Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7895

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
200.204.919/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag. Heftige ouderstrijd die al meer dan tien jaar duurt. Klem of verloren criterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.204.919/01

(zaaknummers rechtbank C/16/404266 / FL RK 15-2673 en C/16/404262 / FL RK 15-2672)

beschikking van 7 september 2017

inzake


[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het hoger beroep,

verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.V.S. van Baarle te Utrecht,


en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E. Uijt de boogaardt te Lelystad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Almere,

verder te noemen: de GI,

2. [de bijzondere curator] ,

kantoorhoudend te [C] ,

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 17 januari 2017 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de rapportage van de bijzondere curator van 3 april 2017;

- een journaalbericht van mr. Van Baarle van 26 april 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Uijt de boogaardt van 2 mei 2017 met productie(s);

- het verweerschrift met productie(s).

1.3

Op 13 juli 2017 is de minderjarige [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2004 in de gemeente [D] , verschenen, die buiten aanwezigheid van de belanghebbenden door het hof is gehoord.

1.4

Op 13 juli 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voorts is verschenen de bijzondere curator.

2 De vaststaande feiten

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad die in 2004 is verbroken.

2.2

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2000 in de gemeente [D] , en [de minderjarige1] , voornoemd.

Na het uiteengaan van partijen hadden beide kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder. [de minderjarige2] woont sinds juli 2014 bij de vader.

2.3

[de minderjarige2] en [de minderjarige1] hebben in de periode vanaf 2007 tot 15 maart 2017 (verschillende malen) onder toezicht gestaan.

2.4

Bij beschikking van 25 juni 2009 is tussen de vader en de kinderen een omgangs-regeling vastgesteld van eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 16:00 uur tot zondag 17:00 uur en de helft van de feest- en vakantiedagen.

2.5

Bij beschikking van 8 maart 2016 is, voor zover hier van belang, bepaald dat het gezag over [de minderjarige2] voortaan mede aan de vader toekomt en dat [de minderjarige2] zijn hoofdverblijfplaats voortaan bij de vader heeft.

3 De motivering van de beslissing

3.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van

17 januari 2017, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

3.2

Bij die tussenbeschikking is in het kader van een pilot "complexe scheidingen" [de bijzondere curator] tot bijzondere curator benoemd over de minderjarige [de minderjarige1] . De bijzondere curator is verzocht om vanuit het belang van [de minderjarige1] te adviseren ten aanzien van de

te nemen beslissingen omtrent het gezag over [de minderjarige1] , haar hoofdverblijfplaats en de omgangsregeling met de vader. De bijzondere curator heeft zijn bevindingen neergelegd in de rapportage van 3 april 2017.

Ten aanzien van het gezag

3.3

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.4

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige1] te achten is dat partijen gezamenlijk met het gezag over haar worden belast.

3.5

Zoals ook uit de rapportage van de bijzondere curator naar voren is gekomen, bevinden partijen zich nog immer in een heftige ouderstrijd die al meer dan tien jaar voortduurt. De verhouding tussen partijen is ernstig verstoord en er is geen enkele constructieve communicatie tussen hen mogelijk. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt evenwel niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag slechts bij één van de ouders blijft. Het hof is echter van oordeel dat in deze zaak de bestaande communicatieproblemen tussen de ouders zodanig ernstig zijn dat invulling van het gezag door beide ouders niet mogelijk is. Wanneer de ouders gezamenlijk belast zouden worden met het gezag over [de minderjarige1] bestaat er een onaanvaardbaar risico is dat zij (nog meer) klem of verloren raakt tussen de ouders.

Hierin is voorlopig geen verandering te verwachten, waarbij het hof in aanmerking neemt dat in de afgelopen jaren verschillende pogingen om de communicatie op gang te brengen zijn gestrand en dat het ook in het kader van de ondertoezichtstelling(en) niet is gelukt om de ouders nader tot elkaar te brengen. Er bestaat gegronde vrees dat, wanneer de ouders met elkaar in overleg zullen moeten treden over zaken die de opvoeding en verzorging van [de minderjarige1] betreffen, de strijd tussen hen verder zal oplaaien, zo is ook het hof van oordeel. Bovendien blijkt dat [de minderjarige1] , doordat zij vanaf jonge leeftijd door de ouders in hun strijd is betrokken, al klem zit tussen haar ouders waardoor zij niet de ruimte heeft om met beide ouders contact te hebben. Zoals [de minderjarige1] zelf aangeeft, en ook de raad voor de kinderbescherming bij de rechtbank en de bijzondere curator hebben aangeven, is [de minderjarige1] op dit moment gebaat bij rust, die zij in de huidige situatie, waarin alleen de moeder met het gezag over haar is belast, ervaart. Om die reden komt het hof niet toe aan een beoordeling van het verzoek van de vader, zoals door hem gedaan in zijn reactie op de rapportage van

