ze ook mee worden geholpen

- Staande thorax SEH, SEH belde waar de laborant bleeft, Anne heeft uiteindelijk de foto gemaakt, [verzoekster] zat ergens een patient te ‘troosten’.”

3.16

In het gespreksverslag van 3 november 2015 staat onder meer vermeld:

Bereikbaarheidsdienst

Op 26 & 27 september was [verzoekster] ingedeeld voor een bereikbaarheidsdienst. Tijdens deze dienst bleek [verzoekster] niet bereikbaar terwijl de capaciteit op de afdeling radiologie noodzakelijk was.

Mammografie

Radioloog geeft aan dat in patiëntenzorg/praktijk het niet langer wenselijk is om [verzoekster] nog op de mammo te laten functioneren. Dit onder meer om de volgende redenen:

- [verzoekster] maakt onnodige foto’s, omdat ze geen overleg met Radioloog heeft, (…)

-Maandag 2 november heeft [verzoekster] op mammografie gestaan. Tijdens een onderzoek heeft zij de deur open laten staan terwijl patiënt wordt geholpen. Hiermee wordt de privacy van de patiënt geschonden. Constatering door radioloog gedaan.”

3.17

Het gesprek op 18 december 2015 betrof een jaargesprek waarin de conclusie is getrokken dat het functioneren van [verzoekster] onvoldoende is. In het verslag hiervan is het volgende vastgelegd:

“Conclusie en afspraken

Overall conclusie is jouw functioneren onvoldoende. Er zijn zeer veel incidenten geweest en er is onvoldoende verbetering geconstateerd. Inhoudelijk qua functioneren is het zo ernstig dat de radiologen niet langer werk van jou accepteren waardoor jij als laborant niet meer inzetbaar bent. Om deze redenen willen we voorstellen om gezamenlijk een alternatieve functie te zoeken in het ziekenhuis. Half januari willen we de mogelijkheden hiertoe bespreken.

Overall moeten we concluderen dat het functioneren ruim onvoldoende is en derhalve veel incidenten hebben plaatsgevonden waaruit dat blijkt. Alles wat we tijdens dit gesprek aan de orde stellen is eerder in tussentijdse evaluaties besproken.

1. Vele malen te laat op het werk verschenen

2. Inhoudelijk is de kwaliteit van het werk ruim onvoldoende waarbij patientveiligheid in het geding is

3. Functioneren in algemene zin is onvoldoende waardoor processen niet goed verlopen

Specifieke situaties waaruit blijkt dat het functioneren als ruim onvoldoende wordt beoordeeld zijn in de bijlage per onderwerp (als hierboven) bijgevoegd.”

3.18

Bij brief van 22 december 2015 heeft ZGV aan [verzoekster] medegedeeld dat zij niet meer wordt ingezet voor radiodiagnostisch werk. Het ‘klaarlegwerk’ ten behoeve van de echografie gedurende 1, soms 2, dag(en) per week kan [verzoekster] blijven doen. Voor de overige uren is [verzoekster] vrijgesteld van alle radiodiagnostische werkzaamheden.

4 Het verzoek aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

ZGV heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2016 te ontbinden, onder toekenning aan [verzoekster] ten laste van ZGV van de transitievergoeding.

4.2

[verzoekster] heeft afwijzing van het verzoek bepleit.

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2016 ontbonden, onder toekenning van de transitievergoeding van € 9.308,90 en onder compensatie van de proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat er aan het verzoek (ten opzichte van het eerder gedane ontbindingsverzoek) nieuwe feiten ten grondslag zijn gelegd zodat ZGV ontvankelijk is in het verzoek (rechtsoverweging 4.1), dat voor [verzoekster] zonder meer duidelijk moet zijn geweest wat ZGV van haar verwachtte, waaronder punctualiteit en bereikbaarheid (rechtsoverweging 4.4) en dat uit de opsomming van ZGV en de door [verzoekster] erkende of onvoldoende weerlegde incidenten volgt dat [verzoekster] structureel tekortschoot in punctualiteit en bereikbaarheid en dat zij onvoldoende besef van verantwoordelijkheid heeft getoond (rechtsoverweging 4.4). Vervolgens heeft de kantonrechter, samengevat, overwogen dat het [verzoekster] ’ verantwoordelijkheid is om zo tijdig van huis te vertrekken dat zij niet - door onvoorziene omstandigheden - te laat op het werk zou verschijnen (rechtsoverweging 4.5); dat het haar verantwoordelijkheid was kennis te nemen van het rooster (rechtsoverweging 4.7) en dat sprake is van gebrekkige communicatie en gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef. De incidenten in onderlinge samenhang bezien tonen naar het oordeel van de kantonrechter aan dat [verzoekster] niet over de juiste mentaliteit en eigenschappen beschikt om de bedongen arbeid naar behoren uit te voeren. [verzoekster] heeft voldoende de gelegenheid gekregen om haar functioneren alsnog op een behoorlijk niveau te brengen. Herplaatsing behoort niet tot de mogelijkheden. De conclusie van de kantonrechter was dan ook dat de arbeidsovereenkomst moest worden ontbonden.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1.

