Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8015

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
21-004086-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte voor verkrachting, wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van een jonge vrouw in 2015, alsmede een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van een ander slachtoffer in 2012. De bewijs- en betrouwbaarheidsverweren zijn verworpen, evenals het beroep op vrijwillige terugtred. Verdachte is een gevangenisstraf opgelegd van vier jaar met aftrek van voorarrest en niet gemaximeerde TBS met bevel tot verpleging van overheidswege. Het hof heeft de oplegging van deze maatregel bijzonder gemotiveerd, omdat verdachte heeft geweigerd om mee te werken aan de onderzoeken van gedragsdeskundigen en zijn observatie in het PBC. Tot slot is zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling van één jaar in een eerdere zaak herroepen en bevat het arrest de volledige toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0772

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004086-16

Uitspraak d.d.: 14 september 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-930119-15 en 18-930027-14, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 30 augustus 2017 thans ingeschreven en gedetineerd te P.I. Vught, afdeling PPC, aan de Lunettenlaan 501, 5263 NT te Vught.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 31 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en tot oplegging van de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van overheidswege (TBS met verpleging). Daarnaast heeft de advocaat-generaal de toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorlopige invrijheidsstelling gevorderd, hetgeen inhoudt dat de verdachte het resterende deel van zijn gevangenisstraf – 365 dagen – zoals opgelegd bij het vonnis van de rechtbank Groningen van 12 november 2012 nog zou moeten ondergaan. Tot slot heeft de advocaat-generaal de toewijzing gevorderd van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , respectievelijk bestaand uit € 5.150,-, plus proceskosten, en € 500,-, beide vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 5 juli 2016 veroordeeld ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en tot oplegging van de maatregel van TBS met verpleging. De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] van € 5.150,- heeft de rechtbank volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde kosten voor rechtsbijstand heeft de rechtbank via het liquidatietarief toegekend voor een bedrag van € 1.344,-. De vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] van € 500,- heeft de rechtbank volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot heeft de rechtbank de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en gelast dat verdachte de resterende 365 dagen gevangenisstraf die als gevolg van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling niet is ondergaan, alsnog moet ondergaan.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof op meerdere onderdelen – de tekst van de bewezenverklaring, de motivering daarvan, de kwalificatie en de motivering van de strafoplegging – tot een enigszins andere beslissing of motivering komt. Het hof zal derhalve opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zaak met parketnummer 18-930119-15:

1 primair:
hij op of omstreeks 2 mei 2015 in de gemeente [gemeente 1] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1] , hebbende verdachte

- de billen van die [benadeelde 1] betast en/of

- (meermalen) zijn penis in de mond van die [benadeelde 1] geduwd/gebracht,

en bestaande (die bedreiging met) dat geweld en/of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte

- de vrije doorgang voor die [benadeelde 1] , die daar op een fietspad fietste, heeft geblokkeerd en/of haar tot stoppen heeft gedwongen en/of

- tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Ja, stop maar even", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- dreigend tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Als je niet meewerkt, vermoord ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- die [benadeelde 1] met een stratenmakershamer, in ieder geval een zwaar en/of hard (ijzeren/metalen) voorwerp, tegen het (voor)hoofd heeft geslagen en/of

- dreigend tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd dat zij van de fiets af moest en/of dat zij haar fiets op slot moest doen en/of (vervolgens) dat zij de sleutel er weer in moest doen en mee moest komen, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- aan die [benadeelde 1] heeft gevraagd of zij een lekker kontje had en/of

- die [benadeelde 1] bij een arm en/of op haar rug heeft vastgepakt en/of

- die [benadeelde 1] heeft meegevoerd naar een bos en/of

- die [benadeelde 1] aan haar haren heeft getrokken en/of

- die [benadeelde 1] tegen haar enkel/been heeft getrapt/geschopt en/of

- die [benadeelde 1] heeft bevolen op haar knieën te gaan zitten en/of haar handen op haar rug te doen en/of

- de armen/polsen van die [benadeelde 1] met tape, althans een dergelijk materiaal, aan elkaar vast heeft gemaakt en/of

- aan die [benadeelde 1] heeft gevraagd of zij ooit gepijpt had en/of zij wel eens seks had gehad en/of

- de kaak van die [benadeelde 1] heeft vastgepakt en/of

- die [benadeelde 1] met die hamer/dat voorwerp tegen haar kaak heeft gestoten/geslagen en/of

- die [benadeelde 1] in haar zij heeft getrapt/geschopt en/of

- gebruik heeft gemaakt van zijn lichamelijke overwicht op die [benadeelde 1] en/of

- is doorgegaan met zijn handelingen ondanks het door die [benadeelde 1] geboden verbaal en/of lichamelijk verzet;

2 primair:
hij op of omstreeks 02 mei 2015 in de gemeente [gemeente 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 1] met een stratenmakershamer, in ieder geval een zwaar en/of hard (ijzeren/metalen) voorwerp, tegen het (voor)hoofd en/of tegen de kaak heeft geslagen/gestoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 subsidiair:
hij op of omstreeks 02 mei 2015 in de gemeente [gemeente 1] [benadeelde 1] heeft mishandeld door haar met een stratenmakershamer, in ieder geval een zwaar en/of hard (ijzeren/metalen) voorwerp, tegen het (voor)hoofd en/of tegen de kaak te slaan/stoten;

3:
hij op of omstreeks 02 mei 2015 in de gemeente [gemeente 1] opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, hierin bestaande dat verdachte

- de vrije doorgang voor die [benadeelde 1] , die daar op een fietspad fietste, heeft geblokkeerd en/of haar tot stoppen heeft gedwongen en/of

- tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Ja, stop maar even", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- dreigend tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Als je niet meewerkt vermoord ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- die [benadeelde 1] met een stratenmakershamer, in ieder geval een zwaar en/of hard (ijzeren/metalen) voorwerp, tegen het (voor)hoofd heeft geslagen/gestoten en/of

- dreigend tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd dat zij van de fiets af moest en/of dat zij haar fiets op slot moest doen en/of (vervolgens) dat zij de sleutel er weer in moest doen en mee moest komen, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- die [benadeelde 1] bij een arm en/of op haar rug heeft vastgepakt en/of

- die [benadeelde 1] heeft meegevoerd (naar een bos) en/of

- die [benadeelde 1] aan haar haren heeft getrokken en/of

- de armen/polsen van die [benadeelde 1] met tape, althans een dergelijk materiaal, aan elkaar vast heeft gemaakt en/of

- de kaak van die [benadeelde 1] heeft vastgepakt en/of

- die [benadeelde 1] met die hamer/dat voorwerp tegen haar kaak heeft geslagen/gestoten en/of

- die [benadeelde 1] in haar zij heeft getrapt/geschopt en/of

- tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd dat zij mee moest en/of

- die [benadeelde 1] (stevig) bij een arm heeft vastgepakt en haar heeft meegevoerd naar zijn auto/busje en/of

- bezig is geweest de fiets van die [benadeelde 1] in zijn auto/busje te zetten;

zaak met parketnummer 18-930027-14:(gevoegd):

primair:
hij op of omstreeks 13 januari 2012 te of nabij [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente 2] , ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 2] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, met dat opzet die [benadeelde 2] , die daar fietste, met geweld van haar fiets heeft getrokken of geduwd en haar, terwijl zij op de grond lag, enige tijd aan haar kleding en/of aan haar lichaam heeft vastgehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 13 januari 2012 te of nabij [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente 2] , opzettelijk mishandelend [benadeelde 2] , die daar fietste, ten val heeft gebracht door haar met geweld van haar fiets te trekken of te duwen, ten gevolge waarvan die [benadeelde 2] lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 13 januari 2012 te of nabij [plaats 1] , althans in de gemeente [gemeente 2] , wederrechtelijk op de openbare weg [plaats 1] , althans op een openbare weg, [benadeelde 2] in haar vrijheid van beweging heeft belemmerd door die [benadeelde 2] , die daar fietste, met geweld van haar fiets te trekken of te duwen en haar, terwijl zij op de grond lag, enige tijd aan haar kleding en/of aan haar lichaam vast te houden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunten

