Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7918

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
200.216.518/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWZ. Ontslag op staande voet vanwege het bij herhaling negeren van instructies/opdrachten gegeven in het kader van re-integratie houdt stand.

Het hof oordeelt dat werkneemster zonder goede grond en bij herhaling redelijke opdrachten/instructies van werkgever heeft genegeerd om gesprekken te voeren over haar re-integratie, ook nadat een loonstop had plaatsgevonden en ook nadat het UWV had geoordeeld dat werkneemster zich onvoldoende inspande voor haar re-integratie.

Werkneemster heeft zich er weliswaar op beroepen dat sprake was van een arbeidsconflict dat eerst opgelost diende te worden voordat tot re-integratie kon worden overgegaan, maar het hof is daarvan niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1104

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.216.518

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 5405245)

beschikking van 11 september 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster, tevens verweerster in voorwaardelijk tegenverzoek,

hierna: [verzoekster],

advocaat: mr. M.G.J. Smit, kantoorhoudend te Rotterdam,

tegen

de stichting

Stichting Zorggroep Groningen,

gevestigd te Groningen,

verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster, tevens verzoekster in voorwaardelijk tegenverzoek,

hierna: ZGG,

advocaat: mr. G.W. Brouwer, kantoorhoudend te Groningen.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen) van 21 februari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift (met producties) van [verzoekster] , ter griffie ontvangen op 16 mei 2017;

- het verweerschrift, tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroepschrift met producties;
- het verweerschrift in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;

- de op 9 augustus 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij ZGG een pleitnotitie heeft overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op
25 september 2017 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoekster] heeft, na intrekking tijdens de mondelinge behandeling van haar primaire verzoeken (tot vernietiging van de opzegging met nevenvorderingen), in hoger beroep verzocht, samengevat, dat het hof bij arrest [hof: bedoeld zal zijn bij beschikking] de beschikking van de kantonrechter zal vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ZGG zal veroordelen:
- tot betaling van een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW;
- tot betaling van een bedrag gelijk aan het loon vanaf 2 mei 2016 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, dan wel van rechtswege zou zijn geëindigd conform artikel 7:677 lid 2 BW [hof: bedoeld zal zijn art. 7:667 lid 2 BW];
- tot betaling van de transitievergoeding,
een en ander met nevenvorderingen en veroordeling van ZGG in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten.

2.4

ZGG heeft verweer gevoerd tegen deze verzoeken en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, voor het geval vernietiging van de bestreden beschikking mocht leiden tot herstel van de arbeidsverhouding, heeft zij verzocht, samengevat, de herstelde arbeidsverhouding te ontbinden per datum herstel, onder bepaling dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel appel.

2.5

[verzoekster] heeft verweer gevoerd tegen dit voorwaardelijke verzoek.

3
3. De feiten

In hoger beroep staan, voor zover nog van belang, de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.1

[verzoekster] , geboren [in] 1957, is [in] 1996 krachtens arbeidsovereenkomst bij ZGG in dienst getreden, laatstelijk in de functie van verzorgende
gedurende 21 uur per week tegen een loon van € 1.624,76 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en emolumenten. [verzoekster] verrichtte haar werkzaamheden gewoonlijk op de locatie [B] te [C] , laatstelijk op de longstay dagbehandeling voor Parkinsonpatiënten.

3.2

Na een ziekteperiode van 18 april 2008 tot 1 februari 2009 heeft [verzoekster] zich op 22 juni 2011 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten (burn-out). Nadat aanvankelijk was ingezet op re-integratie van [verzoekster] in de functie van helpende, is zij op haar aangeven gereïntegreerd in haar oorspronkelijke functie van verzorgende.

3.3

Op 6 maart 2015 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld vanwege fysieke klachten. Op 13 maart 2015 heeft de bedrijfsarts ( [D] ) gerapporteerd dat gezien de aanwezigheid van een chronische medische aandoening welke geleidelijk achteruit gaat, op de langere termijn terugkeer in de eigen functie twijfelachtig is, maar dat op de kortere termijn wel enige verbetering valt te verwachten, en geadviseerd om na 2 weken te proberen op te starten op de afdeling met 2x per week een paar uur in lichte activiteiten.

3.4

Na een “voortgang verzuimgesprek” op 19 maart 2015 tussen [verzoekster] en haar leidinggevende, waarin [verzoekster] aangaf vanwege pijnklachten nog niet tot werkhervatting in staat te zijn, is [verzoekster] op 13 april 2015 niet verschenen op een uitnodiging voor een gesprek over een “plan van aanpak”. [verzoekster] had voorafgaand bericht daartoe fysiek en mentaal niet in staat te zijn. Op het verzoek van haar leidinggevende om ter zake van de door haar gestelde reisbeperking een medische verklaring (huisarts, neuroloog) over te leggen heeft [verzoekster] geantwoord daaraan niet te kunnen voldoen, aangezien dergelijke verklaringen volgens haar (huisarts) niet zouden bestaan.

3.5

Bij brief van 22 april 2015 heeft ZGG haar uitnodiging voor een gesprek voor het opstellen van een Plan van Aanpak herhaald en aan [verzoekster] kenbaar gemaakt dat zij een medische verklaring diende over te leggen indien zij niet op gesprek zou kunnen komen. Bij weigering stelt ZGG haar opschorting van het loon in het vooruitzicht

In reactie hierop heeft [verzoekster] onder meer geschreven:

“Ik ben overigens best bereid om een gesprek te hebben in het kader van de re-integratie. Om praktische redenen stel ik voor eerst het consult van de bedrijfsarts te laten plaatsvinden dan verzoek ik u om contact met mij op te nemen voor het maken van een afspraak. Omdat ik zelf geen auto mag of kan rijden op dit moment ben ik afhankelijk van familie of vrienden om mij te rijden.”