[verzoekster] heeft van deze beschikking hoger beroep ingesteld onder aanvoering van drie beroepsgronden. Voorts heeft zij bewijs aangeboden. [verzoekster] heeft in haar hoger beroepschrift (samengevat) verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en ZGV te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst dan wel, subsidiair, ZGV te veroordelen tot betaling aan haar van een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto. ZGV heeft verweer gevoerd en het hof verzocht om het verzoek van [verzoekster] tot herstel van de arbeidsovereenkomst of tot veroordeling tot betaling van een billijke vergoeding af te wijzen met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep.

5.2

In de eerste beroepsgrond voert [verzoekster] aan - samengevat weergegeven - dat de kantonrechter er ten onrechte van uit is gegaan dat [verzoekster] (nadat het eerste ontbindingsverzoek in november 2014 was afgewezen) volstrekt foutloos diende te functioneren. In vervolg daarop heeft de kantonrechter volgens [verzoekster] ten onrechte geoordeeld dat zij structureel tekort schiet in punctualiteit en bereikbaarheid, zodat zij niet over de juiste mentaliteit en eigenschappen beschikt om de bedongen arbeid naar behoren uit te voeren. In de tweede beroepsgrond voert [verzoekster] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zij na de eerste (afgewezen) beschikking voldoende gelegenheid heeft gekregen om haar functioneren alsnog op een behoorlijk niveau te krijgen en dat zij voldoende was geïnformeerd over de consequenties van een niet geslaagd verbetertraject. Met deze beroepsgronden worden de volgende aspecten van de beoordeling op grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder d BW aan de orde gesteld:

- of sprake was van ongeschiktheid van de werknemer tot het verrichten van de bedongen arbeid,

- of de werkgever de werknemer in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld zijn functioneren te verbeteren, en

- of de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van de werkgever voor de scholing van de werknemer.

5.3

Over de vraag of [verzoekster] ongeschikt was voor het verrichten van de bedongen arbeid wordt het volgende overwogen. ZGV heeft als productie 26 bij haar verweerschrift in hoger beroep een thematisch gegroepeerde opsomming gevoegd van de incidenten die in het jaar 2015 met [verzoekster] hebben plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof met [verzoekster] een aantal van deze incidenten besproken. Uit de stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is besproken, blijkt het volgende.

