Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7888

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
200.202.698/01 en 200.202.700/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind of curatele?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.202.698/01 en 200.202.700/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, 5129583 VO VERZ 16-950 en 4970147 VO 16-573)

beschikking van 5 september 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. G.L. van der Heide-Brink te Drachten,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerder] .

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de bewindvoerder] B.V.,

kantoorhoudend te [B] ,

verder te noemen: [de bewindvoerder] B.V.,

2 [de vader] ,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de vader (van betrokkene),

3 [de zus] ,

wonende te [D] ,

verder te noemen: de zus (van betrokkene).

1 Het geding in eerste aanleg

In zaak 200.202.698/01:

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 1 augustus 2016 uitgesproken onder zaaknummer 5129583 VO VERZ 16-950.

In zaak 200.202.700/01:

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 1 augustus 2016 uitgesproken onder zaaknummer 4970147 VO 16-573.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in zaak 200.202.698/01 blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 oktober 2016;

- een journaalbericht van mr. Van der Heide-Brink van 7 november 2016 met producties;

- een brief van 24 november 2016 van de rechtbank Noord-Nederland met als bijlage het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 18 juli 2016.

2.2

Het verloop van de procedure in zaak 200.202.700/01 blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 oktober 2016;

- een journaalbericht van mr. Van der Heide-Brink van 7 november 2016 met producties;

- een brief van 7 maart 2017 van [verweerder] met bijlage;

- een brief van 14 maart 2017 van het hof;

- een brief van 30 maart 2017 van het hof;

- een brief van 3 april 2017 van [verweerder] ;

- een brief van 4 april 2017 van de vader;

- een ongedateerde brief van de zus, ingekomen op 5 april 2017;

- een journaalbericht van 5 april 2017 van mr. Van der Heide-Brink;

- een brief van 12 april 2017 van mr. Van der Heide-Brink met producties;

- de beschikking van het hof van 9 mei 2017 (zaaknummer 200.202.700/01) betreffende een voorlopige voorziening.

2.3

De mondelinge behandeling van de beide zaken heeft op 30 mei 2017 plaatsgevonden. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Voorts is [verweerder] verschenen. Namens [de bewindvoerder] B.V. zijn verschenen de heer [E] en mevrouw [F] . Ten slotte zijn ook de zus en de vader van betrokkene verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Betrokkene is geboren [in] 1974.

3.2

Op verzoek van betrokkene en zijn vader zijn de goederen van betrokkene bij beschikking van 9 juli 2015 onder bewind gesteld. [verweerder] is daarbij tot bewindvoerder benoemd.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 31 maart 2016, heeft [verweerder] verzocht –naar het hof begrijpt- om betrokkene onder curatele te stellen, zodat het bewind zal eindigen, en [verweerder] te benoemen tot curator. Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 2 juni 2016, heeft betrokkene verzocht om [verweerder] te ontslaan als bewindvoerder en [de bewindvoerder] B.V. tot opvolgend bewindvoerder te benoemen. Beide verzoeken zijn behandeld ter zitting van de kantonrechter van 18 juli 2016. Betrokkene is toen niet verschenen.

3.4

Bij de bestreden beschikking in zaaknummer 4970147 VO 16-573 heeft de kantonrechter betrokkene wegens een geestelijke toestand onder curatele gesteld (waardoor het bewind van rechtswege is geëindigd) en [verweerder] tot curator benoemd. Bij afzonderlijke - eveneens bestreden - beschikking in zaaknummer 5129583 VO VERZ 16-950 heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene om [verweerder] te ontslaan als bewindvoerder en een opvolgend bewindvoerder te benoemen afgewezen.

3.5

Bij beschikking van 9 mei 2017 heeft het hof een voorlopige voorziening getroffen en met ingang van de dag na de datum van die beschikking [verweerder] ontslagen als curator en [de bewindvoerder] B.V. tot opvolgend curator benoemd, en bepaald dat deze voorziening geldt tot het hof een definitieve beslissing zal hebben gegeven in de beide hoofdzaken.

4 De omvang van het geschil

4.1

Betrokkene is bij afzonderlijk beroepschrift tegen beide beslissingen in beide zaken met één grief in hoger beroep gekomen en heeft verzocht - kort gezegd - beide beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende [verweerder] ontslag als bewindvoerder te verlenen, met benoeming van [G] , werkzaam bij [de bewindvoerder] B.V. tot opvolgend bewindvoerder.