Openbaar ministerie

Zoals reeds weergegeven komt de advocaat-generaal tot een bewezenverklaring van de in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1 primair tenlastegelegde verkrachting, de onder 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling en de onder 3 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. In de zaak met parketnummer 18-930027-14 acht de advocaat-generaal het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Verdediging

Verdachtes raadsman heeft in hoger beroep de pleitnota van mr. Rommy, verdachtes raadsman in eerste aanleg, opnieuw overgelegd en de in eerste aanleg gevoerde verweren grotendeels herhaald, met uitzondering van de punten 32 tot en met 36 die zien op de verklaring van getuige [getuige 5] .

Kort samengevat worden in de pleitnota in beide zaken meerdere bewijs- en betrouwbaarheidsverweren gevoerd, die zouden moeten leiden tot de conclusie dat ter zake van alle tenlastegelegde feiten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor verdachtes daderschap voorhanden is. In de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1 en in de zaak met parketnummer 18-930027-14 zou niet voldaan zijn aan het bewijsminimum en in de zaak met parketnummer 18-930119-15 is sprake geweest van – kort gezegd – tunnelvisie. Het dossier bevat voldoende aanwijzingen dat niet verdachte, maar een ander verantwoordelijk is voor de onder dit parketnummer tenlastegelegde feiten, zo wordt betoogd in de pleitnota.

Vrijspraak – zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 2 primair

Het hof is – met de advocaat-generaal en de raadsman – van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte, zoals in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 2 primair ten laste is gelegd, heeft geprobeerd aangeefster zwaar te mishandelen. Verdachte zal derhalve vrijgesproken worden van het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 2 primair tenlastegelegde.

Algemene overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof stelt voorop dat het – anders dan de raadsman – de bewijsmiddelen niet op zichzelf beschouwt, maar deze in onderling verband en samenhang beziet. Nu een groot deel van de verweren reeds door de bewijsmiddelen weersproken wordt, zal het hof niet op elk bewijsverweer apart ingaan. Het verdient voorts opmerking dat de selectie en waardering van bewijsmiddelen aan het hof is voorbehouden. Voor zover verweren zien op onderdelen of bewijsmiddelen die het hof niet zal gebruiken in zijn bewijsvoering, zal het hof daar niet op reageren.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs – parketnummer 18-930119-15

Tunnelvisie

Het hof stelt vast dat het onderzoek niet van het begin af aan op verdachte is gericht. De politie heeft eerst de bij het voorval betrokken getuigen gehoord en technisch onderzoek op en rondom de plaats delict verricht. Zelfs toen een getuige de bus waar verdachte gebruik van maakte, heeft herkend als de bus die bij de tenlastegelegde feiten betrokken moest zijn geweest, heeft de politie eerst de bus inbeslaggenomen en onderzocht. Pas na dit onderzoek, is verdachte aangehouden. Nadien is niet alleen gefocust op verdachte, maar zijn de door de raadsman aangehaalde burgernetmeldingen ‘uitgerechercheerd’ voor zover die daartoe aanleiding gaven en is ook aandacht besteed aan de mogelijkheid dat een ander dan verdachte zijn bus heeft gebruikt. Het hof verwerpt derhalve het verweer dat van meet af aan sprake is geweest van tunnelvisie of een zeer beperkte focus op verdachte.

Feiten en omstandigheden

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, waarbij – voor zover nodig – ingegaan zal worden op de door de raadsman gevoerde verweren.

Aangifte en bewijsminimum

Op 4 mei 2015 heeft de toen 18-jarige aangeefster [benadeelde 1] , na een informatief gesprek1 op 2 mei 2015, aangifte2 gedaan van verkrachting, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Zij heeft verklaard dat zij op 2 mei 2015 rond 21.15 uur bij haar vader was om zich om te kleden. Vanaf daar is zij richting haar vriend gefietst. Onderweg naar haar vriend, heeft zij bij de bushalte aan de [straat 1] te [plaats 2] een wit busje zien staan. Toen ze langs het busje fietste, zag ze verderop aan de linkerkant van het fietspad een man lopen. Toen zij vlakbij hem was, ging hij midden op het fietspad staan, met zijn handen en armen gespreid, waarmee hij de weg blokkeerde. De man heeft daarbij op indringende wijze gezegd “Ja, stop maar even” en “als je niet meewerkt, vermoord ik je”. De man heeft dreigend gezegd dat aangeefster van haar fiets af moest stappen en haar een tik op haar voorhoofd gegeven met een ijzeren voorwerp. De man heeft aangeefster vastgepakt bij haar linker bovenarm en vervolgens meegevoerd het bos in. In het bos heeft de man aan haar haren getrokken en haar een trap op haar enkels gegeven met zijn klompen. Op een open stuk is de man gestopt, aangeefster moet op die plek knielen en haar armen op haar rug doen. De man heeft vervolgens aangeefsters polsen vastgemaakt met gele tape. Hij heeft aangeefster op die plek bij haar kaak vastgepakt en heeft hij aangeefster met het ijzeren voorwerp op haar kaak geslagen. Hij heeft haar gedwongen om hem te pijpen door zijn geslachtsdeel in haar mond te drukken. Toen aangeefster aanstalten maakte om te bijten, trok de man zijn geslachtsdeel uit haar mond en gaf haar een harde trap in haar linkerzij. De man heeft aangeefster daarna het bos uitgevoerd, naar de witte bestelbus toe. Onderweg heeft de man zijn hand nog in aangeefsters broek gestoken en heeft hij haar billen betast. Bij de bus aangekomen, moest aangeefster haar fiets achter de bus zetten. De man is op dat moment weer naast haar gaan staan en heeft haar bij haar jas gepakt, ter hoogte van haar rug. Toen de man aangeefster losliet om haar fiets in zijn bus te tillen, zag aangeefster kans om weg te rennen naar de andere weghelft. Daar heeft zij een auto en even later een brommer gestopt. De tape die aangeefster nog om haar handen had, heeft zij in de bosjes gegooid. De politie heeft deze later gevonden en meegenomen.

Getuige [getuige 1] zat in de gestopte auto, die bestuurd werd door zijn vriend [getuige 2] . Hij heeft 3 mei 2015 bij de politie verklaard3 dat ze op de [straat 1] opeens een meisje in hun richting zagen rennen. Het meisje had de handen in de lucht en zag eruit alsof ze om hulp riep. Het meisje was erg overstuur. De bestuurder, [getuige 2] , heeft daarop de auto gestopt en het raam naar beneden gedaan. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het meisje schreeuwde dat ze verkracht was. Hij heeft gezien dat het meisje tape aan haar handen had en dat zij een grote bult op haar voorhoofd had.

Getuige [getuige 3] heeft in dit verband bij de politie ook een verklaring4 afgelegd. Hij werkte de avond van het tenlastegelegde als bezorger bij Domino’s en reed op 2 mei 2015 omstreeks 22.00 uur op de [straat 1] te [plaats 2] . In een flauwe bocht heeft hij een witte Volkswagenbus zien staan, die vlak daarna zonder verlichting wegreed. Even later zag getuige [getuige 3] ook de gestopte Mercedes en aangeefster. Hij is daar gestopt om hulp te verlenen en zich te ontfermen over aangeefster.