3.7

Op 13 mei 2015 heeft op de [B] een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, waarbij ZGG heeft voorgesteld om het dienstverband door middel van een vaststellingsovereenkomst te beëindigen. ZGG heeft haar voorstel neergelegd in een brief van 19 mei 2015, opgesteld door haar toenmalige gemachtigde, CCM. In de brief wordt onder meer vermeld dat partijen gezamenlijk hebben vastgesteld dat [verzoekster] op verschillende afdelingen heeft gewerkt, maar dat zij er telkens niet in is geslaagd dat tot een succes te maken. Overleg met de (toenmalige) gemachtigde van [verzoekster] , ARAG, heeft niet geleid tot overeenstemming over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

3.8

Nadat dit overleg niet tot resultaat had geleid en het UWV op een verzoek van [verzoekster] had geoordeeld dat ZGG tekort was geschoten in haar re-integratie-inspanningen, heeft ZGG de re-integratie verder opgepakt.
In juli 2015 is door Arbo Unie een Plan van Aanpak opgesteld. Daarin wordt onder meer vermeld dat het einddoel niet bekend is, omdat er een conflict speelt tussen ZGG en [verzoekster] ; volgens [verzoekster] heeft ZGG het vertrouwen in haar opgezegd. Vanwege dat conflict wordt geen advies gegeven over evaluatiemomenten.
Op 25 september 2015 heeft de bedrijfsarts ( [D] ) een inzetbaarheidsprofiel gemaakt. Daarbij heeft de bedrijfsarts een arbeidsdeskundig onderzoek geadviseerd om te bekijken of het eigen werk van [verzoekster] passend is dan wel passend is te maken of dat re-integratie extern moet plaatsvinden.

3.9

Op 26 november 2015 heeft de bedrijfsarts ( [D] ) [verzoekster] wederom gezien. Naar aanleiding daarvan heeft hij bericht dat de medische situatie niet is gewijzigd en dat hij nogmaals een arbeidsdeskundig onderzoek adviseert. Op 28 december 2015 heeft ZGG daarop de arbeidsdeskundige [E] verzocht onderzoek te doen.

3.10

Op 25 februari 2016 heeft [verzoekster] de nieuwe bedrijfsarts ( [F] ) bezocht. Deze heeft in zijn verslag over dat contact het navolgende geschreven:

“(…) Ik kom tot de conclusie dat er op dit moment vooral sprake is van een arbeidsconflict. Een conflict dat bovendien een re-integratie ernstig in de weg staat. Er bestaan weliswaar ziektebeelden,
en deze ziektebeelden geven ook beperkingen (en trouwens ook restmogelijkheden), maar in welke mate deze beperkingen leiden tot arbeidsongeschiktheid kan alleen maar proefondervindelijk worden bepaald. Of deze beperkingen kunnen worden gecompenseerd door gebruik te maken van maximaal ingezette arbeidskundige oplossingen, kan ook alleen maar proefondervindelijk worden bepaald. En of er een noodzaak is tot een traject tweede spoor kan ook alleen maar wanneer er redenen zijn om het eerste spoor te stoppen. Het verzuimdossier komt naar mijn mening alleen maar verder wanneer er een concrete start wordt gemaakt met de re-integratie. Maar een arbeidsgeschil staat de start in de weg.
Eigenlijk wil ik mijzelf voor dit moment even naar de achtergrond plaatsen. Ik adviseer u en uw medewerker met klem om het arbeidsconflict op te lossen. Neem hiervoor desnoods professionele hulp in de arm. Bepaal gezamenlijk de doelstelling van de re-integratie. En betrek mij weer bij de re-integratie wanneer er medisch advies nodig is.”

3.11

Op 14 maart 2016 heeft [E] zijn (concept) rapport toegezonden, vergezeld van een uitnodiging aan [verzoekster] om het rapport op 17 maart 2016 met hem te bespreken. In het rapport wordt een tweesporenbeleid geadviseerd waarbij primair de mogelijkheden in het eerste spoor onderzocht dienen te worden.
Bij brief van 15 maart 2016 heeft ZGG [verzoekster] uitgenodigd voor een gesprek op 17 maart 2016 over het arbeidsdeskundig rapport en het vervolgtraject. [verzoekster] heeft aan zowel [E] als ZGG bericht niet te zullen komen vanwege de korte termijn waarop de gesprekken waren gepland.

3.12

Per e-mail van 17 maart 2016 heeft ZGG aan [verzoekster] meegedeeld het afzeggen van afspraken niet de juiste weg te vinden en haar opnieuw uitgenodigd voor een bespreking op 22 maart 2016 met de arbeidsdeskundige gevolgd door een bespreking met haar leidinggevende. [verzoekster] heeft daarop bericht te zullen verschijnen op de afspraak met [E] en na afloop daarvan telefonisch contact op te zullen nemen met ZGG over de afspraak met haar.

