Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8107

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
200.201.455/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewindvoering. Onvoldoende redenen om tot ambtshalve ontslag van de bewindvoerder over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.201.455/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5206175 VO VERZ 16-1093)

beschikking van 5 september 2017

inzake

[verzoeker] B.V.,

gevestigd te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. J.T. Mudde te Zwolle.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de rechthebbende] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de rechthebbende,

2. [B] , handelend onder de naam [C] ,

gevestigd te Assen,

verder ook te noemen: de opvolgend bewindvoerder.

Als informanten zijn aangemerkt:

1 [informant1] ,

verder te noemen: [informant1] ,

2. mr. [informant2],

verder te noemen: de kantonrechter.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 11 juli 2017 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een brief van de kantonrechter van 25 juli 2017;

- een journaalbericht van mr. Mudde van 2 augustus 2017 met productie(s);

- een brief namens de kantonrechter van 10 augustus 2017 met de eerder ontbrekende productie(s) bij de brief van 25 juli 2017;

- een reactie van mr. Mudde van 31 augustus 2017 op deze productie(s).

1.3

De rechthebbende en de opvolgend bewindvoerder hebben geen gebruik gemaakt van de door het hof aan hen gegeven gelegenheid om te reageren op de brief van de kantonrechter van 25 juli 2017.

1.4

Door het hof is geen verzoek tot een nadere mondelinge behandeling ontvangen en nu het hof daar ook ambtshalve geen aanleiding toe ziet, zal het hof de zaak op de stukken afdoen.

2 Het motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 11 juli 2017, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

Bij die beschikking heeft het hof aanleiding gezien om de kantonrechter vragen te stellen en in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op hetgeen de heren [D] (algemeen directeur en enig aandeelhouder van [verzoeker] ) (hierna te noemen: [D] ) en [informant1] ter zitting van 26 april 2017 verklaard hebben. Het hof heeft daarom de behandeling van de zaak aangehouden.

2.3

Bij brief van 25 juli 2017 heeft de kantonrechter de door het hof bij de tussenbeschikking gestelde vragen beantwoord, waarop namens [verzoeker] is gereageerd.

2.4

Het hof constateert dat de reden voor het ontslag van [verzoeker] als bewindvoerder van de rechthebbende niet is gelegen in het al dan niet voldoen aan de (kwaliteits)eisen. De kantonrechter heeft verklaard dat uit recent dossieronderzoek kan worden geconcludeerd dat [verzoeker] op 1 april 2016 voldeed aan het zogenaamde Kwaliteitsbesluit. Aan de orde is dan ook (uitsluitend) de vraag of de kantonrechter [verzoeker] wegens gewichtige redenen, als vermeld in artikel 1:448 lid 2 BW, heeft mogen ontslaan als bewindvoerder.

2.5

Vast staat dat voorafgaand aan het ontslag er diverse mondelinge en schriftelijke contacten zijn geweest tussen [verzoeker] en de kantonrechter over de kwaliteitseisen waaraan [verzoeker] moest (gaan) voldoen. De kantonrechter heeft toegelicht dat hij naar aanleiding van het (kennismakings)gesprek dat hij met [informant1] voerde op 21 oktober 2015 heeft besloten dat [verzoeker] niet meer benoembaar was, welke beslissing in zijn brief van 23 november 2015 aan [verzoeker] is neergelegd.

[informant1] verrichtte op dat moment werkzaamheden zonder schriftelijk vastgelegde afspraken ‘op vrijwillige basis’ voor 20 á 30 uur per week, zonder een beschrijving waarin de functie met taken en bevoegdheden was vastgelegd. Onzeker was of de werkzaamheden onder de verantwoordelijkheid van [verzoeker] plaatsvonden, [informant1] gebonden was aan de interne werkafspraken van [verzoeker] en hoe het zat met de begeleiding van [informant1] . Deze onduidelijkheid kon gevolgen hebben voor een eventueel beroep op de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Deze constructie was voor de kantonrechter onacceptabel.