Behalve door de verklaringen van [getuige 1] en, in het verlengde daarvan de verklaring van getuige [getuige 3] , wordt aangeefsters verklaring ook ondersteund door de letselrapportage5 van 4 mei 2015. Uit deze letselrapportage volgt dat er bij aangeefsters kneuzingen met roodheid van de huid, zwellingen en ontvellingen zijn geconstateerd. De zwelling in het gelaat kan zijn ontstaan door inwerkend stompgeweld en kan goed passen bij de door aangeefster geschetste toedracht. De krasletsels in het gelaat, onderarm en hand kunnen zeer wel zijn ontstaan door striemende takjes. Tot slot zijn ook de schaafletsels onder de enkels passend bij de geschetste toedracht van een trap op de enkel met klompen.

Het hof ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van aangeefsters verklaring. Dat er geen DNA van verdachte in haar mond is aangetroffen, doet hier – gelet op de omstandigheden in een gebied als de mond en het ontbreken van een ejaculatie – niet aan af. Evenmin is sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Deze rechtsregel verzet zich er immers niet tegen dat een onderdeel van de bewezenverklaring berust op slechts één getuigenverklaring of een ander bewijsmiddel. Het hof verwerpt derhalve dit in hoger beroep herhaalde verweer.

Aantreffen van de witte bestelbus

Blijkens het proces-verbaal genaamd ‘ [getuige 3] ’6, zag voornoemde getuige [getuige 3] op 3 mei 2015, kort nadat hij voornoemde verklaring op het politiebureau had afgelegd, een witte bestelbus geparkeerd staan aan de [straat 2] te [plaats 2] , die erg veel leek op het busje dat de avond daarvoor gebruikt zou zijn door de dader. Opvallend was dat aan de zijkant van deze bus ook gele tape zat. Bij nader onderzoek door verbalisanten bleek deze tape even breed en van dezelfde kleur te zijn als de tape die aangeefster om haar polsen had. Deze bestelbus werd blijkens het proces-verbaal van bevindingen7 vervolgens in beslag genomen. Verbalisanten relateerden dat de bus geen braakschade had. De tijdens de inbeslagname ter plaatse gekomen gebruiker van deze bus – naar later bleek verdachte – heeft verklaard dat hij, naast zijn werkgever, de enige was met een sleutel van de auto. Niemand anders kon zijn sleutel gebruikt hebben, omdat hij de sleutel altijd in zijn broekzak droeg.

Bij nader onderzoek naar het mogelijke gebruik van deze bus en verdachtes rol daarin, heeft de politie getuige [getuige 4]8 gehoord. Deze getuige heeft verklaard dat de bestuurder van de witte bestelbus deze op 2 mei 2015 tussen 22.15 uur en 22.45 heeft geparkeerd op de plek waar hij de bus altijd parkeerde, namelijk recht tegenover hun huis op de parkeerplaats van de NS. De bestuurder heeft de deur van de laadruimte geopend en daar een rugtas uitgepakt, waarna de bestuurder over het hek is geklommen om op het terrein van het Leger des Heils te komen. Uit het proces-verbaal ‘keycard [adres] Leger des Heils’9 volgt dat verdachtes keycard, die gebruikt moest worden om het pand van het Leger des Heils binnen te komen, die avond om 22.24.38 uur en 22.25.22 uur de keycard-lezer is gepasseerd.

Verklaring getuige [getuige 5]

Naast voornoemde getuigen, heeft ook een medebewoner van het Leger des Heils, getuige [getuige 5] , meerdere – in de kern voor verdachte belastende – verklaringen afgelegd: in een telefoongesprek op 6 mei 2015, in een verhoor bij de politie op 7 mei 2015 en bij de raadsheer-commissaris op 15 maart 2017.

Met de raadsman constateert het hof dat getuige [getuige 5] in zijn op 7 mei 2015 bij de politie afgelegde verklaring op enkele onderdelen anders heeft verklaard dan in het op 6 mei 2015 gevoerde telefoongesprek met de politie. Het gaat dan met name over de vraag of getuige [getuige 5] verdachte daadwerkelijk bij de auto heeft gezien en hem heeft gegroet. In het telefoongesprek geeft hij aan van wel, een dag later heeft hij verklaard dit niet zeker te weten en denkt hij verdachte in de auto gezien te hebben. De getuige heeft echter ook verklaard dat hij wel zeker weet dat hij op 2 mei 2015 rond 21.30 uur een witte bus, gelijkend op die van verdachte, heeft gezien en dat verdachte de volgende dag toespelingen heeft gemaakt op een meisje dat zij die avond beiden zouden hebben gezien. Bij de raadsheer-commissaris is deze getuige opnieuw gehoord en kritisch bevraagd over met name dit verschil in zijn verklaringen. De getuige heeft toen aangegeven bepaalde dingen niet meer (zeker) te weten, maar zich wel te kunnen herinneren dat hij verdachtes bus die avond heeft gezien en dat de verdachte hem de volgende dag heeft gevraagd wat getuige [getuige 5] op de kruising van de [straat 3] en [straat 4] deed en een opmerking heeft gemaakt over een mooi meisje dat langsfietste.

Over de omstandigheid dat getuige [getuige 5] bepaalde details niet meer weet, is hij tegenover de raadsheer-commissaris juist open en komt hij oprecht over. Daarnaast stelt het hof vast dat getuige [getuige 5] in de kern consistent blijft verklaren: hij heeft in ieder geval de witte bestelbus van verdachte die avond gezien en verdachte heeft de dag erna toespelingen gemaakt op een meisje dat zij beiden zouden hebben gezien. Nu zijn verklaringen op hoofdlijnen consistent zijn en worden ondersteund door andere – onafhankelijk van deze verklaring bestaande – bewijsmiddelen, zal het hof de verklaring van getuige [getuige 5] wel gebruiken voor het bewijs.

Het hof gebruikt bij de bewijsmiddelen de door getuige [getuige 5] bij de politie afgelegde verklaring10 als uitgangspunt. Uit deze verklaring volgt dat getuige [getuige 5] verdachtes witte bestelbus op 2 mei 2015 omstreeks 21.30 nabij de kruising van de [straat 3] en [straat 1] heeft zien staan. De volgende dag heeft verdachte aan getuige [getuige 5] gevraagd wat hij op de [straat 1] deed en tegen hem gezegd dat getuige [getuige 5] ook naar het meisje keek waar hij naar keek.

DNA en vingerafdrukken

Ten slotte heeft de politie een uitgebreid sporenonderzoek gedaan. Bij het sporenonderzoek ter plaatste wordt de gele tape die aangeefster heeft weggegooid, in beslaggenomen en onderzocht (SIN: AAHT4662NL).11 Daarnaast wordt de jas van aangeefster inbeslaggenomen (SIN:AAES3989NL).12

Uit het NFI-rapport d.d. 28 september 201513 volgt dat op de jas van aangeefster een DNA-mengprofiel wordt aangetroffen (SIN: AAES3989NL#01). Het afgeleide DNA-hoofdprofiel op deze jas is van aangeefster [benadeelde 1] . Daarnaast worden er echter ook DNA-nevenkenmerken aangetroffen van twee of drie andere personen die onderling niet verwant zijn. Eén van deze nevenkenmerken vertoont overeenkomsten met het DNA-profiel van verdachte. Nu niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren in het DNA-mengprofiel zichtbaar zijn, is het niet mogelijk om met een ‘standaard’ statistische berekening de bewijskracht vast te stellen. Uit het vergelijkend DNA-onderzoek volgt echter wel dat het 100 tot 10.000 keer waarschijnlijker is als de bemonstering celmateriaal van aangeefster, verdachte en één of twee willekeurige onbekende personen bevat, dan dat het celmateriaal bevat van aangeefster en drie andere willekeurige personen.