3.13

[verzoekster] is op 22 maart 2016 verschenen op het gesprek met [E] , maar is niet verschenen op de bespreking met haar leidinggevende. Zij heeft deze per e-mail afgezegd. Haar desbetreffende e-mail bericht van 22 maart 13.19 uur luidt:

“Vanuit het kantoor van [E] stuur ik je dit bericht. We stelden samen vast dat we een heel goed gesprek hadden. Ons gezamenlijk voorstel is om spoor 1 mogelijk te maken. Zo spoedig mogelijk om tafel te gaan. Om de lucht enigszins te doen opklaren. Anders gezegd, zoals [E] het formuleerde, om weer helemaal on speaking terms te geraken. Het rapport van [E] behoeft enige aanpassing. Dus een verbeterde versie volgt zo spoedig mogelijk. Daarop mag ik gezien de nu niet meer beschikbare tijd weer reageren. Dat betekent dat een gesprek voor vanmiddag met jullie nog niet aan de orde kan zijn. In overleg met [E] kom ik met een voorstel om de verhoudingen tussen ons weer wat te normaliseren.”

Op 22 maart 2016 heeft ZGG per e-mail van 15.20 uur hierop als volgt gereageerd:

“(…) Goed te horen dat je een prettig gesprek hebt gehad met dhr. [E] . Ik heb zojuist ook telefonisch met hem gesproken. Hij geeft echter aan dat hij heeft gezegd tegen jou dat het raadzaam is om in gesprek te gaan over re-integratie waarbij de conclusies in het rapport het uitgangspunt zijn. Er worden volgens hem een aantal mutaties in het rapport aangebracht die geen invloed hebben op deze conclusies. Dhr. [E] heeft niet tegen jou gezegd dat het gesprek deze middag niet door hoeft te gaan. Deze conclusie trek je zelf. Ik vind het dan ook niet acceptabel dat je deze afspraak afzegt. We moeten immers zo snel mogelijk richting geven aan re-integratie en de vervolgstappen in gang zetten zoals in het AD rapport staan beschreven. Je geeft aan dat de verhoudingen weer genormaliseerd moeten worden. Tot twee keer toe een afspraak afzeggen bevordert dit niet. Ik verwacht dan ook dat je aanwezig bent vanmiddag om 16.30 uur.”
[verzoekster] is niet op voormelde afspraak verschenen en op 23 maart 2016 heeft ZGG haar daarvoor een officiële waarschuwing gegeven.

3.14

Bij brief van 8 april 2016 heeft ZGG [verzoekster] uitgenodigd voor een bespreking op 14 april 2016. Op 9 april 2016 heeft [verzoekster] gereageerd met de mededeling dat zij zal komen en zich zal laten vergezellen door de heer [G] . ZGG heeft daarop aan [verzoekster] te kennen gegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat [verzoekster] zich door een derde, echtgenoot of juridisch adviseur, laat vergezellen, maar dat [G] onacceptabel is aangezien hem vanwege eerder wangedrag de toegang tot [B] is ontzegd. De echtgenoot van [verzoekster] heeft ZGG op 13 april 2016 per e-mail bericht dat hij vanwege zijn werk verhinderd is en dat hij bij zijn standpunt blijft dat zijn echtgenote niet meer alleen naar de [B] komt. [verzoekster] is niet op de afspraak verschenen, waarop ZGG [verzoekster] bij brief van 15 april 2016 officieel heeft gewaarschuwd en zich het recht heeft voorbehouden loonbetaling op te schorten bij herhaling.

3.15

Op 19 april 2016 is [verzoekster] wederom uitgenodigd voor overleg over haar re-integratie op 21 april 2016. [verzoekster] is niet verschenen, na te hebben voorgesteld de afspraak uit te stellen omdat zij van advocaat was gewisseld.

3.16

Op 26 april 2016 is [verzoekster] door haar leidinggevende ( [H] ) uitgenodigd voor een bespreking op 2 mei 2016 over haar re-integratie en een in dat verband opgesteld schema. De uitnodiging voor dat gesprek luidt:
“Vanaf begin maart probeer ik met jou het arbeidskundig rapport te bespreken en om vervolgafspraken te maken over de re-integratie. Dit tot op heden niet gelukt en daarom heb ik nu in overleg met de bedrijfsarts een re-integratieschema opgesteld. In het schema is rekening gehouden met de vastgestelde beperkingen die je op dit moment hebt. (zie bijlage)

(…)
Het traject gaat van start op 2 mei 2011 (…).

Op 8 mei die week start je (…).
Ik vind het van groot belang dat dat jouw re-integratie niet langer wordt uitgesteld. In het kader van de Wet verbetering Poortwachter wil ik aan onze verplichting voldoen. En ik wil je erop wijzen dat jij verplicht bent om aan je eigen re-integratie mee te werken”
Eerdere e-mail correspondentie die binnen ZGG heeft plaatsgevonden over de opstelling van het re-integratie schema is ook toegezonden aan de bedrijfsarts ( [F] ).

3.17

[verzoekster] heeft op deze uitnodiging als volgt gereageerd:

“Met stijgende verbazing nam ik kennis van je mail van 26 april 2016. Ik begrijp, dat in overleg met dr. [F] een re-integratieplan is opgesteld, los van het gegeven dat wij over het plan [E] nog geen overeenstemming hebben.
Graag verneem ik per omgaande van jou de motivering van dr. [F] om van een eerder ingezette lijn (eerst het conflict uit de wereld) af te wijken.
Dit alles gezien in het licht van een conceptrapport [E] , waarover nog geen overeenstemming is bereikt.”

