Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8115

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
200.198.173/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwoning op grond van artikel 1:160 BW? Veroordeling tot vergoeding van de kosten van het recherchebureau.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.198.173/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/145919 / FA RK 15-2133)

beschikking van 14 september 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R. Tamourt te Heerenveen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.F. de Vries te Dokkum.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 1 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 31 augustus 2016;

- het verweerschrift in hoger beroep met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Tamourt van 10 oktober 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Tamourt van 21 december 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. De Vries van 5 januari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. De Vries van 13 januari 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 17 januari 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. De Vries heeft pleitaantekeningen overgelegd.

2.3

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van mr. De Vries van 13 februari 2017, waarbij is medegedeeld dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2011 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw is met ingang van 22 februari 2015 van rechtswege geëindigd op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Sindsdien leeft de vrouw samen met de heer [C] (hierna: [C] ) als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in verband met de door de man gemaakte recherchekosten. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - voor zover hier van belang - bepaald dat de vrouw gehouden is om de man te vergoeden een bedrag van € 9.354,71 in verband met door hem gemaakte recherchekosten.

4.2

De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 juni 2016. Deze grief ziet op de vergoeding van de recherchekosten. De vrouw verzoekt te bepalen dat de beschikking van 1 juni 2016 wordt vernietigd (het hof begrijpt: voor zover daarbij een beslissing is genomen over de recherchekosten) en het inleidende verzoek van de man daartoe (in zoverre) af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 24 april 2013 is bepaald dat de man met ingang van 11 december 2012 een bedrag van € 255,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud. Ingevolge de wettelijke indexering bedroeg deze bijdrage per 1 januari 2015 € 263,76 per maand.

5.2

Bij emailberichten van 22 februari 2015 en 21 mei 2015 heeft de man de vrouw om financiële informatie verzocht, teneinde de hoogte van de (partner)alimentatie opnieuw te laten beoordelen. In laatstgenoemd bericht heeft de man de vrouw ook expliciet gevraagd hem te laten weten of zij samenwoont.

Om haar moverende redenen heeft de vrouw op beide e-mails niet gereageerd.

5.3

De man heeft op 8 maart 2015 particulier onderzoeks- en bedrijfsrecherchebureau [D] B.V. te [E] (hierna: [D] ) schriftelijk opdracht gegeven om een rechercheonderzoek in te stellen naar de vrouw en [C] , teneinde vast te stellen of de vrouw mogelijk samenwoont met [C] en of de vrouw meer inkomsten verwerft dan bekend is bij de man. [D] heeft op 30 november 2015 een onderzoeksrapport uitgebracht (hierna: het rapport). Vervolgens heeft de man op 17 december 2015 een verzoek om (voor zover hier van belang) te bepalen dat zijn alimentatieplicht jegens de vrouw is beëindigd met ingang van 22 februari 2015 ingediend bij de rechtbank. Daarbij heeft hij verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is om aan de man te vergoeden een bedrag van € 9.354,71 in verband met de kosten van het rechercherapport. De man heeft dit verzoek nadien bij brief van 28 april 2016 gewijzigd in die zin dat hij heeft verzocht aan hem te vergoeden een bedrag van

€ 9.854,71.

5.4

Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft de vrouw erkend dat zij sinds 22 februari 2015 samenwoont met [C] als bedoeld in artikel 1:160 BW. Het hoger beroep van de vrouw richt zich dan ook niet tegen het oordeel van de rechtbank dat de onderhoudsplicht van de man jegens haar sinds die datum is geëindigd. De man heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de (lagere) vergoeding zoals door de rechtbank toegekend. Het geschil spitst zich daarom toe op de veroordeling van de vrouw in de kosten van het door [D] verrichte rechercheonderzoek ten bedrage van € 9.354,71.