Voor zover de raadsman heeft willen bepleiten dat aan deze uitkomsten geen bewijskracht kan toekomen, merkt het hof op dat de redenering die daaraan ten grondslag is gelegd onnavolgbaar is. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman die redenering desgevraagd niet nader kunnen toelichten. Uit het dossier volgt dat het onderzoek aan alle vereisten voldoet en dat in de conclusies de nodige voorzichtigheid wordt betracht. Dit maakt echter niet dat aan het resultaat geen betekenis kan worden toegekend, maar slechts dat dit resultaat in samenhang met de overige bewijsmiddelen moet worden gezien. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

De op de plaats delict aangetroffen tape bevat ook aanwijzingen voor verdachtes betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten. Op de rugzijde van de tape worden door het NFI drie dactyloscopische sporen (SIN: AAHT4662NL#D01 t/m #D03), oftewel vingerafdrukken, zichtbaar gemaakt, zo volgt uit het NFI-rapport d.d. 24 augustus 201514. Twee van deze vingerafdrukken (SIN: AAHT4662NL#D02/AAFS4744 en AAHT4662NL#D03/AAFS4745NL) kunnen geïndividualiseerd worden tot de persoon van verdachte, zo volgt uit dactyloscopisch onderzoek15. Uit het NFI-rapport van 20 juni 201616 volgt dat de vingerafdrukken van verdachte zich op respectievelijk 88,5 en 91,5 centimeter vanaf het uiteinde van de tape bevinden.

Verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat zijn vingerafdrukken op de tape moeten zijn gekomen tijdens zijn werkzaamheden; verdachte gebruikte daarvoor deze tape en zou het ongebruikte deel altijd terugrollen. Deze verklaring voor het aantreffen van zijn vingerafdrukken op de tape acht het hof – gelet op het werk dat verdachte deed en de plaats waarop deze vingerafdrukken zijn aangetroffen – dermate onlogisch, dat het hof hier geen geloof aan zal hechten.

Conclusie

Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de man is die aangeefster [benadeelde 1] op 2 mei 2015 heeft verkracht, mishandeld en wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs – parketnummer 18-930027-14

Feiten en omstandigheden

Uit het dossier volgt dat de toen 16-jarige [benadeelde 2] op vrijdag 13 januari 2012 aangifte17 heeft gedaan. Deze aangifte is bij aangeefster thuis opgenomen rond 18.23 uur. Zij heeft verklaard dat zij die dag om 17.30 uur vanaf haar werk in [plaats 3] naar haar huis in [plaats 4] is vertrokken. Ter hoogte van [plaats 1] stond naast het fietspad een auto geparkeerd. Toen aangeefster dichterbij kwam, zag zij dat er een lange manspersoon voor de auto stond. Toen ze naast de auto fietste, is de man het fietspad opgestapt in haar richting. De man heeft haar stevig bij haar jas vastgepakt en haar van haar fiets afgetrokken. Ze is daarbij op haar rug komen te vallen. Toen zij op haar rug lag, bleef de man haar vasthouden, waarop aangeefster is gaan slaan en schoppen. Op een gegeven moment heeft aangeefster door het slaan en schoppen kans gezien om zichzelf los te wringen uit de greep van de man. Zij is hard weggerend in de richting van de eerste woning. Uit haar ooghoeken zag zij dat de man vanuit het niets een rubberen hamer in zijn hand had, die hij in haar richting gooide. Aangeefster heeft zich hierop in een nabijgelegen weiland verstopt. Toen zij zeker wist dat de man haar niet achtervolgde en weg was, heeft aangeefster haar moeder gebeld. Een voorbijkomende wielrenner hield vervolgens halt bij aangeefsters fiets, die daar nog in de berm lag. Samen met deze wielrenner is aangeefster naar een kennis van haar ouders gefietst, omdat haar moeder nog niet thuis was. Deze kennis, getuige [getuige 6] , heeft verklaard18 dat aangeefster die dag om omstreeks 18.10 uur hevig overstuur bij haar woning aankwam. Aangeefster heeft haar direct verteld dat ze van de fiets getrokken was. Naast de verklaring van getuige [getuige 6] , vindt de aangifte ook bevestiging in de verklaring van getuige [getuige 7]19, de moeder van aangeefster. Zij heeft verklaard dat aangeefster haar die dag om 18.01 uur heeft gebeld en tegen haar heeft gezegd “mama, mama, je moet me nu op komen halen. Ik ben door een man van de fiets getrokken. Ik lig nu in de bosjes, heb me daar verstopt. Ben bang dat hij terugkomt”. Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat aangeefster overstuur was, huilde en bijna niet meer uit haar woorden kon komen. Aangeefster was volledig in paniek.

Uit het proces-verbaal van bevindingen20 blijkt dat twee verbalisanten aangeefster in de vroege avond van 13 januari 2013 in haar woning hebben opgezocht, waar zij ook gelijk haar aangifte hebben opgenomen. Deze verbalisanten reden vervolgens met aangeefster naar de plaats delict. Zij wist nog waar deze was omdat haar pakje kauwgom daar ook nog zou liggen. Op de plaats die aangeefster aanwees werd in de berm aan de rechterzijde van het fietspad een pakje kauwgom aangetroffen. Drie à vier meter verderop werd een rubberen hamer met een houten steel aangetroffen. De hamer is veiliggesteld in een – bij gebrek aan forensische recherche of andere middelen – nieuwe vuilniszak. Blijkens het proces-verbaal van sporenonderzoek21 is deze hamer kort daarna in ontvangst genomen door een forensisch onderzoeker, waarna de hamer overgepakt is in een papieren zak (SIN: AADC5580NL). Op deze hamer werd een biologisch spoor aangetroffen (SIN: AADC5580NL#01), met het DNA-profiel van een – op dat moment – onbekende man, zo volgt uit het NFI-rapport d.d. 6 maart 201222. Bijna een jaar later, op 19 februari 2013, leverde ditzelfde biologische spoor een match op met het DNA-profiel van verdachte, dat sinds 15 februari 2013 in de databank is opgenomen.23

Bewijsminimum

Voor zover in de pleitnota wordt gesteld dat de verklaring van aangeefster het enige bewijsmiddel is, blijkt uit het hiervoor overwogene dat zulks niet het geval is. Uit het voorgaande volgt dat aangeefsters verklaring op meerdere onderdelen ondersteund wordt door andere – onafhankelijk van haar verklaring bestaande – bewijsmiddelen. Van een situatie als bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv is wederom geen sprake. Deze rechtsregel verzet zich er niet tegen dat een onderdeel van de bewezenverklaring berust op slechts één getuigenverklaring of een andere bewijsmiddel. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

De hamer

Gelet op het voorgaande, kan het niet anders dan dat de hamer die later wordt aangetroffen nabij de plaats delict door de dader is gegooid. Aangeefster heeft op dit punt een specifieke verklaring afgelegd, waarin zij direct het gooien van een hamer noemt, ook voordat de hamer daadwerkelijk wordt aangetroffen. Dat aangeefster het gebruik van de hamer heeft ingevuld of bedacht, zoals in de pleitnota wordt gesuggereerd aan de hand van een later verhoor, wordt reeds weersproken door deze vaststelling. Het betreft in de onderhavige context voorts een tamelijk bijzonder voorwerp, dat wordt aangetroffen rond de plek waar aangeefster haar kauwgompakje heeft laten liggen. Het hof acht het daarom niet aannemelijk dat dit voorwerp los staat van het onderhavige feit. Dit spoor wordt derhalve aangemerkt als een daderspoor. Het hof verwerpt het op dit punt gevoerde verweer.