3.18

[H] heeft daarop per e-mail van 28 april 2016 als volgt gereageerd:
“Volgens mij heb ik duidelijk in mijn e-mail uitgelegd dat we het re-integratie traject gaan oppakken. Dit heeft zowel [E] in zijn advies als de bedrijfsarts aangegeven. (…)
Nogmaals ik verwacht je op op maandag 2 mei om 11.00 uur in het [I] ”.

3.19

Op 29 april 2016 heeft [verzoekster] als volgt gereageerd:

“Uw aanhoudende intimidaties zijn genoeg geweest. Ik verzoek u, desnoods sommeer ik u hiermee onmiddellijk te stoppen. Indien u volhardt in uw aanpak, overweeg ik u in gerechte tot een ophouden te bewegen.”

3.20

[verzoekster] is niet op de bespreking van 2 mei 2016 verschenen, waarna ZGG bij brief van die datum aan [verzoekster] heeft geschreven dat zij heeft geconstateerd dat [verzoekster] haar re-integratieverplichtingen niet nakomt en dat haar loon per die dag, 2 mei, is stopgezet.

3.21

Bij brief van 2 juni 2016 heeft ZGG [verzoekster] uitgenodigd voor een bespreking op 7 juni 2016 in, zoals ZGG schrijft, nogmaals een poging om een start te maken met haar re-integratie. Bij e-mail van 5 juni 2016 heeft [verzoekster] te kennen gegeven dat zij wel wil re-integreren, maar dat zij nog steeds vragen heeft. Volgens [verzoekster] is het rapport van [E] nog niet af en heeft zij geen antwoord gekregen op de vraag waarom [F] is afgeweken van zijn eerdere advies dat een arbeidsconflict een re-integratie ernstig in de weg staat.
[verzoekster] is op 7 juni 2016 niet op de bespreking verschenen.

3.22

Bij brief van 17 juni 2016 heeft ZGG aan [verzoekster] laten weten dat zij van mening is dat [verzoekster] haar re-integratie stil legt en dat zij daarover een deskundigenoordeel zal aanvragen.
Op 7 juli 2016 heeft het UWV geoordeeld dat [verzoekster] inderdaad onvoldoende meewerkt aan haar re-integratie.

3.23

Vervolgens is [verzoekster] op 25 juli 2016 opnieuw uitgenodigd voor een bespreking met ZGG op 1 augustus 2016. In die brief heeft ZGG kenbaar gemaakt dat het na de loonstop en het deskundigenoordeel een laatste poging betreft om te re-integreren. Daaraan is toegevoegd dat vergaande maatregelen zullen worden getroffen indien [verzoekster] aan de uitnodiging geen gehoor geeft. Als gespreksonderwerpen worden in de brief onder meer genoemd: de re-integratie en het arbeidsconflict dat [verzoekster] zegt te ervaren. Tevens heeft ZGG geschreven dat [verzoekster] aansluitend wordt verwacht voor overleg met haar nieuwe leidinggevende over, onder meer, het werkschema en de werktijden.

3.24

Bij brief van 29 juli 2016 heeft de (huidige) advocaat van [verzoekster] te kennen gegeven dat [verzoekster] zich bij dat gesprek zal laten vergezellen door haar echtgenoot en [G] . Daarnaast stelt de advocaat in de brief nog een tweetal voorwaarden voor het gesprek, te weten dat het bestaande conflict tussen [verzoekster] en de organisatie dient te worden opgelost en dat de aantijging van het vermeende disfunctioneren moeten worden ingetrokken. Als die twee punten zijn opgelost kan het re-integratietraject aan de orde komen. Verder wordt bericht dat [verzoekster] openstaat voor een mediationtraject.

3.25

Op 1 augustus 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen ZGG en [verzoekster] . Bij die gelegenheid heeft ZGG toegezegd mediation te zullen entameren met betrekking tot het door [verzoekster] ervaren arbeidsconflict. ZGG heeft daaraan toegevoegd dat de mediation niet aan een begin van re-integratie in de weg kon staan en dat beide trajecten naast elkaar van start zouden gaan. [verzoekster] is daar niet mee akkoord gegaan. Zij hield vast aan de door haar gemachtigde gestelde voorwaarden. Zij wenste eerst aan re-integratie te beginnen als het door haar ervaren arbeidsconflict uit de wereld was. Zij is niet op het aansluitend geplande gesprek met haar nieuwe leidinggevende verschenen.

3.26

Bij brief van 2 augustus 2016 is [verzoekster] door ZGG uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de Arbo-Unie op 4 augustus 2016 met mevrouw [J] , met als doel een inventarisatie te maken van de oorzaken van het door [verzoekster] ervaren arbeidsconflict. Tevens wordt zij in de brief uitgenodigd voor een aansluitend afstemmingsoverleg over de inrichting van haar re-integratie activiteiten op 4 augustus, gevolgd door een eerste inzet op de nieuwe afdeling om proefondervindelijk haar arbeidsmogelijkeden in kaart te brengen.

In de brief deelt ZGG [verzoekster] verder mee dat zij van oordeel is dat [verzoekster] zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan redelijke stappen die erop gericht zijn haar in staat te stellen passende arbeid te verrichten, dat de loonstop daarom gecontinueerd wordt, dat zij gehouden is haar medewerking aan haar re-integratie te verlenen en dat bij tekort schieten daarin [verzoekster] rekening dient te houden met ernstige maatregelen.