5.5

Ingevolge artikel 6:96 BW komen kosten als de onderhavige voor vergoeding in aanmerking. Het toekennen van een dergelijke (schade)vergoeding is onderworpen aan een dubbele redelijkheidstoets: zowel het inschakelen van het onderzoeksbureau als de daardoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

5.6

Op verzoek van de vrouw heeft [F] B.V. (hierna: [F] ) te [G] het rapport geanalyseerd. De vrouw heeft de bij brief van 6 september 2016 aan haar geformuleerde bevindingen van [F] in het geding gebracht. Overeenkomstig die bevindingen staat tussen partijen niet (langer) ter discussie dat de man een gerechtvaardigd belang had om [D] een onderzoek te laten instellen naar de economische eenheid die de vrouw en [C] zouden vormen. Blijft over dat de vrouw de hoogte van de opgevoerde recherchekosten betwist. Onder verwijzing naar de bevindingen van [F] trekt zij de verantwoording van het onderzoek en de duur van de werkzaamheden van [D] in twijfel.

5.7

In het licht van de gemotiveerde betwisting van de man heeft de vrouw niet aangetoond dat de kosten van het door [D] uitgevoerde rechercheonderzoek onredelijk hoog zijn. Vooropgesteld wordt dat de marges van in het kader van artikel 1:160 BW door particuliere onderzoeksbureaus gemaakte kosten ruim zijn, mede gelet op de hoge motiveringseisen die gelden om tot een bevestigende beantwoording van de vraag te kunnen komen of er sprake is van ‘een samenleven met een ander als waren zij gehuwd’. In dit geval heeft [D] gebruikgemaakt van een drietal onderzoeksmiddelen, te weten observatie, digitaal onderzoek en onderzoek op locatie. Allemaal gebruikelijke onderzoeksmethoden die de nodige tijd vergen. Gelet op de aard van de zaak acht het hof de in het rapport verantwoorde - en door de vrouw in het bijzonder bestreden - 50 uren observatie en 10 uren onderzoek op locatie niet buitensporig veel. De observaties zijn een belangrijk onderdeel van het onderzoek geweest en het doen daarvan is nu eenmaal een arbeidsintensieve aangelegenheid. Hetzelfde geldt voor de onderzoeken op twee verschillende locaties.

Het vorenstaande klemt temeer nu de vrouw - daar ter zitting expliciet naar gevraagd - niet heeft kunnen aangeven wat in haar ogen een redelijk bedrag zou zijn voor een onderzoek met de onder 5.3 geformuleerde doelstellingen. De vrouw is nog in de gelegenheid gesteld om het (onderzoeks)dossier op 3 november 2016 in te zien op het kantoor van [D] , maar die kans heeft zij onbenut gelaten. De mogelijk nadelige consequenties daarvan voor de onderbouwing van haar standpunt dienen voor rekening en risico van de vrouw te komen.

De vrouw heeft gesteld dat op basis van de waarnemingen van [D] in april 2015 reeds duidelijk was dat zij en [C] samenwoonden. Volgens haar is het deel van het onderzoek van [D] dat betrekking heeft op de periode daarna daarom onnodig uitgevoerd. De vrouw miskent daarbij echter dat enkel gebruikmaken van hetzelfde woonadres onvoldoende is om van samenleven als bedoeld in artikel 1:160 BW te kunnen spreken. Naar vaste rechtspraak is daarvoor immers tevens vereist dat sprake is van een duurzame samenleving en het vormen van een economische eenheid en daarvoor gelden de hoge motiveringseisen zoals hiervoor vermeld. Aldus is niet gebleken dat de door de man geclaimde kosten van het onderzoek van [D] om deze reden onredelijk hoog zouden zijn.

Al het overige dat de vrouw heeft aangevoerd over onregelmatigheden in de bedrijfsvoering van [D] in zijn algemeenheid en onrechtmatigheid van de door [D] in de onderhavige kwestie verrichte werkzaamheden kan haar in deze procedure niet baten. Vaststaat dat [D] ten tijde van het voor de man verrichte onderzoek naar de vrouw en [C] in het bezit was van de vereiste vergunning. Voor zover de vrouw klachten heeft over de werkwijze van [D] dient zij zich tot dit bureau zelf te wenden. Voor afwijzing van de door de man verzochte kostenveroordeling of tot matiging van het door de vrouw aan hem te vergoeden bedrag wegens een vermeende onrechtmatige daad van [D] jegens de vrouw is hier geen plaats. De man heeft [D] gerechtvaardigd opdracht gegeven onderzoek te doen en mocht er daarbij op vertrouwen dat [D] handelde overeenkomstig de regels die voor haar als onderzoeksbureau golden.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

1 juni 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, A.W. Beversluis en M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 14 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.