Voorts worden in de pleitnota bezwaren naar voren gebracht met betrekking tot de wijze van veiligstellen. Hoewel de hamer niet volledig volgens de zogenoemde regelen der kunst is veiliggesteld, hebben verbalisanten in de onderhavige situatie wel de grootst mogelijke zorg betracht bij het veiligstellen, zoals het gebruiken van een nieuwe vuilniszak en het direct overhandigen aan de forensische onderzoeker. Het hof vermag niet in te zien hoe dit handelen de nadien aangetroffen sporen zo onbruikbaar zouden maken dat zij niet voor het bewijs gebruikt zouden mogen worden, noch hoe verdachtes sporen door dit handelen op de hamer terecht zouden zijn gekomen. De verdediging heeft daartoe ook geen valide argumenten aangevoerd. Dit verweer wordt eveneens verworpen.

Conclusie

Verdachte heeft over de aanwezigheid van zijn sporen op de hamer geen verklaring willen afleggen. De aanwezigheid van die sporen is een omstandigheid die het hof in samenhang met de andere bewijsmiddelen redengevend acht voor het bewijs. Nu verdachte geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 18-930027-14 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair en 3 en in de zaak met parketnummer 18-930027-14 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zaak met parketnummer 18-930119-15:
1:
hij op 2 mei 2015 in [plaats 2] , door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 1] , hebbende verdachte

- de billen van die [benadeelde 1] betast en

- zijn penis in de mond van die [benadeelde 1] geduwd/gebracht,

en bestaande (die bedreiging met) dat geweld hierin dat verdachte

- de vrije doorgang voor die [benadeelde 1] , die daar op een fietspad fietste, heeft geblokkeerd en haar tot stoppen heeft gedwongen en

- tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Ja, stop maar even" en

- dreigend tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Als je niet meewerkt, vermoord ik je" en

- die [benadeelde 1] met een ijzeren voorwerp, tegen het voorhoofd heeft geslagen en

- dreigend tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd dat zij van de fiets af moest en

- die [benadeelde 1] bij een arm en op haar rug heeft vastgepakt en

- die [benadeelde 1] heeft meegevoerd naar een bos en

- die [benadeelde 1] aan haar haren heeft getrokken en

- die [benadeelde 1] tegen haar enkel heeft getrapt en

- die [benadeelde 1] heeft bevolen op haar knieën te gaan zitten en haar handen op haar rug te doen en

- de polsen van die [benadeelde 1] met tape aan elkaar vast heeft gemaakt en

- de kaak van die [benadeelde 1] heeft vastgepakt en

- die [benadeelde 1] met dat voorwerp tegen haar kaak heeft geslagen en

- die [benadeelde 1] in haar zij heeft getrapt en;

2 subsidiair:
hij op 2 mei 2015 in [plaats 2] [benadeelde 1] heeft mishandeld door haar met een ijzeren voorwerp, tegen het voorhoofd en tegen de kaak te slaan;

3:
hij op 2 mei 2015 in [plaats 2] opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, hierin bestaande dat verdachte

- de vrije doorgang voor die [benadeelde 1] , die daar op een fietspad fietste, heeft geblokkeerd en haar tot stoppen heeft gedwongen en

- tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Ja, stop maar even" en

- dreigend tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd: "Als je niet meewerkt, vermoord ik je" en

- die [benadeelde 1] met een ijzeren voorwerp, tegen het voorhoofd heeft geslagen en

- dreigend tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd dat zij van de fiets af moest en

- die [benadeelde 1] bij een arm en op haar rug heeft vastgepakt en

- die [benadeelde 1] heeft meegevoerd naar een bos en

- die [benadeelde 1] aan haar haren heeft getrokken en

- de polsen van die [benadeelde 1] met tape, aan elkaar vast heeft gemaakt en

- de kaak van die [benadeelde 1] heeft vastgepakt en

- die [benadeelde 1] met dat voorwerp tegen haar kaak heeft geslagen en

- die [benadeelde 1] in haar zij heeft getrapt en

- die [benadeelde 1] stevig bij een arm heeft vastgepakt en haar heeft meegevoerd naar zijn busje en

- bezig is geweest de fiets van die [benadeelde 1] in zijn busje te zetten;

zaak met parketnummer 18-930027-14 (gevoegd):

primair:
hij op 13 januari 2012 te [plaats 1] ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 2] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, met dat opzet die [benadeelde 2] , die daar fietste, van haar fiets heeft getrokken en haar, terwijl zij op de grond lag, enige tijd aan haar kleding en/of aan haar lichaam heeft vastgehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vrijwillige terugtred

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 26 januari 2016, volgt dat vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bij een voltooide poging niet reeds in zijn algemeenheid is uitgesloten, nu het niet gaat om de vraag of verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij of zij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn of haar wil onafhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten. Van buiten komende factoren die mede ertoe hebben geleid dat het misdrijf niet is voltooid, hoeven niet aan vrijwillige terugtred in de weg te staan.

Het leerstuk van de vrijwillige terugtred is aan te merken als een zogenoemde ‘inkeerbepaling’, waarbij de verdachte zijn handelingen afbreekt en er voorts alles aan doet om het oorspronkelijk beoogde gevolg teniet te doen of niet te laten intreden. Uit het dossier volgt echter dat verdachte juist niet tot inkeer kwam. Integendeel, de verdachte heeft aangeefster nog enige tijd vastgehouden, waarna zij zichzelf heeft weten los te rukken. Nadat aangeefster zichzelf uit verdachtes greep heeft kunnen bevrijden, heeft verdachte zelfs nog een hamer in haar richting gegooid. Tegen deze achtergrond, heeft verdachte niets naar voren gebracht en is evenmin op andere wijze iets aannemelijk geworden, waaruit volgt dat hij uit zichzelf is teruggetreden of de poging om aangeefster van haar vrijheid te beroven uit zichzelf heeft gestaakt. Er is dus geen sprake is geweest van een vrijwillige terugtred van verdachte.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair, 3 en het in de zaak onder parketnummer 18-930027-14 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Nu sprake is van een deels vergelijkbare strekking van de in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbepalingen en tevens sprake is van één fysiek gebeuren, zijnde een eenheid van tijd en plaats, waarin deze strafbepalingen zijn overtreden, levert naar het oordeel van het hof het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde op de eendaadse samenloop van:

in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1:

verkrachting;

in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 2 subsidiair:

mishandeling;

in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 3:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het in de zaak met parketnummer 18-930027-14 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn, met dien verstande dat het hof bij de strafoplegging rekening houdt met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zoals hieronder nader overwogen.

Oplegging van straf en maatregel

Algemene overwegingen

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich op 13 januari 2012 schuldig gemaakt aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van een tiener, de 16-jarige [benadeelde 2] . Verdachte heeft haar van haar fiets getrokken, enige tijd vastgehouden en – toen zij zich kon ontworstelen – haar een hamer achterna gegooid.

Door zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en is haar vrees aangejaagd. Aangeefster verwoordt dit treffend in haar aangifte: verdachte heeft [benadeelde 2] haar gevoel van veiligheid ontnomen.