3.27

Bij brief van 3 augustus 2016 heeft de advocaat van [verzoekster] aan ZGG bericht dat [verzoekster] wel wil meewerken aan haar re-integratie, maar niet onder de door ZGG gedicteerde voorwaarden. Volgens de brief dient de eerste stap te zijn het benoemen van een mediator. [verzoekster] is op 4 augustus 2016 bij de arbodienst noch bij [B] verschenen.

3.28

Op 5 augustus 2016 heeft ZGG [verzoekster] op staande voet ontslagen. De brief vermeldt als grond voor het ontslag:
“(…) Hierbij ontslaan wij u op staande voet. omdat u, ondanks eerdere waarschuwingen, een loonsanctie en een deskundigenoordeel opnieuw geen gehoor heeft gegeven aan de u bij brief van 2 augustus 2016 verstrekte redelijke instructies/opdrachten. Uw tekortkoming betreft zowel het wegblijven van het gesprek met mevrouw [J] als uw verzuim u diezelfde middag te vervoegen bij het [I] in [B] . Beide tekortkomingen vormen (…) zowel tezamen genomen als ieder afzonderlijk, de dringende reden die aan dit ontslagg op staande voet ten grondslag ligt. (…)”1

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht, samengevat:
primair, om het ontslag op staande voet te vernietigen en haar weer toe te laten tot de bedongen arbeid, met veroordeling van ZGG tot doorbetaling van het loon vanaf 2 mei 2016, subsidiair, ZGG te veroordelen tot (a) betaling van een billijke vergoeding conform artikel 7: 681 BW, (b) betaling van het loon vanaf 2 mei 2016 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, dan wel van rechtswege zou zijn geëindigd conform artikel 7:677 lid 2 BW, (c) betaling van de transitievergoeding, (d) verschillende nevenvorderingen,
met veroordeling van ZGG in de kosten van de procedure.

4.2

ZGG heeft verweer gevoerd en als voorwaardelijk tegenverzoek, voor het geval de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt, verzocht, samengevat, de herleefde arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder opzegtermijn en te bepalen dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van de procedure in reconventie.

4.3

[verzoekster] heeft zich tegen het voorwaardelijk tegenverzoek verweerd.

4.4

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van [verzoekster] afgewezen, onder veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [verzoekster] in de proceskosten.
De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat het ontslag op staande voet op goede gronden is gegeven. Aan een beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek is de kantonrechter niet toegekomen.

5 De beoordeling in hoger beroep

in het principaal hoger beroep

5.1

[verzoekster] is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking onder aanvoering van 11 gronden (genummerd I t/m XI), door [verzoekster] grieven genoemd (welke benaming het hof zal volgen).

5.2

In de grieven I t/m IV komt [verzoekster] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet op een goede gronden is gegeven en tegen de door de kantonrechter daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Uit de grieven en de daarop gegeven toelichtingen leidt het hof af dat [verzoekster] de vraag of het aan haar op staande voet gegeven ontslag rechtsgeldig is, in volle omvang aan het hof voorlegt.

5.3

Het hof stelt voorop dat het opzegverbod tijdens ziekte (art. 7:670 lid 1 BW) niet in de weg staat aan ontslag indien de werknemer zonder deugdelijke grond niet meewerkt aan zijn (in artikel 7:660a BW neergelegde) re-integratieverplichtingen, en de werkgever de werknemer schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van die verplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt (art. 7:670a lid 1 BW).

5.4

De re-integratieverplichtingen van een werknemer omvatten onder meer het gevolg geven aan door de werkgever gegeven redelijke voorschriften (art. 7:660a lid 1 aanhef en sub a BW) en het verrichten van passende arbeid (art. 7:660a lid 1 aanhef en sub c BW). Het door een werknemer hardnekkig niet voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten hem door of namens de werkgever gegeven en/of het grovelijk veronachtzamen van de verplichtingen welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt, kunnen voor een werkgever (een) dringende reden(en) vormen voor een ontslag op staande voet (art. 7:678 lid 2 aanhef en sub j. en k. BW). Een dergelijk ontslag kan ook op staande voet gegeven worden indien sprake is van zodanige (bijkomende) daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (art. 7:677 lid 1 BW).

5.5

Het hof stelt vast dat ZGG op 2 mei 2016 het loon van [verzoekster] heeft opgeschort vanwege het niet meewerken aan haar re-integratie en dat ZGG voorafgaand daaraan [verzoekster] ook heeft gemaand tot het nakomen van haar verplichtingen (zie de vaststaande feiten onder 3.16e.v.). Aan het ontslag op staande voet heeft ZGG ten grondslag gelegd dat [verzoekster] herhaaldelijk niet heeft voldaan aan haar gegeven redelijke instructies om gesprekken te voeren over haar re-integratie en het aanvangen van passende werkzaamheden gericht op haar re-integratie. Het ontslag is verder (onbetwist) ook onverwijld gegeven na de weigering van [verzoekster] om op 4 augustus 2016 op gesprekken te verschijnen.
Aan de voorwaarden, gronden en vereisten voor een ontslag op staande voet wegens het niet meewerken door een (zieke) werknemer aan zijn re-integratie is daarmee op zichzelf voldaan.

5.6

Bij de beantwoording van de vraag of de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen daadwerkelijk als dringend in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW hebben te gelden, dienen echter alle omstandigheden van het geval, bezien in onderling verband en samenhang, te worden afgewogen. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedraging, maar moeten ook de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, in de afweging worden betrokken. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag voor hem zal hebben. Ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (HR 21 januari 2000; ECLI:NL:HR:2000:AA4436 en HR 20 april 2012; ECLI:NL:HR:2012:BV9532).