4.2

[verweerder] heeft mondeling verweer gevoerd tegen het verzoek in hoger beroep waar het de ondercuratelestelling betreft. [verweerder] heeft voorts laten weten niet langer als curator/bewindvoerder voor betrokkene te willen optreden.

4.3

De vader en de zus van betrokkene kunnen zich vinden in de verzoeken van betrokkene.

5 De motivering van de beslissing

Curatele of bewind

5.1

Ingevolge artikel 1:378 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een meerderjarige door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, wanneer hij tijdelijk of duurzaam zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. gewoonte van drank- of drugsmisbruik,

en een voldoende behartiging van die belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd.

5.2

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

5.3

Dat bij betrokkene sprake is van een bipolaire stoornis staat in deze procedure niet ter discussie. Betrokkene heeft daarbij zelf aangegeven dat deze stoornis blijvend van aard is en dat hij daardoor zijn uitgaven niet altijd onder controle heeft. Niet in geschil is aldus, dat betrokkene door zijn geestelijke toestand zijn vermogensrechtelijke belangen niet voldoende kan behartigen en dat een beschermingsmaatregel voor hem nodig is.

5.4

Betrokkene heeft aangeboden recente informatie van de GGZ over hem in het geding te brengen, waaruit zal blijken dat hij regelmatig gesprekken voert bij de GGZ, de voorgeschreven medicatie gebruikt en dat het goed met hem gaat. Het hof acht dit niet nodig en acht zich op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om een beslissing over deze zaak te kunnen nemen. Voor het hof is onvoldoende vast komen te staan dat bewind de belangen van betrokkene onvoldoende zal beschermen of waarborgen. Het hof ziet - anders dan [verweerder] - daartoe geen dan wel onvoldoende objectieve redenen aanwezig. Het hof is er niet van overtuigd dat betrokkene bij behoud van zijn handelingsbekwaamheid daarvan misbruik zal maken en een goed financieel beheer door de bewindvoerder zal belemmeren.

Het is waar dat betrokkene op 21 januari 2016 een bedrag van ruim € 2.500,- wegens afkoop van zijn pensioen heeft ontvangen en dat bedrag zonder instemming van [verweerder] (onder meer) heeft besteed aan een reis. Ter zitting heeft betrokkene daarover opgemerkt dat dit fout is geweest, maar dat hij in die periode nog niet goed op zijn (nieuwe) medicatie was ingesteld, waardoor hij niet stabiel was. Onweersproken is dat er sindsdien geen sprake meer is geweest van een dergelijke instabiliteit. De huidige medicijnen werken goed en hij durft daarmee - uit angst voor een terugval - ook niet te stoppen, aldus betrokkene. De drugsproblematiek die betrokkene heeft gekend en die in het verleden voor instabiliteit heeft gezorgd, is sinds 2013 onder controle. Hij is sindsdien uitbehandeld bij VNN, maar heeft wel contact met de GGZ waar hij regelmatig en zo nodig wekelijks gesprekken heeft. [verweerder] heeft weliswaar gewezen op belastingschulden die betrokkene heeft maar dit betreffen geen nieuwe schulden die betrokkene tijdens het bewind heeft gemaakt.

De door [verweerder] geuite vrees dat betrokkene bij een onderbewindstelling - anders dan bij een ondercuratelestelling - zelf een bankrekening zal openen, is door betrokkene weersproken en is naar het oordeel van het hof ook niet op feiten gebaseerd, nu niet is gesteld dat betrokkene hier op enig moment pogingen toe heeft ondernomen.

[verweerder] heeft verder gewezen op het feit dat op de leefgeldrekening nog een onverwachte teruggave van de energieleverancier is binnengekomen, inkomsten die op de beheerrekening thuishoren en niet op de rekening voor het leefgeld van betrokkene. Het hof vertrouwt er evenwel op dat dergelijke inkomsten niet meer op de leefgeldrekening binnen kunnen komen wanneer alle schuldeisers en betrokken instanties door [de bewindvoerder] B.V. zijn aangeschreven zodat alle post voortaan naar [de bewindvoerder] B.V. zal gaan in plaats van naar betrokkene, een en ander zoals bij een professioneel curator/bewindvoerder zoals [de bewindvoerder] B.V. gebruikelijk is. Een ondercuratelestelling is derhalve niet nodig om een dergelijke geldstroom op de leefgeldrekening te voorkomen. Ditzelfde geldt ook voor de ter zitting genoemde omstandigheid dat betrokkene € 160,- van de ANWB ontving op de leefgeldrekening in verband met een door betrokkene opgezegde verzekering.