Ruim drie jaar later maakt verdachte zich opnieuw schuldig aan – ditmaal – een drietal strafbare feiten. Verdachte heeft op 2 mei 2015 een nietsvermoedende voorbijfietsende 18-jarige vrouw tot stilstand gedwongen en haar, onder bedreiging en nadat hij haar had geslagen met een voorwerp, meegevoerd het bos in. Daar heeft hij haar verkracht. Deze verkrachting is ook gepaard gegaan met geweld; hij heeft aangeefster geschopt en geslagen.

Door aldus te handelen heeft zich hierbij enkel laten leiden door zijn eigen lusten en bezitsdrang, waaraan hij de wil van aangeefster volstrekt ondergeschikt heeft gemaakt. Hierbij heeft verdachte de lichamelijke, seksuele en psychische integriteit van aangeefster in ernstige mate geschonden. Het zijn alle zeer ernstige feiten.

Voorts heeft het hof gelet op het Uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 31 juli 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld is voor een ernstig strafbaar feit. Het betreffende vonnis bevindt zich bij de stukken en daaruit blijkt dat verdachte zich op 13 juli 2012 schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag, meermalen gepleegd, door een zwangere vrouw met een moker te slaan.

Oplegging van straf

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof – met de rechtbank en de advocaat-generaal – een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Een lichtere strafmodaliteit of een gevangenisstraf van kortere duur komt – gelet op verdachtes recidive, alsmede de aard en ernst van de feiten – niet meer in aanmerking. Bij de oplegging van deze straf heeft het hof rekening gehouden met hetgeen hierna onder ‘oplegging van maatregel’ overwogen wordt, waaronder verdachtes verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Oplegging van maatregel

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege moet worden opgelegd.

De raadsman heeft onder verwijzing naar de pleitnota van eerste aanleg herhaald dat de maatregel van TBS met verpleging niet kan worden opgelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge art. 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan een last tot terbeschikkingstelling gegeven worden indien vastgesteld wordt dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

In deze zaak heeft verdachte zijn medewerking geweigerd aan een psychologisch onderzoek en/of een psychiatrisch onderzoek, zo volgt uit het Pro Justitia rapport d.d. 30 oktober 2015. Verdachte is een zogenaamde weigerende observandus. Zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep is aandacht geweest voor verdachtes weigerachtige houding; desgevraagd heeft verdachte telkens aangegeven niet te willen meewerken aan dergelijk onderzoek.

De oplegging van terbeschikkingstelling is in een dergelijk geval op grond van art. 37a, derde lid, Sr, in verbinding met art. 37, derde lid, Sr, ook mogelijk zonder dat recent met het oog op de te berechten zaak een multidisciplinaire rapportage door twee gedragsdeskundigen (onder wie een psychiater) is opgemaakt. In dat geval doet het hof zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen dat het hof over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel kan informeren en waaraan de verdachte wel heeft willen meewerken. Vervolgens kan het hof op grond van art. 37b, eerste lid, Sr bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

In het licht van het voorgaande is aan het dossier een veelvoud aan rapporten toegevoegd. Die rapporten hebben alle betrekking op de persoon van verdachte. Aan de rapportages die zijn opgemaakt in het kader van de eerder genoemde veroordeling in 2012 heeft verdachte toentertijd wel willen meewerken. Het hof betrekt deze rapportages in zijn oordeel.

Uit het door psychiater Van Os d.d. 24 oktober 2012 opgemaakte Pro Justitia rapport volgt dat bij verdachte sprake is geweest van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een depressie in milde vorm, ADHD, met waarschijnlijk extra problemen met zijn interne remmingen door een auto-ongeluk in 2005. Daarnaast is sprake van alcoholafhankelijkheid en vallen in verdachtes persoonlijkheid narcistische en antisociale trekken op. In de aanloop naar het voorval in de zomer van 2012 was verdachte in toenemende mate gedemoraliseerd geraakt vanwege het feit dat zijn – tot op dat moment goedlopende – stratenmakersbedrijf eind 2011 failliet ging. Verdachtes draaglast en draagkracht waren op dat moment niet meer in evenwicht en verdachte heeft daardoor een depressie ontwikkeld. Toentertijd speelden verdachtes krenkbaarheid door narcistische trekken, zijn gestoorde impulscontrole door de ADHD en verdachtes gebrekkige geweten een grote rol bij de totstandkoming van het feit. Verdachte had wel voldoende inzicht in de ongeoorloofdheid van zijn handelen, maar was onvoldoende in staat om zijn wil overeenkomstig zijn inzicht te bepalen. Ter zake van het in juli 2012 gepleegde feit werd geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Door de psychiater werd het recidiverisico matig tot hoog geschat. De belangrijkste beschermingsfactor was toen dat verdachte het vreselijk vond in detentie en zoiets nooit meer wilde meemaken. Risicofactoren waren echter verdachtes impulsiviteit, de beperkte empathie en de beperkte sociale vaardigheden. Een behandeling en begeleiding van verdachte werden noodzakelijk geacht om de kans op herhaling binnen aanvaardbare grenzen te krijgen, aldus de psychiater. Dit zou in het kader van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf vormgegeven kunnen worden.

Psycholoog Verzendaal kwam in het rapport van 25 oktober 2012 voor het overgrote deel tot soortgelijke conclusies. In plaats van ADHD noemde de psycholoog een aandachtstekortstoornis van het overwegend onoplettende type (ADD) en uit de overwegingen die ten grondslag lagen aan de conclusies volgde nog dat verdachte kampte met beperkingen ten aanzien van het intellectuele functioneren. Hoewel verdachtes gedrag voornamelijk volgde uit zijn ADD en beperkte intellectuele vermogens, werd in dit kader ook terloops genoemd dat er sprake was van antisociale, narcistische en borderline kenmerken. Verdachte voldeed echter niet aan de vereiste criteria dat het gedrag pervasief, pathologisch en persistent moest zijn. Verdachte was in aanleg, vanuit zijn persoonlijkheidskenmerken en zijn ADD, al sterk geneigd om zich door impulsen te laten leiden. Het was mogelijk dat deze impulsiviteit is toegenomen na een auto-ongeluk in 2005, maar dit was op basis van de toen bekende gegevens niet goed te onderscheiden. Het faillissement van verdachtes bedrijf in 2011 en de gedwongen budgettering belemmerden verdachte sterk in zijn neiging tot directe behoeftebevrediging. Verdachte kon door zijn financiële problemen geen uiting meer geven aan zijn impulsen, terwijl de neiging tot behoeftebevrediging vermoedelijk alleen maar sterker was om gevoelens van onvrede te dempen en te sussen. Uit de testen volgde dat verdachte geen goed contact had met zijn emotionele binnenwereld, waardoor gevoelens van onvrede bij oplopende spanning onverwacht naar boven konden komen. Voorts werd vermoed dat verdachte ook vanuit zijn beperkte intellectuele vermogens niet goed in staat was tot reflectie en abstract redeneren en heeft hij zijn situatie ook niet goed meer kunnen overzien. Ook tijdens het onderzoek werd geconstateerd dat verdachte zich een aantal malen niet goed in hand had bij oplopende spanning. Geconcludeerd werd dat verdachte voor het toen tenlastegelegde feit verminderd toerekeningsvatbaar was. Toentertijd werd het risico op herhaling door de psycholoog matig tot laag ingeschat, omdat de omstandigheden die geleid hebben tot het incident vrij specifiek waren. Daarbij diende de kanttekening geplaatst te worden dat men toen niet op de hoogte was van het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde voorval in januari 2012. De psycholoog heeft destijds geadviseerd om verdachte een behandelaanbod te doen, dat plaats zou kunnen vinden binnen een voorwaardelijk strafdeel.