5.7

Het geschil spitst zich in dit geval toe op de vraag of de door ZGG aan [verzoekster] herhaaldelijk gegeven instructies om te verschijnen op gesprekken om te overleggen over haar re-integratie en het aanvangen met het verrichten van passende werkzaamheden, wel redelijk waren.

5.8

Gelet op de verplichting die op een werkgever rust om de re-integratie van een werknemer te bevorderen (art. 7:658a BW) is voor het hof uitgangspunt dat uitnodigingen voor gesprekken over re-integratie in beginsel redelijke instructies vormen en dat een werknemer gelet op diens verplichting om medewerking te verlenen aan de re-integratie, in beginsel gehouden is om aan dergelijke uitnodigingen gevolg te geven.
Het verweer van [verzoekster] komt erop neer dat in dit geval die instucties niet redelijk waren, omdat de bedrijfsarts in zijn bericht van 26 februari 2016 (zie 3.8) heeft aangegeven dat pas met re-integratie kon worden begonnen, nadat eerst het arbeidsconflict was opgelost. Volgens [verzoekster] heeft ZGG die instructie naast zich neergelegd. Daarnaast betwist [verzoekster] dat zij opvolging van de instructies om op gesprek te komen stelselmatig geweigerd heeft. Volgens haar had zij telkens een reden om niet te komen en heeft zij die ook telkens vooraf meegedeeld aan ZGG.
ZGG heeft daartegenover betwist dat sprake was van een arbeidsconflict. Het vermelden door [verzoekster] van redenen voor het niet verschijnen op gesprekken doet er voor haar verder niet aan af dat wel sprake was van weigeringen.

5.9

Met betrekking tot het door [verzoekster] gestelde arbeidsconflict overweegt het hof als volgt.

ZGG heeft aangevoerd dat haar niet duidelijk was op welk conflict [verzoekster] in februari 2016 doelde (verweerschrift in hoger beroep sub 16). Zij heeft gesteld dat volgens de brief van haar advocaat van 29 juli 2016 (rov 3.22) er een conflict bestond tussen [verzoekster] en de organisatie. In het verzoekschrift in hoger beroep voert zij onder randnummer 52 aan dat zij een onveilig gevoel ervoer binnen de gehele organisatie. Of dit betekent dat zij een conflict had met de gehele organisatie heeft zij niet toegelicht. Volgens randnummer 34 van het verzoekschrift in hoger beroep was er evenwel een conflict met [K] en [L] . In het verzoekschrift in eerste aanleg wordt melding gemaakt van een conflict met P&O (vindplaats?, Volgens verweerschrift in appel: verzoekschrift in prima productie 46). Desgevraagd heeft [verzoekster] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep als onderbouwing van het arbeidsconflict aangevoerd dat ZGG het vertrouwen in haar zou hebben opgezegd; volgens [verzoekster] werd haar disfunctioneren verweten en twijfelde ZGG aan de ernst van haar ziekmelding op 5 maart 2015. Verder werd zij volgens haar voorafgaand aan haar uitval in maart 2015 gepest op het werk.

Uit de omstandigheid dat ZGG het functioneren van [verzoekster] onder de maat zou hebben gevonden en (kort) na haar ziekmelding op 5 maart 2015 aan [verzoekster] heeft gevraagd om een medische verklaring dat zij niet tot reizen in staat was, kan naar het oordeel van het hof, objectief bezien, echter nog niet worden afgeleid dat ZGG het vertrouwen in [verzoekster] zou hebben opgezegd, en dat ook in de beleving van ZGG een conflict met [verzoekster] bestond. Een werkgever heeft het recht om het functioneren van een werknemer (kritisch) te beoordelen en om de mate van arbeidsongeschiktheid te verifiëren. Als een werkgever dat doet is daarmee, objectief bezien, nog niet sprake van een arbeidsconflict. Verder heeft [verzoekster] haar stelling dat zij op het werk werd gepest niet onderbouwd met gegevens waaruit kan blijken waaruit dit pesten bestond, wie daarbij betrokken waren en of en zo ja wanneer zij ZGG daarvan in kennis heeft gesteld. Het hof overweegt voorts dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit, geobjectiveerd, kan worden afgeleid dat tussen ZGG en [verzoekster] inderdaad sprake was van een arbeidsconflict. Dat neemt niet weg dat het ZGG uit de vermelding in het plan van aanpak van 29 juli 2015 en uit de vermelding in het bericht van de arboarts van 26 februari 2016 dat sprake was van een arbeidsconflict, wel duidelijk had moeten zijn dat in de beleving van [verzoekster] wél sprake was van een arbeidsconflict.

