Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:8005

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
WAHV 200.181.698
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaats waar voertuig stond geparkeerd stond feitelijk voor het openbaar verkeer open, zodat

sprake is van een openbare weg. Parkeerschijfzone. Artikel 25, eerste lid, RVV 1990.

Bord E10 (parkeerschijfzone) brengt onder andere ook mee dat niet buiten de daarvoor

aangewezen parkeervakken mag worden geparkeerd, ongeacht of de betrokkene een parkeerschijf

heeft geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.181.698

13 september 2017

CJIB 174806392

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 21 oktober 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “als bestuurder een voertuig parkeren in een parkeerschijfzone (niet op zodanig aangeduide parkeerplaats/langs blauwe streep)”, welke gedraging zou zijn verricht op 19 juli 2013 om 14.56 uur op de [a-straat] te [A] met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De gemachtigde betwist dat de betrokkene de gedraging heeft verricht en voert hiertoe aan dat het bord E10 alleen betrekking heeft op een parkeerschijfzone met verplicht gebruik van een parkeerschijf. Uit het bord E10 kan niet worden afgeleid dat alleen in de parkeervakken moet worden geparkeerd, zoals aan de betrokkene in de onderhavige zaak wordt verweten. Daarnaast is niet vastgesteld dat de betrokkene zonder parkeerschijf heeft geparkeerd. De gemachtigde voert voorts aan dat destijds een bord E2 aan de rechterzijde van de weg geplaatst stond. Uit dit verbod om stil te staan volgt naar mening van de gemachtigde dat enkel aan de rechterzijde niet gestopt dan wel geparkeerd mocht worden. De betrokkene stond geparkeerd aan de linkerzijde. Indien het bord E10 desondanks van toepassing zou zijn, is de gemachtigde van mening dat dit tot een zodanige onduidelijke en diffuse situatie leidt, dat op grond van het legaliteits- en rechtzekerheidsbeginsel een sanctie niet kan worden opgelegd. Het voorgaande klemt naar mening van de gemachtigde nog te meer doordat in nabij gelegen vergelijkbare situaties niet wordt opgetreden in het geval van schending van een parkeerverbod. Tevens voert de gemachtigde aan dat de weg waar de betrokkene geparkeerd stond niet tot de openbare weg behoort. De gemachtigde stelt dat sprake is van een in-/uitrit ten behoeve van een parkeergarage. De in-/uitweg is ter plekke duidelijk afgebakend door een fiets- en voetpad tussen de [a-straat] en de in-/uitweg naar de parkeergarage. Dat geen sprake is van een openbare weg, wordt bevestigd doordat inmiddels een bord is geplaatst met: "inrit parkeren alleen in vakken". Dit bord lijkt geen officieel verkeersbord te zijn, maar een mededeling van de eigenaar. Het op dit bord aangegeven parkeerregime correspondeert niet met de parkeerregeling in [A] conform het bord E10, waarbij de parkeerschijfzone slechts van kracht is op werkdagen tussen 9.00 en 17.00 uur. Aldus blijkt uit de plaatsing van dit bord genoegzaam dat sprake is van een eigen weg. Voorts klaagt de gemachtigde erover dat de door de verbalisant aangegeven locatie niet correct is. De betrokkene had zijn auto namelijk niet aan de [a-straat] geparkeerd, maar op een in-/uitrit die geen deel uitmaakt van de [a-straat] . De gemachtigde heeft foto's overgelegd waarop de situatie ten tijde van de gedraging en de huidige situatie te zien is en heeft tevens een plattegrond van de pleeglocatie overgelegd.

3. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het brondocument onder meer het volgende in:

“Parkeren in een zone buiten de vakken.”

5. Voorts bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 14 november 2013, waarin de verbalisant, voor zover relevant, het volgende verklaart:

"Op vrijdag 19 juli 2013, omstreeks 14.56 uur, bevond ik mij in uniform gekleed en met handhaving belast, op de [a-straat] in de gemeente [A] . Daar zag ik toen dat een voertuig van het merk Suzuki, grijs van kleur, met het kenteken [00-YY-YY] geparkeerd stond. Ik zag dat het betreffende voertuig buiten de parkeervakken geparkeerd stond in een parkeerschijfzone gebied tevens een in- of uitrit van een parkeergarage.

De [a-straat] te [A] is gelegen in het industriegebied [D] . In dit gebied is een parkeerschijfzone aangebracht. Dit wordt de bestuurders duidelijk kenbaar gemaakt door middel van bord E10 van het reglement verkeersregels en verkeerstekens bij elke toegangsweg van het gebied."

6. In het geding is onder andere de vraag of de plaats waar het betreffende voertuig zich bevond als een voor het openbaar verkeer openstaande weg in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dient te worden aangemerkt, en derhalve of de bepalingen bij of krachtens de WVW 1994 van toepassing zijn.

7. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 moet onder "wegen" worden verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

8. Beslissend voor de vraag of het terrein als een voor het openbaar verkeer openstaande weg dient te worden aangemerkt, is de vraag of dit ten tijde van de gedraging feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden zoals of door de rechthebbende wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van dat terrein (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 8 april 1997, LJN ZD0686, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl).