In de periode 2012 en 2016 is er over verdachte een veelheid aan reclasseringsrapporten opgemaakt. Onder meer in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (V.I.) is een advies uitgebracht door de reclassering. Uit dit adviesrapport van 19 juni 2014 volgt dat verdachte tegen het einde van zijn detentie in het kader van het in juli 2012 gepleegde feit op vrijwillige basis gekozen heeft voor een artikelplaatsing in de FPK te Assen. De motivatie van verdachte leek toen wisselend. Hij is terughoudend in het verstrekken van informatie en geeft niet altijd openheid van zaken. Hij is snel gekrenkt en reageert soms impulsief. De FPK adviseert continuering van de klinische behandeling, waarbij de behandeling van verdachte meer individueel zal worden omdat groepsbehandelingen niet goed bij verdachte passen. De reclassering adviseert in lijn met de FPK om verdachte in aanmerking te laten komen voor V.I., met als bijzondere voorwaarde onder meer een voortzetting van de klinische behandeling.

Hoewel uit dit rapport niet blijkt van een diagnose, wordt in het reclasseringsrapport van 3 juli 2015 vermeld dat verdachte in de FPK is gediagnostiseerd met een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en narcistische trekken, mogelijk ADHD en alcoholafhankelijkheid.

Op 28 oktober 2014 volgt in het kader van verdachtes behandeling binnen de FPK een rapport met als titel ‘terugplaatsing P.I.’. Uit dit rapport blijkt dat het niet goed gaat in de FPK. Verdachte stelt zich bedreigend op en toont veel weerstand bij het volgen van de behandelprogramma’s. Onduidelijke signalen maken dat verdachte zichzelf niet meer in de hand heeft en dat hij in staat is tot ernstig geweld. Geadviseerd wordt verdachte terug te plaatsen in de penitentiaire inrichting (P.I.).

Hoewel verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet terug is geweest naar de gevangenis, staat in het reclasseringsrapport van 7 december 2015 beschreven dat verdachte in december 2014 teruggeplaatst zou zijn in de P.I. Het hof kent aan het al dan niet terugplaatsen in het kader van de beoordeling geen betekenis toe. Uit het reclasseringsrapport van 3 juli 2015 volgt in ieder geval dat verdachte zijn behandeling bij de FPK hierna niet heeft afgerond, maar dat er wegens de korte resterende ‘V.I.-termijn’ voor is gekozen om verdachte te laten resocialiseren onder begeleiding. Op 23 februari 2015 is verdachte daartoe geplaatst bij de RIBW Het Boshuis te Emmen, een locatie van het Leger des Heils, waarbij verdachte in een ambulante setting wekelijks gesprekken bij de FPK zou hebben. In hoeverre dit laatste van de grond is gekomen, blijkt niet uit de beschikbare informatie.

Hoewel verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC), wordt in de voor deze zaak opgemaakte Pro Justitia rapportage d.d. 30 oktober 2015 wel het een en ander opgemerkt over het gedrag van verdachte.

Over de periode in Het Boshuis wordt geschreven dat verdachte zich de eerste maanden lijkt af te zonderen, maar in de laatste maanden van zijn verblijf wordt hij beschreven als ongeduldig, dwingend, grenzen zoekend, devaluerend naar onervaren personeel en maakt hij seksueel getinte opmerkingen. Deze lijn zet zich eigenlijk door tijdens de opname in het PBC vanaf eind augustus 2015 tot en met begin oktober 2015. Verdachte presenteert zich tijdens deze opname als een onvoorspelbare, impulsieve man, bij wie het contact met alle personeelsleden in meerdere of mindere mate gekleurd is door het thema macht. Verdachte stelt zich hooghartig, ongepast, manipulatief en grensoverschrijdend op, intimideert, provoceert en dwingt af. Dit alles doet – aldus de gedragsdeskundigen – persoonsgestoord aan. Tegen de achtergrond van de tenlastegelegde feiten wordt het opvallend genoemd dat verdachtes gedrag wordt gekenmerkt door het thema macht. Een persoonlijkheidsstoornis kan door het beperkte onderzoek niet vastgesteld worden, maar evenmin uitgesloten worden. Uit het onderzoek volgt wel dat nog altijd sprake is van alcoholafhankelijkheid; dit wordt door verdachte zelf ook erkend.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de vaststelling dat bij verdachte ten tijde van het delict in januari 2012, maar ook ten tijde van het delict in 2015 sprake is geweest van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De diagnoses en overwegingen uit de rapportages van 2012 gelden bijna één op één voor het in onderhavige zaak onder parketnummer 18-930027-14 primair bewezenverklaarde feit, nu verdachte ook al in januari 2012 kampte met de in de rapportages geconstateerde problematiek. Deze problematiek is immers deels inherent aan de persoon van verdachte, deels gelegen in het faillissement van zijn bedrijf in 2011.

Sindsdien is in het kader van verdachtes V.I.-traject getracht hem te behandelen voor de geconstateerde problematiek. Deze behandeling is – zo volgt uit de rapportages – onvoldoende van de grond gekomen. Uit het meest recente Pro Justitia rapport volgt dat verdachtes gedrag persoonsgestoord aandoet: hij vertoont grensoverschrijdend, ongepast, manipulatief gedrag. Het thema ‘macht’ speelt in verdachtes gedrag door. Deze constateringen, die passen bij de eerder geconstateerde stoornissen en kenmerken van verdachtes persoonlijkheid, in combinatie met het feit dat verdachte nooit een passende, afgeronde behandeling heeft gehad, maken dat het hof van oordeel is dat ook ten tijde van het feit in 2015 sprake is geweest van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Verdachtes stoornissen hebben het tenlastegelegde in juli 2012 beïnvloed, zodanig dat hij toen verminderd toerekeningsvatbaar werd geacht door de deskundigen. Nu het feit onder parketnummer 18-930027-14 daarvoor heeft plaatsgevonden en verdachtes problematiek ook aanwezig was tijdens de onder parketnummer 18-930119-15 bewezenverklaarde feiten, rekent het hof verdachte de onderhavige feiten ook verminderd toe. Bij de voorgaande overweging over de op te leggen straf heeft het hof reeds met deze conclusie rekening gehouden.

De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of er sprake is van zodanig recidivegevaar dat de oplegging van de maatregel is vereist, in die zin dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

Ten aanzien van het recidiverisico wordt in de rapportages uit 2012 wisselend geconcludeerd. De psycholoog schat het risico als matig tot laag in, waar de psychiater het recidiverisico als matig tot hoog bestempeld. Het hof stelt echter vast dat beide deskundigen het in januari 2012 gepleegde feit niet in hun onderzoek en conclusies hebben kunnen betrekken.

Gelet op de opeenvolging van de door verdachte gepleegde feiten, komt het hof tot de conclusie dat het recidiverisico hoog is. Tussen de feiten in januari 2012, juli 2012 en mei 2015 zitten slechts enkele maanden waarin verdachte ‘op vrije voeten’ is. Reeds hieruit blijkt dat de behandelingen en begeleiding die verdacht tot op heden heeft gehad, niet afdoende zijn geweest om het recidiverisico in te perken. Alleen met een langdurige, intensieve behandeling, in een setting met een afdoende beveiligingsniveau, kan het recidiverisico op soortgelijke feiten tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd worden.

Het hof is derhalve van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eist. Deze maatregel zal dan ook – conform de eis van de advocaat-generaal – naast eerdergenoemde gevangenisstraf aan verdachte opgelegd worden.