5.4

Aan [verzoekster] was duidelijk dat ZGV van haar verwachtte dat zij niet te laat zou komen. Dat was aan [verzoekster] verteld in de gesprekken die zij aansluitend aan de beschikking van 26 november 2014 met haar leidinggevenden had gevoerd, nog afgezien van het feit dat ook uit de aanloop tot dat ontbindingsverzoek van 2014 voor [verzoekster] klip en klaar was, althans had moeten zijn, dat ZGV geen te laat komen duldde. Desondanks is er in 2015 een aantal incidenten geweest waarin [verzoekster] te laat, en soms flink te laat althans niet op de ingeroosterde tijd, op het werk verscheen. [verzoekster] heeft daarover op de mondelinge behandeling in hoger beroep als volgt verklaard. Met betrekking tot het incident van 30 juni 2015, waarbij zij een uur na de aanvang van haar dienst verscheen, heeft zij verklaard dat zij wist dat er meer laborantes aanwezig waren en dat het dan alleszins gebruikelijk was dat één van hen een uur later begon. Daarom voelde zij zich vrij een uur later te beginnen. Zij had daarover met ZGV noch haar collega’s overleg gepleegd. Het vrije uur zou vanzelf van het salaris worden ingehouden doordat zij dagelijks een werkbriefje met werktijden inleverde, op basis waarvan werd verloond. Ten aanzien van het incident op 29 juni 2015 heeft [verzoekster] verklaard dat zij eigenlijk een vrije middag had, maar dat haar van de kant van ZGV was gevraagd om om 15:00 uur terug te komen wegens drukte. Toen zij die middag vrij was - en graag naar haar kappersafspraak wilde die zij voor die middag had staan - heeft zij bedacht dat het rond 16:30 uur pas echt druk zou worden, zodat zij ook rond die tijd wel zou kunnen komen. Zij heeft daarover niet meer met ZGV contact opgenomen maar is eenvoudigweg wat langer weggebleven. Daarnaast heeft [verzoekster] verklaard dat zij altijd op vaste tijden begon en dat zij een seintje kreeg als er een roosterwijziging was omdat zij haar rooster thuis niet kon inzien. Toen de gemachtigde van ZGV dat ter zitting met klem betwistte en verklaarde dat er op de afdeling 100 fte werkt, dus meer dan 100 mensen en dat het ondoenlijk is voor de planners om aan allen eventueel afwijkende tijden door te geven en dat het de verantwoordelijkheid van de werknemer is om zelf kennis te nemen van het rooster, verklaarde [verzoekster] dat zij een roosterwijziging doorkreeg als er kort voor een dienst een wijziging in die dienst plaatsvond. Op de uitdrukkelijke vraag van de kant van het hof of bij de betrokken incidenten (waarbij [verzoekster] te laat was gekomen omdat er sprake was van een afwijkende begintijd die zij niet had opgemerkt) sprake was van een kort voordien doorgevoerde wijziging, antwoordde [verzoekster] echter ontkennend.

5.5

Met betrekking tot de vakinhoudelijke incidenten heeft ZGV ter zitting verklaard dat de lijst die zij onder productie 26 heeft overgelegd (veel) te lang is voor een laborante en dat de maatschap radiologie rond november 2015 te kennen heeft gegeven geen werk van [verzoekster] meer te accepteren. Dat laatste heeft [verzoekster] niet betwist. Met betrekking tot het incident op 12 mei 2015 (waarbij [verzoekster] een compressie-opname heeft gemaakt in plaats van de gevraagde vergrotingsopname) is door ZGV toegelicht dat een radioloog een vergrotingsopname vraagt als een specifiek deel van het weefsel nader moet worden bekeken. Een compressie-opname is dan zinloos. Dat is volgens ZGV basiskennis van de laborante. [verzoekster] heeft dat niet betwist, maar aangevoerd dat bij de bewuste patiënte een vergrotingsopname niet mogelijk was doordat de borst hard was geworden door eerdere bestralingen. Daarom had zij in arren moede maar een compressie-opname gemaakt. Op de vraag van het hof of zij toen eerst contact heeft opgenomen met een radioloog om te vragen wat te doen, antwoordde [verzoekster] dat de opdrachtgevende radioloog niet bereikbaar was. Op de vraag van het hof of zij dan contact heeft opgenomen met een andere - dienstdoende - radioloog, antwoordde [verzoekster] dat die niet beschikbaar was. Vervolgens is van de zijde van ZGV toegelicht dat er altijd een dienstdoende radioloog op de radiologie-afdeling is, waar de laboranten hun werk doen. Die zit in beginsel in een werkkamer vlak bij de kamers waar de mammografieën worden gemaakt. Op de vraag van het hof of [verzoekster] getracht heeft die dienstdoende radioloog om advies te vragen, antwoordde zij ontkennend.

Met betrekking tot de 0-Newton opname (19 oktober 2015) heeft [verzoekster] verklaard dat er een storing in het apparaat was en dat er de dag daarna iemand langs is geweest om die storing te verhelpen. Het ZGV heeft echter verklaard dat dat onjuist is, aangezien er dan vele 0-Newton-opnames zouden zijn geweest, hetgeen niet het geval was. Ook is er de volgende dag niet iemand langs geweest om een storing te verhelpen. [verzoekster] heeft niet betwist dat er niet méér 0-Newton opnames zijn gemaakt op die dag. Over het incident met de openstaande deur (2 november 2015) heeft [verzoekster] verklaard dat het warm was in de kamer, dat de kamer L-vormig is en dat daardoor de patiënte (in het korte deel van de L, achter een schot) niet te zien was en dat [verzoekster] ter verkoeling de deur had opengelaten. Zij heeft verklaard dat dan weliswaar de gesprekken in de kamer op de gang te horen waren, maar dat er toch niemand op de gang zat. Met de patiënte heeft ze daarover niet overlegd. Op de vraag van het hof of er een dichtedeurenbeleid was, heeft [verzoekster] bevestigend geantwoord. ZGV heeft verklaard dat de deur van de behandelkamer altijd dicht moet, dat dat beleid is, dat bij een open deur ander personeel ook zomaar binnen kan lopen in de verwachting dat er niemand is.