5.5

De vraag is nog gerezen of het bewind voldoende bescherming biedt wanneer in de toekomst een erfenis van de vader vrijkomt. Ter zitting is in dat verband door de zus van betrokkene onweersproken gesteld dat daarvoor voorzieningen bij de notaris zijn getroffen. Het hof heeft geen reden om aan die stelling te twijfelen en het hof vertrouwt er voorts op dat [de bewindvoerder] B.V. hierover nog de nodige informatie zal ontvangen en daar adequaat mee zal weten om te gaan.

5.6

Het hof komt aldus tot de overtuiging dat bij inzet van een professioneel bewindvoerder met een beschermingsbewind een voldoende behartiging van de belangen van betrokkene zal kunnen worden bereikt. Naar het oordeel van het hof kan dan ook met een minder verstrekkende maatregel dan curatele worden volstaan, zodat de bestreden beschikking (zaaknummer rechtbank 4970147 VO 16-573) dient te worden vernietigd en het inleidend verzoek van [verweerder] alsnog dient te worden afgewezen waardoor het eerder ingestelde bewind herleeft. Het hof wijst er daarbij op dat op grond van het bepaalde in artikel 1:384 BW de taak van de curator echter pas daags na deze uitspraak een einde neemt.

De bewindvoerder

5.7

[verweerder] heeft onder meer bij brief van 7 maart 2017 het hof er op gewezen dat de situatie ten aanzien van de curatele - de uitvoering van zijn taken als curator - voor hem onwerkbaar is geworden. Dit heeft ertoe geleid dat het hof bij beschikking van 9 mei 2017 voornoemde voorlopige voorziening heeft getroffen. Het is het hof op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting duidelijk geworden dat [verweerder] gedurende langere tijd belangrijk en ondersteunend is geweest voor betrokkene, onder meer als interimmanager in het bedrijf van betrokkene. Echter door zijn rol als bewindvoerder en nadien als curator is de onderlinge verstandhouding veranderd en is de samenwerking moeizaam geworden.

Daarmee is tussen partijen niet langer in geschil dat [verweerder] niet (meer) in staat is zijn werkzaamheden als curator, dan wel bewindvoerder naar behoren te verrichten. [de bewindvoerder] B.V. heeft over een mogelijk bewindvoerderschap ter zitting opgemerkt dat zij, indien de maatregel van onderbewindstelling verantwoord wordt geacht, hiertoe bereid is. Nu ook belanghebbenden geen inhoudelijke bezwaren tegen die benoeming kenbaar hebben gemaakt terwijl het hof evenmin (anderszins) is gebleken van gegronde redenen die zich tegen deze benoeming tot bewindvoerder verzetten, zal het hof aldus beslissen. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking (zaaknummer rechtbank 5129583 VO VERZ 16-950) vernietigen en het inleidend verzoek, voor zover het de benoeming van [de bewindvoerder] B.V. als opvolgend bewindvoerder betreft, toewijzen, met dien verstande dat, gelet op de werking van het eerder genoemde artikel 1:384 BW, [de bewindvoerder] B.V. met ingang van de dag na deze beschikking tot bewindvoerder zal worden benoemd.

5.8

Op grond van het bepaalde in artikel 1:390 en 1:391 BW zal het hof bepalen dat deze uitspraak in de Staatscourant bekend wordt gemaakt en door de griffier wordt ingeschreven in het openbare centraal curatele- en bewindregister.

6 De slotsom

Uit het vorengaande volgt dat de grieven slagen en dat de bestreden beschikkingen zullen worden vernietigd.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

zaaknummer 200.202.700/01:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 1 augustus 2016 uitgesproken onder zaaknummer 4970147 VO 16-573, en opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek tot ondercuratelestelling alsnog af zodat het op 9 juli 2015 ingestelde bewind herleeft;

bepaalt dat deze uitspraak door de griffier wordt ingeschreven in het openbare centraal curatele- en bewindregister;

bepaalt dat de griffier conform artikel 1:390 BW zal zorgdragen voor bekendmaking van deze beschikking in de Staatscourant;

zaaknummer 200.202.698/01:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 1 augustus 2016 uitgesproken onder zaaknummer 5129583 VO VERZ 16-950, en opnieuw beschikkende:

benoemt met ingang van de dag na deze beschikking [de bewindvoerder] B.V., kantoorhoudend te [B] tot (opvolgend) bewindvoerder;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, A.W. Beversluis en B.J. Voerman, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 5 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.