Het hof stelt ten slotte vast dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit heeft, gelet op artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht, als gevolg dat de maatregel niet gemaximeerd is en derhalve een periode van vier jaar te boven kan gaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-930027-14 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering volledig zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als gelijkgesteld aan een in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Procesgang

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg oorspronkelijk € 10.150,- ter zake van materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede een vergoeding van € 1.875,51 voor proceskosten. In eerste aanleg is het immateriële deel van de vordering gematigd, in die zin dat deze nog € 5.000,- bedraagt.

De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 5.150,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De proceskosten heeft de rechtbank overeenkomstig het liquidatietarief rechtbank en gerechtshoven vastgesteld op een bedrag van € 1.344,-.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, waarbij namens de benadeelde door haar advocaat is toegevoegd dat de begrote proceskosten voor rechtsbijstand in hoger beroep € 800,- bedragen. Verzocht wordt deze proceskosten aanvullend te vergoeden.

Bij pleidooi is door de verdediging de hoogte van de immateriële schade betwist.

Materiële en immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair, 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het gevorderde schadebedrag is – anders dan de raadsman stelt – aangepast aan de uiteindelijke tenlastelegging en in dat verband naar beneden bijgesteld. Mede gelet hierop acht het hof de vordering onvoldoende weersproken. Voorts wordt het gevorderde bedrag van € 5.000,- in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden, alsmede met het oog op uitspraken in soortgelijke zaken, redelijk en billijk geacht. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de gematigde vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade volledig zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Proceskosten

Verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 2.292,-. Dit bedrag is vastgesteld aan de hand van het ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’ waarbij voor de procedure in eerste aanleg – overeenkomstig de rechtbank – drieënhalve punt en voor de procedure in hoger beroep anderhalve punt zijn toegekend en tarief I voor eerste aanleg en principaal appel is toegepast.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Verdachte is bij uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 november 2012 onder

parketnummer 18/670337-12 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest. Verdachte is in die zaak op 15 juli 2014 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder bijzondere voorwaarden en onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft op 26 oktober 2015 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling ingediend bij de rechtbank. Deze vordering strekt tot gehele herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling in verband met de onder parketnummer 18/930119-15 ten laste gelegde feiten.

De rechtbank heeft de vordering toegewezen nu verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; hij heeft opnieuw een strafbaar feit begaan. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep tot toewijzing van de vordering geconcludeerd.

Het hof stelt met de rechtbank en de advocaat-generaal vast dat verdachte de algemene voorwaarde, inhoudende het niet plegen van een nieuw strafbaar feit, verbonden aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, heeft overtreden. Het hof kan de voorwaardelijke invrijheidstelling dus herroepen en het hof zal de daartoe strekkende vordering toewijzen. Hetgeen in de pleitnota in eerste aanleg is gesteld omtrent het niet onverwijld indienen van de vordering, treft geen doel. In dit kader wordt opgemerkt dat de vordering ruim voor de uiteindelijke inhoudelijke behandeling op 21 juni 2016 is ingediend. Met de rechtbank, is het hof van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is dat door de indiening op 26 oktober 2015 sprake zou zijn van een schending van artikel 6 EVRM.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 45, 55, 63, 242, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair en 3 en in de zaak met parketnummer 18-930027-14 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair en 3 en in de zaak met parketnummer 18-930027-14 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het in de zaak met parketnummer 18-930027-14 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 500,00 (vijfhonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , voor het in de zaak met parketnummer 18-930027-14 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.150,00 (vijfduizend honderdvijftig euro), bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 2.292,- (tweeduizend tweehonderd tweeënnegentig euro).

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , voor het in de zaak met parketnummer 18-930119-15 onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.150,00 (vijfduizend honderdvijftig euro), bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de bij vonnis van rechtbank te Groningen van 12 november 2012 onder parketnummer 18/670337-12 opgelegde vrijheidsstraf, dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. M.H.M. Boekhorst Carrillo en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,

en op 14 september 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J. Dolfing is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van informatief gesprek zeden, nummer PL0100-2015125594-3, d.d. 3 mei 2015 (map 2, p. 177 en verder van een dossier met nummer BHV 2015125594/NN3R015029-FORTUNA.

2 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster, nummer PL0100-2015125594-21, d.d. 4 mei 2015 (map 2, p. 182 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

3 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , nummer PL0100-2015125594-5, d.d. 3 mei 2015 (map 2, p. 235 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

4 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , nummer PL0100-2015125594-14, d.d. 3 mei 2015 (map 2, p. 248 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

5 Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage d.d. 11 juni 201, inhoudende een letselonderzoek d.d. 4 mei 2015 betreffende [benadeelde 1] , opgemaakt door J. Dekker, forensisch arts KNMG (los opgenomen in het dossier).

6 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal ‘ [getuige 3] ’, nummer 2, d.d. 3 mei 2015 (map 2, p. 253 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

7 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0100-2015125594-5, d.d. 7 mei 2015 (map 2, p. 260 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

8 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , nummer 39, d.d. 13 mei 2015 (map 2, p. 327 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

9 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van ‘keycard [straat 3] 138 Leger des Heils’, nummer 24, d.d. 6 mei 2015 (map 2, p. 337 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

10 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , nummer 34, d.d. 7 mei 2015 (map 2, p. 318 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

11 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek, nummer PL0100-2015125594-11, d.d. 8 mei 2015 (map 3, p. 5 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

12 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek, nummer PL0100-2015125594-15, d.d. 11 mei 2015 (map 3, p. 20 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

13 Een schriftelijk stuk, te weten een NFI-rapport d.d. 28 september 2015, van dr. S. van Soest (map 3, p. 91 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

14 Een schriftelijk stuk, te weten een NFI-rapport d.d. 24 augustus 2015, van ing. S.M. Gorré (map 3, p. 83 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier).

15 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van relaas, nummer PL0100-2015125594-111, d.d. 19 oktober 2015 (map 3, p. 1 en verder van het onder noot 1 genoemde dossier) in combinatie met twee schriftelijke stukken, te weten twee rapporten dactyloscopisch onderzoek, beide d.d. 28 september 2015 (opgenomen in map 3, pagina 98 en 102 van het onder noot 1 genoemde dossier).

16 Een schriftelijk stuk, te weten een NFI-rapport d.d. 20 juni 2016, van ing. L.H.J. Koomen en ing. R.P. Visser (los opgenomen in het dossier).

17 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL033V 2012003983-1, d.d. 15 januari 2012 (p. 69 en verder van een dossier met nummer PL031E-2014002953 Z).

18 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , nummer PL033V 2012003983-11, d.d. 26 januari 2012 (p. 122 en verder van het onder noot 17 genoemde dossier).

19 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , nummer PL033V 2012003983-10, d.d. 26 januari 2012 (p. 124 en verder van het onder noot 17 genoemde dossier).

20 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor bevindingen, nummer PL033V 2012003983-7, d.d. 18 januari 2012 (p. 115 en verder van het onder noot 17 genoemde dossier).

21 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor sporenonderzoek, nummer PL03N3 2012003983-4, d.d. 19 januari 2012 (p. 128 en verder van het onder noot 17 genoemde dossier).

22 Een schriftelijk stuk, te weten een NFI-rapport d.d. 6 maart 2012, van ing. A.J. Slycke (p. 138 en verder van het onder noot 17 genoemde dossier).

23 Een schriftelijk stuk, te weten een NFI-rapport d.d. 19 februari 2013 van ing. H.J. van Paassen (los opgenomen in het dossier).