9. Uit de foto's in het dossier leidt het hof af dat de betrokkene geparkeerd stond op een weg die naar een parkeergarage leidt. Deze weg is afgescheiden van de [a-straat] door een fiets- en voetpad. Aan de rechterzijde van de weg staat een bord E2 "verbod stil te staan" geplaatst.

10. Het hof stelt vast dat de plaats waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd feitelijk voor het openbaar verkeer openstond. Anders dan de betrokkene meent, doet hieraan niet af dat deze plaats mogelijk eigen terrein is. Er is namelijk niet de feitelijke mogelijkheid geschapen om desgewenst weggebruikers de toegang tot deze plaats te ontzeggen (vgl. Hoge Raad 16 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9494, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Immers, zoals uit de hiervoor beschreven situatie blijkt, is die plaats waar de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd vanaf de weg toegankelijk en niet afgesloten door slagbomen of iets dergelijks. Het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat de plaats waar de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd moet worden aangemerkt als een voor het openbaar verkeer openstaande weg. Dit brengt mee dat de bij en krachtens de WVW 1994 geldende geboden en verboden aldaar onverkort gelden en gehandhaafd kunnen worden, hetgeen als gevolg heeft dat de WAHV eveneens van toepassing is op gevallen als de onderhavige.

11. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit artikel luidt als volgt:

''1. Het is verboden in een parkeerschijfzone te parkeren, behalve op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven of plaatsen die zijn voorzien van een blauwe streep."

12. In tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde meent houdt het bord E10 "parkeerschijfzone" niet in dat enkel met een parkeerschijf geparkeerd mag worden in een parkeerschijfzone. Uit de tekst van artikel 25, eerste lid, van het RVV 1990 volgt dat het parkeren bij een blauwe streep of op parkeerplaatsen die als zodanig zijn aangeduid of aangegeven, uitzonderingen zijn op het verbod om in een parkeerschijfzone te parkeren. Hieruit volgt dat binnen een parkeerschijfzone onder andere niet buiten de daarvoor aangewezen parkeervakken geparkeerd mag worden. Hierbij is het niet van belang of de betrokkene een parkeerschijf heeft geplaatst.

13. Nu voor het overige niet wordt ontkend dat het voertuig van de betrokkene buiten de vakken geparkeerd stond in een parkeerschijfzone aangegeven middels borden E10 en uit het dossier geen feiten of omstandigheden blijken die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

14. Vervolgens dient het hof gelet op het verweer van de gemachtigde te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

15. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te oordelen dat er sprake was van een zodanig onduidelijke situatie, dat de betrokkene in redelijkheid geen verwijt zou kunnen worden gemaakt van het verrichten van deze gedraging. Uit het aan de rechterzijde van de weg geplaatste bord E2 "verbod stil te staan" mocht de betrokkene in het onderhavige geval niet afleiden dat hij aan de linkerzijde van de weg wel mocht parkeren, omdat de betrokkene zich reeds in een parkeerschijfzone bevond. De door het bord E10 ingestelde parkeerschijfzone eindigt op grond van artikel 66, tweede lid, van het RVV 1990 door middel van de plaatsing van een bord einde zone, bord E10 en wordt aldus niet opgeheven door plaatsing van een bord E2. Dat de betrokkene mogelijk vergeten was dat hij zich in een parkeerschijfzone bevond of het bord E10 niet heeft opgemerkt, betreft een omstandigheid die voor eigen rekening dient te blijven, nu op een automobilist de plicht rust om te allen tijde opmerkzaam te zijn op de voor hem geldende verkeerstekens en daaraan te voldoen.

16. De enkele omstandigheid dat in nabij gelegen vergelijkbare situaties om welke reden dan ook niet wordt opgetreden tegen andere weggebruikers, brengt niet mee dat de betrokkene, die de gedraging heeft verricht, daarvan ook gevrijwaard zou moeten blijven. Immers, van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene is slechts dan sprake indien zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vlg. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, WAHV 03/598, VR 2004, 19). Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Niet gebleken is immers dat ten tijde van de gedraging sprake was van bekend gemaakt beleid om op de betreffende locatie niet (meer) te handhaven op soortgelijke gedragingen als de onderhavige.

17. Nu de betrokkene, onder andere doordat blijkens de overgelegde foto een aankondiging van beschikking door de verbalisant is achtergelaten op het voertuig van de betrokkene, wist op welke gedraging de opgelegde sanctie betrekking heeft, kan het in het midden blijven of een juiste locatie is opgenomen door de verbalisant. De gegevens in de inleidende beschikking hebben slechts ten doel de betrokkene in staat te stellen na te gaan waarvoor hem een sanctie is opgelegd, zodat hij zich daartegen desgewenst kan verdedigen. Slechts wanneer als gevolg van een onduidelijke of onjuiste aanduiding van de locatie bij de betrokkene redelijkerwijs misverstand kan zijn ontstaan omtrent de vraag op welke gedraging de hem opgelegde sanctie betrekking heeft en waartegen hij zich moet verdedigen, bestaat op grond van vaste jurisprudentie van het hof aanleiding de inleidende beschikking te vernietigen.

18. Het hof ziet gelet op het voorgaande in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding de opgelegde sanctie achterwege te laten dan wel te matigen. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal deze beslissing dan ook bevestigen.

19. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.