2.6

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat er op grond van hetgeen tijdens voornoemd gesprek met [informant1] naar voren is gekomen, reden was tot zorg over de professionaliteit bij [verzoeker] . Immers, de kantonrechter was niet op de hoogte gebracht van het ‘meedraaien’ van [informant1] , [verzoeker] had daarvan niets schriftelijk vastgelegd en daardoor bestond onduidelijkheid over de vraag of was voldaan aan een aantal essentiële vereisten waaraan een bewindvoerderskantoor behoort te voldoen. Gelet op de verantwoordelijke positie die een bewindvoerder heeft, waarbij het om grote belangen en kwetsbare personen gaat, mocht van [verzoeker] als professioneel bewindvoerderskantoor worden verwacht dat dit zorgvuldig was geregeld, hetgeen niet zo bleek te zijn.

2.7

Daar waar [verzoeker] stelt dat [informant1] op genoemde datum van 21 oktober 2015 op persoonlijke titel een gesprek met de kantonrechter wenste te voeren, maar de kantonrechter desondanks vragen over de gang van zaken bij [verzoeker] heeft gesteld, stelt het hof vast dat [informant1] daarover zelf onduidelijkheid heeft laten ontstaan door zijn verzoek om een gesprek op briefpapier van [verzoeker] te doen, aan te geven dat hij werkzaamheden verrichtte bij [verzoeker] en door tijdens het gesprek te verklaren dat hij niet als zelfstandige wilde werken. Het kan in elk geval niet afdoen aan de terechte zorg die door het gesprek was ontstaan.

2.8

Echter, ondanks de zorgen over de professionaliteit bij [verzoeker] , waarbij volgens het hof mogelijk ook de trage aanlevering van bewijsstukken ten behoeve van de toets aan de kwaliteitseisen een rol heeft gespeeld, heeft de kantonrechter wel gemeend dat [verzoeker] de kans moest krijgen aan de kwaliteitseisen te voldoen en voor benoembaarheid in aanmerking te komen, zo heeft de kantonrechter toegelicht. Het hof leest daarin dat, wanneer [verzoeker] de constructie met [informant1] op zorgvuldige wijze zou regelen - naast uiteraard de overige vereisten waaraan voldaan moest worden, maar die nu niet ter discussie staan - [verzoeker] weer benoembaar zou zijn.

2.9

[verzoeker] heeft vervolgens bij brief van 30 januari 2016 twee ondertekende leerwerkplekovereenkomsten en een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen [informant1] en [verzoeker] overgelegd. De arbeidsovereenkomst ziet op de periode vanaf 1 januari 2016, gedateerd 8 januari 2016, en deze leverde voor de kantonrechter geen probleem op. Met het formaliseren van de positie van [informant1] was een belangrijk bezwaar weggenomen, aldus de kantonrechter.

2.10

De twee leerwerkplekovereenkomsten, de eerste ziende op de periode van 1 april 2014 tot en met 19 mei 2015 en gedateerd 31 maart 2014, de tweede ziende op de periode 20 mei tot en met 31 december 2015 en gedateerd 20 mei 2015, zijn voor de kantonrechter de spreekwoordelijke druppel geweest. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter daarover overwogen dat hij met geantedateerde leerwerkplekovereenkomsten is geconfronteerd die hem zijn gepresenteerd als echt. Het argument van [verzoeker] dat daarmee de werkelijke situatie werd gedekt acht de kantonrechter niet valide: vrijwilligerswerk is wat anders en heeft een andere (formele) status dan een leerwerkplekovereenkomst. Niet uit te sluiten valt dat van de overeenkomsten in een voorkomend geval oneigenlijk gebruik wordt gemaakt. Kort gezegd, zo leest het hof, acht de kantonrechter op dat moment zodanige twijfels aanwezig aangaande de betrouwbaarheid en integriteit van [verzoeker] dat er gewichtige redenen waren om [verzoeker] ambtshalve te ontslaan.