de bijzondere curator, om een deskundige op het gebied van ouderverstoting aan te stellen.

Ten aanzien van het hoofdverblijf

3.6

Indien tussen ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen een geschil ontstaat met betrekking tot het hoofdverblijf van hun kind, kan dat geschil op grond van artikel 1:253a BW aan de rechter worden voorgelegd. De rechter kan een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag die de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft kan omvatten.

3.7

Nu het hof het verzoek van de vader om hem tevens te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] zal afwijzen en van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag derhalve geen sprake is, heeft het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige1] bij hem te bepalen geen wettelijke grond en zal dit dan ook worden afgewezen.

Ten aanzien van de omgang

3.8

In het algemeen is het in het belang van een kind dat het ook contact heeft met de ouder bij wie het niet zijn gewone verblijfplaats heeft.

3.9

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het door de moeder gedane verzoek

om de vader het recht op omgang met [de minderjarige1] (tijdelijk) te ontzeggen afgewezen en heeft hiertoe overwogen het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te achten dat zij contact met elkaar en hun ouders houden. De rechtbank heeft hierop de beschikking van 25 juni 2009 gewijzigd en heeft bepaald dat de omgang tussen [de minderjarige1] en de vader, alsmede tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en [de minderjarige2] en de moeder op aanwijzing en onder regie van de jeugdhulpverlener zal plaatsvinden, minimaal één uur per maand begeleid.

3.10

Het hof zal het verzoek van de vader om te bepalen dat de moeder gehouden is het contact tussen [de minderjarige1] en hem te bewerkstelligen conform artikel 1:377a en b BW, waarbij de moeder gehouden is de beschikking van 25 juni 2009 uit te voeren, afwijzen.

Het hof acht een uitgebreidere omgangsregeling niet in het belang van [de minderjarige1] .

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [de minderjarige1] - als gevolg van de heftige strijd tussen de ouders - niet in staat is om onbelast contact met de vader te hebben. Er is al meer dan een jaar geen contact tussen [de minderjarige1] en de vader. De raad voor de kinderbescherming heeft in het kader van zijn advies ter zake de beëindiging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] (en [de minderjarige2] ) aangegeven dat het voor de kinderen meer belastend is en meer spanning oplevert om ze vanuit de ondertoezichtstelling te dwingen tot contact met de andere ouder, dan het accepteren van de huidige situatie waarin de kinderen geen contact hebben met de ouder bij wie zij niet verblijven. [de minderjarige1] , die inmiddels dertien jaar is, heeft zowel bij de bijzondere curator als in het kindgesprek uitdrukkelijk aangegeven dat zij geen contact met de vader wenst, dat zij wil dat er naar haar geluisterd wordt en dat zij zich (door de vader) onder druk gezet voelt. Het hof acht de kans groot dat bij het opleggen van een uitgebreider contact tussen [de minderjarige1] en de vader hun relatie nog verder beschadigd zal raken.

Het is onder genoemde omstandigheden de vraag of omgang tussen de vader en [de minderjarige1] op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige1] . Nu de moeder echter geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot ontzegging van de omgang tussen de vader en [de minderjarige1] en de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling, ligt deze vraag niet ter beoordeling in hoger beroep voor

en zal het hof de beschikking van de rechtbank (ook) ten aanzien van de daarin vastgestelde omgangsregeling bekrachtigen. Het hof merkt ten overvloede op het in het belang van [de minderjarige1] te achten dat de vader het contact met haar niet afdwingt, maar dat hij afwacht

tot [de minderjarige1] - zoals zij zelf aangeeft - sterk genoeg is om tot contact met hem te kunnen

en willen komen.

4 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van

24 augustus 2016, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, I.M. Dölle en M.A.L.M. Willems, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 7 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.