5.6

Uit deze bespreking van een aantal door ZGV genoemde incidenten tijdens de mondelinge behandeling is bij het hof de overtuiging ontstaan dat [verzoekster] zich bij haar handelen niet voegt naar de aanwijzingen van ZGV, maar - simpel gezegd - doet wat in haar zelf opkomt. Uit de besproken incidenten, maar ook uit de incidenten die bij de mondelinge behandeling niet konden worden besproken, komt dat als rode draad naar voren. Een duidelijk voorbeeld is dat [verzoekster] op 29 juni 2015 naar de kapper ging terwijl zij wist dat haar collega’s ervan uitgingen dat zij om 15 uur weer terug zou zijn. Anders dan [verzoekster] onder 33 van haar beroepschrift heeft aangevoerd, heeft zij tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg (blijkens de aantekeningen van de griffier daarvan) alsmede tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij wél aan ZGV had gezegd dat zij om 15:00 uur terug zou zijn. Een ander duidelijk voorbeeld is het feit dat [verzoekster] op 12 mei 2015 een zinloze (en potentieel schadelijke) compressie-opname maakte omdat de vergrotingsopname niet mogelijk was, zonder te proberen overleg te plegen met een radioloog, terwijl - naar [verzoekster] niet heeft bestreden - een dienstdoende radioloog in beginsel aanwezig is voor overleg. Een volgend duidelijk voorbeeld is het feit dat zij tijdens het maken van een mammografie de deur van een behandelkamer heeft opengelaten, zonder overleg met de patiënte, met als reden dat het in de behandelruimte zo warm was. Deze waarneming van het hof in het gesprek met [verzoekster] (dat zij doet wat in haar zelf opkomt) komt overeen met de verklaring van [naam voorzitter] (voorzitter vakgroep Radiologie), die als productie 30 bij verweerschrift is overgelegd en die onder meer luidt: “[verzoekster] was niet ontvankelijk voor onze coaching en heeft ons commentaar stelselmatig naast zich gelegd en derhalve heeft zij zich niet verbeterd.”

5.7

Het hof is van oordeel dat ZGV voldoende heeft aangetoond dat er sprake is van disfunctioneren. Van een laborante mag worden verwacht dat zij zelf haar werkroosters bijhoudt, dat zij op tijd komt en dat zij niet zonder overleg afwijkt van haar begintijden. [verzoekster] hield zich daar niet aan, hoewel haar door de voorgeschiedenis meer dan duidelijk was dat het ZGV daar belang aan hechtte. Ook vakinhoudelijk handelde zij (te vaak) onjuist en eigengereid, waardoor zij zich - in afwijking van de functieomschrijving - niet hield aan het ALARA-principe. Ten slotte blijkt uit de gespreksverslagen van stelselmatige klachten van collega’s over gebrek aan bereikbaarheid en problemen in de samenwerking. Het hof is dan ook met de kantonrechter van oordeel dat sprake is van ongeschiktheid voor de bedongen arbeid. Anders dan [verzoekster] in beroepsgrond 1 heeft aangevoerd is de norm daarbij niet - en wordt die ook niet aangelegd - dat zij geheel foutloos moet functioneren. Beroepsgrond 1 faalt dan ook.

5.8

De volgende vraag is of ZGV [verzoekster] in voldoende mate in de gelegenheid heeft gesteld haar functioneren te verbeteren alsmede, daarmee samenhangend, of de ongeschiktheid niet het gevolg is van onvoldoende zorg van ZGV voor de scholing van [verzoekster] . [verzoekster] voert met name aan dat er weliswaar gesprekken hebben plaatsgevonden en dat haar daarbij wel is verteld wat er niet goed ging, maar dat haar niet is gezegd hoe het dan wél had gemoeten. Een verbetertraject vereist volgens [verzoekster] dat aan haar vooraf schriftelijk helder was gemaakt wat ZGV van haar verlangde.