2.11

[verzoeker] heeft aangegeven met de twee leerwerkplekovereenkomsten de bestaande situatie te hebben willen formaliseren omdat zij dat in een eerder stadium had verzuimd; zij heeft zeker niet gewild de kantonrechter (of anderen) om de tuin te leiden. Achteraf is het [verzoeker] duidelijk geworden dat het herstel van het verzuim voor de voorgaande periode onnodig is geweest, en heeft dit wel fatale gevolgen gehad, namelijk ontslag als bewindvoerder.

2.12

Het hof acht de bovengemelde gang van zaken, anders dan de kantonrechter, onvoldoende gewichtige reden om tot ontslag over te gaan. De kantonrechter heeft, in de in rechtsoverweging 2.5 vermelde onvolkomenheden, geen reden gezien [verzoeker] op dat moment te ontslaan in de zaken waarin zij bewindvoerder was. [verzoeker] kreeg net als ieder ander de gelegenheid om voor benoembaarheid in aanmerking te komen. Voor de kantonrechter was duidelijk dat er op dat moment niets op schrift stond betreffende de positie van [informant1] . De kantonrechter heeft, toen hij afschriften van de leerwerkplekovereenkomsten van voor 2016 ontving, kunnen weten dat deze later waren opgemaakt; [verzoeker] heeft daarover naar het oordeel van het hof, in het licht van de voorgeschiedenis, geen misverstand laten ontstaan. Gelet op de communicatie die er tussen [verzoeker] en de kantonrechter heeft plaatsgevonden, is niet ondenkbaar dat [verzoeker] heeft gemeend, juist om voor benoeming in aanmerking te komen, deze overeenkomsten te moeten opstellen. Het hof acht het, mede gezien de indruk die [verzoeker] ter zitting heeft doen ontstaan, onwaarschijnlijk dat [verzoeker] de kantonrechter heeft willen misleiden. Aan het opmaken achteraf van de overeenkomsten in de omstandigheden als hierboven omschreven kan dan ook naar het oordeel van het hof niet de zware gevolgtrekking worden verbonden als de kantonrechter heeft gedaan, in het bijzonder over het gebrek aan betrouwbaarheid en integriteit. Dat [verzoeker] de overeenkomsten alsnog heeft opgemaakt kan naar het oordeel van het hof dan ook niet de zware maatregel van ontslag van de bewindvoerder rechtvaardigen. Ook de onvolkomenheden in samenhang gezien, zijn daartoe onvoldoende, waarbij het hof tevens meeweegt dat vaststaat dat er in de dossiers die [verzoeker] in behandeling heeft (gehad) zich geen onregelmatigheden hebben voorgedaan.

2.13

Op grond van het bovenstaande zou het ontslag van [verzoeker] derhalve moeten worden teruggedraaid en de bestreden beschikking moeten worden vernietigd. De rechthebbende heeft echter ter zitting desgevraagd verklaard dat zij graag [B] als bewindvoerder wil houden, niet omdat zij iets persoonlijks tegen [verzoeker] heeft, maar omdat haar bewind in het eindstadium zit en zij het te belastend vindt als zij opnieuw van bewindvoerder zou moeten wisselen. Zowel [B] als [verzoeker] hebben ermee ingestemd dat gelet op de situatie van de rechthebbende, [B] in de zaak van de rechthebbende de bewindvoerder blijft. Ook het hof acht dit in de situatie van de rechthebbende wenselijk. Uitsluitend om die reden zal het hof de bestreden beschikking - onder verbetering van gronden - bekrachtigen.

2.14

Ten overvloede overweegt het hof dat nu, zoals hiervoor onder 2.12 overwogen, de hiervoor gemelde gang van zaken in deze zaak onvoldoende reden is voor ontslag van [verzoeker] als bewindvoerder dit evenmin in eventuele andere zaken een gewichtige reden zou kunnen zijn voor ontslag.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen onder verbetering van gronden en beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt (onder verbetering van gronden) de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 19 juli 2016;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en A.W. Jongbloed, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 5 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.