[verzoekster] heeft evenwel kennelijk aan ZGG geen duidelijkheid kunnen verschaffen wat de inhoud van het arbeidsconflict was en/of met wie zij een arbeidsconflict ervoer. Voor zover sprake zou zijn van een conflict met een van de voornoemde personen had het op de weg van [verzoekster] gelegen om dit nader te concretiseren. Dit heeft zij nagelaten. In elk geval stuit haar bezwaar, als dit betrekking zou hebben op haar laatste leidinggevende, af op de bereidheid van ZGG om haar te laten re-integreren op een andere werkplek en onder een andere leidinggevende. Het hof is van oordeel dat het op de weg van [verzoekster] had gelegen om in gesprek te gaan met de werkgever om tenminste duidelijkheid te kunnen verkrijgen omtrent de inhoud van het arbeidsconflict en/of welke personen het betrof. Dit was ook expliciet de insteek van het verzoek van ZGG om een gesprek aan te gaan met mevrouw [J] van Arbo-unie. [verzoekster] heeft daarvan evenwel afgezien, terwijl dit juist op haar weg had gelegen. Weliswaar kan haar worden toegegeven dat er enige onduidelijkheid zou kunnen bestaan omtrent de (toekomstige) status van mevrouw [J] - ZGG heeft aangegeven dat zij mogelijkerwijs ook als mediator zou kunnen optreden - maar dit kan geen deugdelijke grond opleveren voor [verzoekster] om niet op zijn minst het gesprek met deze persoon, die buiten de organisatie van de werkgever staat en in zoverre als onafhankelijk moet worden beschouwd, aan te gaan. ZGG mocht immers verwachten dat het beweerdelijke arbeidsconflict handen en voeten zou worden gegeven. De enkele stelling dat gezien het feit dat ZGG bekend was met het onveilige gevoel van [verzoekster] binnen de gehele organisatie en herplaatsing op een andere afdeling niet zinvol te achten was en zij om die reden met [verzoekster] eerst in gesprek diende te gaan om (verzoekschrift in hoger beroep sub 5) het arbeidsconflict op te lossen, is zonder een nadere toelichting die ontbreekt ontoereikend. Een dergelijk gesprek kan alleen zinvol zijn wanneer duidelijk wat in de visie van [verzoekster] het arbeidsconflict inhoudt. [verzoekster] heeft daaraan echter haar medewerking niet willen verlenen. Het hof is daarom niet van oordeel dat het door [verzoekster] ervaren arbeidsconflict ZGG er toe had moeten brengen anders te handelen dan zij heeft gedaan.

Het hof betrekt bij dit oordeel nog het navolgende. In de eerste plaats wordt opgemerkt dat ook in de eerdere ziekteperiode in de beleving van [verzoekster] sprake was geweest van een arbeidsconflict, maar dat dit toen niet aan een (verdere) re-integratie van haar in de weg heeft gestaan. Daarnaast wordt het volgende overwogen. [verzoekster] baseert haar categorische weigering om verder te spreken over de re-integratie louter op de veronderstelde dwingende volgordelijkheid in het advies van de arboarts [F] ; eerst oplossing van het arbeidsconflict en pas dáárna re-integratie. Los van de vraag of een dergelijke dwingende volgordelijkheid daarin moet worden gelezen, hetgeen immers een kwestie van interpretatie is, is het hof van oordeel dat in het licht van het vorenstaande [verzoekster] daaraan niet onverkort kon blijven vasthouden. Het advies dateert immers van 25 januari 2016 en in de loop van het voorjaar hebben een groot aantal gebeurtenissen en contacten tussen partijen plaatsgevonden, zoals hiervoor weergegeven onder randnummers 3.9 en volgende. Er kan dan niet zonder meer van worden uitgegaan dat in augustus 2016 deze situatie gelijk was aan de situatie in februari 2016. ZGG heeft ook aangegeven dat arboarts [F] zich inmiddels had verenigd met het door ZGG opgestelde re-integratieplan en dat dit niet in de weg zou staan aan re-integratie, waaruit het hof afleidt dat hij kennelijk op zijn advies was teruggekomen. [verzoekster] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep bij haar tweede termijn aangevoerd dat haar bij navraag is gebleken dat [F] geweigerd heeft mee te werken aan het re-integratieplan en heeft aldus de stelling van ZGG bestreden, zodat het hof niet zonder meer van die stelling kan uitgaan, hoewel enige onderbouwing door [M] van haar stelling achterwege is gebleven. In elk geval is niet gebleken dat [verzoekster] op haar beurt, alvorens in haar categorische weigering te volharden, in/omstreeks augustus 2016 contact heeft gezocht met de arbo-arts om te verifiëren of hij bij zijn eerder ingenomen standpunt was gebleven in het licht van de pogingen van ZGG om met [verzoekster] in gesprek te komen. Dit had te meer op haar weg gelegen nu op 7 juli 2016 het UWV had bevestigd dat [verzoekster] onvoldoende heeft meegewerkt aan haar re-integratie. [verzoekster] had moeten beseffen dat haar categorische weigering om in gesprek te gaan in elk geval op dat moment niet zonder meer houdbaar was.

Aldus is het hof van oordeel dat ZGG niet had hoeven te wachten met re-integratie totdat eerst het door [verzoekster] ervaren arbeidsconflict opgelost zou zijn en dat zij redelijkerwijs verdere stappen mocht zetten in het re-integratietraject, in de vorm van uitnodigingen voor gesprekken, zonder dat eerst het door [verzoekster] ervaren arbeidsconflict was opgelost.
Daar komt bij dat de uitnodigingen die ZGG aan [verzoekster] heeft gestuurd voor gesprekken alleszins de ruimte overlieten om daarin ook het door [verzoekster] ervaren arbeidsconflict te bespreken. In het (door [verzoekster] afgebroken) gesprek van 1 augustus 2016 is dat conflict ook expliciet ter sprake gekomen en heeft ZGG ook ingestemd met mediation.

5.10

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [verzoekster] ten onrechte heeft geweigerd om vanwege het door haar ervaren arbeidsconflict in te gaan op de aan haar gerichte uitnodigingen om te komen praten en heeft zij daardoor niet voldaan aan de op haar rustende verplichting om mee te werken aan haar re-integratie. Daaraan doet niet af dat [verzoekster] voor het niet verschijnen op die gesprekken telkens vooraf (wisselende) redenen heeft opgegeven.