5.9

Het hof overweegt hierover als volgt. Nadat de kantonrechter op 26 november 2014 het eerste ontbindingsverzoek van ZGV had afgewezen, heeft [verzoekster] haar werkzaamheden bij ZGV voortgezet. Zij heeft toen - in december 2014 en januari 2015 - twee gesprekken gevoerd met haar leidinggevenden. In die gesprekken is haar - zo heeft zij ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard - gezegd dat het ZGV verwachtte dat zij niet te laat zou komen en dat zij ook vakinhoudelijk geen fouten zou maken. Verder is afgesproken dat ZGV en [verzoekster] iedere maand een gesprek zouden voeren over hoe het ging en dat daarbij eventuele incidenten zouden worden besproken. Weliswaar heeft ZGV het voornemen om maandelijks dergelijke gesprekken te voeren niet geheel kunnen realiseren, maar er hebben toch negen gesprekken plaatsgevonden in het jaar 2015. Van die gesprekken zijn verslagen opgemaakt, waaruit blijkt dat de door ZGV gesignaleerde incidenten zijn besproken.

5.10

Het verweer van [verzoekster] dat desondanks niet een voldoende helder verbetertraject heeft plaatsgevonden, doordat haar niet is verteld wat dan wél van haar werd verwacht, gaat niet op. Wat betreft het te laat komen was voor [verzoekster] duidelijk dat werd verwacht dat zij op tijd zou komen. Dat was haar in het verleden, namelijk op 7 juni 2011 en 5 januari 2012, ook schriftelijk medegedeeld, terwijl voorts het ontbindingsverzoek van 2014 mede was gebaseerd op het volgens het ziekenhuis onaanvaardbare te laat komen van [verzoekster] . Naar het oordeel van het hof valt daar óók onder dat zij zou beginnen op de begintijden waarop zij was ingeroosterd. Dat betekent dat [verzoekster] niet eigenmachtig kon beslissen een uur later te zullen beginnen (zoals op 19 mei 2015) of dat zij ondanks de afspraak dat zij om 15:00 uur zou terugkomen ook wel wat later kon komen (zoals op 30 juni 2015). Het hof ziet niet in dat ZGV tijdens de begeleidingsgesprekken in 2015 iets anders had kunnen of moeten mededelen dan de herhaalde en ondubbelzinnige mededeling dat [verzoekster] te laat was.

5.11

Wat betreft de vakinhoudelijke incidenten wordt het volgende overwogen. Bij een verbetertraject op vakinhoudelijk gebied kan op voorhand in het algemeen veelal niet meer dan een algemene instructie worden gegeven. Het enkele feit dat in december 2014/januari 2015 niet schriftelijk een dergelijke instructie is gegeven, maakt niet dat [verzoekster] onvoldoende de gelegenheid heeft gehad haar functioneren te verbeteren. Het was haar duidelijk dat zij ook vakinhoudelijk moest voldoen. [verzoekster] heeft verder aangevoerd dat weliswaar de incidenten zijn besproken op de begeleidingsgesprekken, maar dat haar niet is gezegd hoe het dan wél had gemoeten. Daarover wordt het volgende overwogen. Het valt allereerst op dat [verzoekster] niet heeft gesteld dat zij vakinhoudelijke kennis mist om haar werkzaamheden naar behoren te verrichten. Ten aanzien van bijvoorbeeld het incident waarbij [verzoekster] een compressiefoto in plaats van een vergrotingsfoto heeft gemaakt, heeft zij niet betwist dat een compressiefoto zinloos is als er een vergrotingsfoto wordt gevraagd en evenmin gesteld dat dat haar niet duidelijk was. Het ligt ook niet voor de hand dat [verzoekster] die vakinhoudelijke kennis zou missen, aangezien zij al jaren bij ZGV - in beginsel naar behoren - had gefunctioneerd en vóór 2001 hetzelfde werk ook al in een ander ziekenhuis had gedaan. De niet verder toegelichte stelling van [verzoekster] dat ZGV haar cursussen had moeten aanbieden, wordt dan ook door het hof als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. [verzoekster] heeft niet verduidelijkt wat zij op cursus had kunnen leren ter voorkoming van verdere incidenten.