5.11

Het hof komt aldus tot de slotsom dat de instructies van ZGG aan [verzoekster] om te verschijnen voor gesprekken over haar re-integratie redelijk waren, maar dat [verzoekster] hardnekkig en zonder gegronde reden heeft geweigerd om daaraan te voldoen.
Het hof is verder van oordeel dat, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, zoals benoemd in r.o. 5.6, het niet verschijnen van [verzoekster] op het gesprek van 4 augustus 2016 voor ZGG de druppel kon vormen die haar emmer deed overlopen, en haar (dus) een voldoende reden gaf voor het ontslag op staande voet, temeer nu ZGG op 1 augustus 2016 nog had ingestemd met het voorstel van [verzoekster] voor mediation. Daaraan doet niet af dat ZGG haar loonbetaling reeds had stopgezet op 2 mei 2016.

De houding die [verzoekster] in de periode na de totstandkoming van het arbeidskundig rapport van [E] jegens ZGG heeft aangenomen, met name het stellen van voorwaarden aan haar medewerking aan re-integratie en (tot slot) aan mediation, acht het hof ongepast en geeft blijk van een ernstig tekort schietend besef bij [verzoekster] van het gezag dat in een arbeidsverhouding en (ook) in een re-integratietraject toekomt aan de werkgever.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] nog aangevoerd dat zij niet is verschenen op 4 augustus 2016, omdat zij zich onveilig voelde. Indien dit al daadwerkelijk de reden mocht zijn geweest -de voorafgaande correpondentie van de zijde van [verzoekster] biedt daarvoor geen aanknopingspunt- dient dat in de verhouding tussen partijen voor rekening en risico van [verzoekster] gelaten te worden, nu voor het hof uit het dossier niet naar voren komt dat een dergelijk gevoel van onveiligheid, objectief bezien, door gedragingen en uitlatingen van ZGG gerechtvaardigd was.
Andere omstandigheden, waaruit zou moeten worden afgeleid dat [verzoekster] haar opstelling jegens ZGG in het re-integratietraject niet of in verminderde mate kan worden toegerekend, zijn verder niet aangevoerd en het hof evenmin gebleken.
De grieven I tot en met IV falen.

5.12

In het oordeel dat ZGG [verzoekster] op goede grond op staande voet heeft ontslagen, ligt besloten dat grief V, die zich keert tegen de afwijzing door de kantonrechter van het (subsidiaire) verzoek om een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW, faalt.
Dit geldt eveneens voor grief VI, die is gericht tegen de afwijzing van de loonvordering voorzover die betrekking heeft op de periode na het ontslag.

5.13

Grief VII is gericht tegen de afwijzing van de loonvordering over de periode van 2 mei 2016 tot de datum van ontslag. [verzoekster] heeft bij haar vordering echter niet gevoegd een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW, omtrent de nakoming door haar van haar re-integratieverplichtingen. Gesteld noch gebleken is dat het overleggen van een dergelijke verklaring in redelijkheid niet van [verzoekster] gevergd zou kunnen worden. Het ontbreken daarvan klemt in dit geval nog eens extra nu het UWV op 7 juli 2016 nog heeft geoordeeld dat [verzoekster] haar re-integratieverplichtingen niet is nagekomen. Grief VII is derhalve ongegrond.

5.14

Grief VIII bestrijdt het oordeel van de kantonrechter dat [verzoekster] geen transitievergoeding toekomt. Het hof is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen over het (terecht) op staande voet gegeven ontslag, met de kantonrechter van oordeel dat het ontslag moet worden geweten aan ernstig verwijtbaar gedrag van [verzoekster] , zodat op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 7 onder c BW ZGG de transitievergoeding niet verschuldigd is.

5.15

Het oordeel dat [verzoekster] geen aanspraken heeft jegens ZGG tot betaling van loon en/of een transitievergoeding, sluit in zich dat grief IX, die zich richt tegen de afwijzing door de kantonrechter van wettelijke verhoging en rente, afgifte van loonspecificaties en toewijzing van buitengerechtelijke kosten, faalt.

5.16

Nu de kantonrechter de verzoeken en vorderingen van [verzoekster] op goede grond heeft afgewezen, is [verzoekster] in eerste aanleg terecht in de kosten van de procedure veroordeeld. De daartegen gerichte grief X faalt derhalve.

5.17

Grief XI betreft een verzamelgrief, waaraan naast de hiervoor besproken grieven geen zelfstandige betekenis toekomt.

in het voorwaardelijk incideneel beroep

5.18

Aan een beoordeling van het voorwaardelijk ingesteld hoger beroep komt het hof niet toe, nu de voorwaarde waaronder dat beroep is ingesteld, niet is vervuld.

Het hof acht verder geen grond aanwezig om een afzonderlijke kostenveroordeling uit te spreken terzake het voorwaardelijk incidenteel appel, gelet op de verwevenheid tussen het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel.

6. De slotsom

6.1

De grieven worden allen verworpen. Het hoger beroep faalt derhalve.

6.2

Het hof zal [verzoekster] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van ZGG zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten, tarief II in hoger beroep).

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep van [verzoekster] ;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van dit hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van ZGG vastgesteld op € 716,- voor griffierecht en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. O.E. Mulder, mr. P.L.R. Wefers Bettink en

mr. M.F.J.N. van Osch en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 september 2017.

1 Prod. 49 verweerschrift e.a.