Verder wordt uit de verslaglegging van de begeleidingsgesprekken duidelijk dat de incidenten en de beschrijving daarvan veelal van dien aard zijn dat daaruit vanzelf voortvloeit wat ZGV anders wil zien. Dat geldt bijvoorbeeld voor het te laat komen en niet volgens rooster beginnen. Het geldt voorts voor zaken als het niet opruimen van de werkkamers van de radiologen. En voor vaker voorkomende klachten in de categorie: “[verzoekster] belt niet, communiceert niet” (gespreksverslag van 3 september 2015) en “ [verzoekster] was weg, geen afstemming, uiteindelijk contact” (gespreksverslag 3 september 2015) en “Tijdens deze dienst bleek [verzoekster] niet bereikbaar” ((gespreksverslag 3 november 2015). Bovendien is - anders dan [verzoekster] stelt - haar veelal ook wél gezegd hoe het dan wel had gemoeten.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit het verslag van 8 januari 2015, waarin staat vermeld:

- “Bij een opname zijn extra opnames gemaakt welke niet gevraagd en dus ook niet nodig waren. Hier door heeft patiënt onnodige straling opgelopen.” Hieruit blijkt dat het de bedoeling is dat alleen de gevraagde opnames worden gemaakt.

- “ [verzoekster] zou namelijk helder communiceren wat ze doet en waar zo naar toe gaat.”

- “Er is haar advies gegeven wat rustiger te doen en zich te beperking tot haar kerntaken.”

Uit het verslag van 3 september 2015:

- “[verzoekster] werd gebeld om foto’s te maken van een huisartspatiënt die rechtstreeks naar de afdeling radiologie was binnengekom. [verzoekster] heeft het toegestaan, echter dit is niet de procedure. Patiënt moet binnenkomen via SEH.”

Het hof volgt [verzoekster] dan ook niet in haar stelling dat haar gedurende het verbetertraject onvoldoende duidelijk is gemaakt hoe zij dan wél diende te handelen.

[verzoekster] heeft gesteld dat het ziekenhuis - en dan met name de leden van de maatschap radiologie - haar op vakinhoudelijk gebied onvoldoende hebben gecoacht. Ook dit verweer wordt door het hof verworpen. Niet alleen heeft de maatschap radiologie bij monde van haar voorzitter [naam voorzitter] een schriftelijke verklaring gegeven, waarin zij heeft gesteld dat [verzoekster] regelmatig is gewezen op onvolkomenheden in haar werk, dat de radiologen op die zaken hebben gewezen en hebben uitgelegd wat er niet goed was en dat zij daarmee hebben getracht haar te coachen, doch dat [verzoekster] niet coachbaar is gebleken. Ook is uit de aard van de incidenten gebleken dat het mede [verzoekster] ’ eigengereide handelen is dat tot problemen leidt, zoals bij het incident waarbij [verzoekster] op eigen houtje een compressiefoto maakt als een vergrotingsfoto niet lukt, in plaats van de dienstdoende radioloog te consulteren. Ten slotte is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken dat [verzoekster] bij de bespreking van de incidenten aanvankelijk veelal volhardde in het verweer dat het verwijt onterecht was om pas na doorvragen te verklaren dat haar aanpak wellicht anders had gemoeten. Dit strookt met het gebrek aan zelfinzicht dat ZGV nu juist aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag legt.

5.12

Het hof is dan ook, concluderend, van oordeel dat ZGV [verzoekster] voldoende, want gedurende een jaar vanaf de beschikking van 26 november 2014, onder het voeren van regelmatige begeleidingsgesprekken in de gelegenheid heeft gesteld om haar functioneren te verbeteren. Beroepsgrond 2 faalt eveneens.

5.13

Uit het voorgaande volgt eveneens dat ZGV niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Anders dan [verzoekster] stelt heeft ZGV een voldoende verbetertraject aan [verzoekster] geboden. Beroepsgrond 3 faalt daarom ten slotte ook.

5.14

[verzoekster] heeft geen (voldoende concrete) feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.

5.15

Het hoger beroep faalt. Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ZGV zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 718,00 voor griffierecht en op € 1.788,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief II in hoger beroep).

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het beroep tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, van 2 augustus 2016;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van ZGV vastgesteld op € 718,00 voor griffierecht en op € 1.788,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.B. ter Heide, J.H. Kuiper en M.E.L. Fikkers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2017.