Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7794

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
16/00872
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:3405, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Winst uit aanmerkelijk belang. Omvang. Toepassing art. 4.17a Wet IB 2001. Is sprake van beleggingsvermogen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-09-2017
FutD 2017-2359
NLF 2017/2278 met annotatie van Almer de Beer

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Belastingkamer

Locatie Arnhem

nummer 16/00872

uitspraakdatum: 5 september 2017

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland 28 juni 2016, nummer AWB 15/4070, in het geding tussen Inspecteur en

de erven [X] te [Z] (hierna: belanghebbenden)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbenden is voor het jaar 2012 navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.271 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.534.160. Aan belastingrente is daarbij een bedrag berekend van € 34.668.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbenden heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.271 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.514.412, en de belastingrente verminderd tot € 34.398.

1.3

Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 28 juni 2016 gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.271 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.582.563, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

1.4

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] namens de Inspecteur, alsmede [B] , als de gemachtigde van belanghebbenden, bijgestaan door [C] .

1.7

De gemachtigde van belanghebbenden heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

[in] 2012 is de heer [X] (hierna: erflater) overleden. Erflater was tot zijn overlijden buiten gemeenschap van goederen gehuwd met [D] (hierna: de echtgenote). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren. De echtgenote en de twee kinderen zijn de erfgenamen van erflater.

2.2

Erflater was directeur en enig aandeelhouder van [E] BV (hierna: Beheer BV) en van [F] BV (hierna: Holding BV).

2.3

Beheer BV is een beleggingsvennootschap. Het vermogen van deze vennootschap bestaat uit banktegoeden en onroerende zaken.

2.4

Holding BV bezit alle aandelen in [G] BV (hierna: de werkmaatschappij). In laatstgenoemde vennootschap wordt een onderneming gedreven. De werkmaatschappij treedt naar buiten onder de naam “ [G1] ”. Holding BV en de werkmaatschappij vormen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

2.5

De werkmaatschappij huurt delen van een bedrijfspand van Beheer BV (showroom en hallen 1 en 2) en is gevestigd in het pand [a-straat] 37 te [Z] . Naast de werkmaatschappij zijn er eveneens andere – derden – huurders van delen van het pand [a-straat] 37.

2.6

Bij brief van 15 mei 2002 heeft de gemeente [Z] , met de navolgende adressering, onder meer als volgt bericht:

“ [G1] B.V.

De Heer [X]

[a-straat] 37

[Z]

(…)

”Geachte heer/mevrouw,

Als gegadigde voor een kavel bedrijfsterrein brengen wij u hierbij op de hoogte van de laatste stand van zaken omtrent de te ontwikkelen bedrijfsterreinen in [Z] (…).”

2.7

Bij brieven van de gemeente Oldenzaal van 21 augustus 2002 en 20 september 2002 gericht aan “ [G1] B.V., De heer [X] ” respectievelijk “ [G1] B.V., De heer [X] ”, is de aangeschreven rechtspersoon eveneens aangemerkt als ingeschreven gegadigde voor een bedrijfskavel.

2.8

In de brief van 5 november 2002, gericht aan erflater, heeft de gemeente Oldenzaal, onder meer, als volgt bericht:

“Geachte heer [X] ,

Het gemeentebestuur van Oldenzaal heeft besloten het gebied rondom het station te herontwikkelen. Oldenzaal Centraal is de naam van dit herontwikkelingsproject (…).

Voor het gehele plangebied Oldenzaal Centraal wordt thans gewerkt aan een ontwikkelingsvisie op hoofdlijnen. Gezien het feit dat u gevestigd bent binnen het plangebied, willen wij graag in een vroegtijdig stadium met u van gedachten wisselen over de visievorming.

(…)”

2.9

Bij brief van 6 oktober 2011, heeft de gemeente Oldenzaal het volgende geschreven:

“ [G1] B.V.

De heer [X]

[a-straat] 37

[Z]

(…)

Geachte heer [X] ,

U staat ingeschreven als gegadigde voor een bedrijfskavel. In dit kader bent u op woensdag 5 oktober 2011 telefonisch benaderd door onze Adviseur Vastgoed (de heer [H] ) voor een kavel in het plan [I] .

U gaf aan hiervoor op dit moment geen belangstelling te hebben vanwege bedrijfseconomische motieven. Verder heeft u te kennen gegeven wel als geïnteresseerde op de gegadigdenlijst te willen blijven staan.”

2.10

De fiscale jaarstukken van de fiscale eenheid Holding BV vermelden de navolgende geconsolideerde omzet- en winstcijfers (fiscaal):

Omzet Resultaat

2009 € 2.578.789 € 36.297

2010 € 2.932.407 € 135.767

2011 € 2.682.960 € 62.736

2012 € 2.301.575 (€ 74.833)

2013 € 1.849.087 (€ 346.091)

2014 € 1.944.215 (€ 190.901)

2.11

[in] 2012 is erflater onverwachts overleden. Blijkens zijn testament heeft erflater de aandelen in de hiervoor genoemde vennootschappen gelegateerd aan zijn echtgenote. De echtgenote heeft de onderneming na het overlijden van erflater voortgezet.

2.12

Belanghebbenden hebben op 1 april 2014 de aangifte IB/PVV 2012 van erflater ingediend. Hierin is een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.271 aangegeven.

2.13

Met dagtekening 16 mei 2014 is de aanslag IB/PVV 2012 conform de ingediende aangifte vastgesteld.

2.14

Bij e-mailbericht van 23 juni 2014 hebben belanghebbenden de Inspecteur bericht dat zij ten onrechte geen winst uit aanmerkelijk belang in de aangifte hebben opgenomen.

2.15

Bij brief van 16 juli 2014 hebben belanghebbenden de Inspecteur verzocht om toepassing van artikel 4.17a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) ten aanzien van de aandelen in Holding BV.

2.16

In juli 2014 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Holding BV besloten tot een dividenduitkering van € 1.100.000. In de brief van 16 juli 2014 (2.15) heeft de echtgenote de Inspecteur verzocht om op deze dividenduitkering artikel 4.12a Wet IB 2001 toe te passen. Holding BV is het bedrag van de dividenduitkering geheel schuldig gebleven.

2.17

Bij beschikking van 11 november 2014 heeft de Inspecteur goedgekeurd dat Holding BV en Beheer BV een fusie aangaan op de voet van artikel 3.55 Wet IB 2001, waarbij aandelen Holding BV worden omgeruild voor aandelen Beheer BV.

2.18

De Inspecteur heeft zich bij brief van 11 november 2014 op het standpunt gesteld dat de waarde van de aandelen in Holding BV per 31 december 2012 € 1.737.944 bedroeg en dat het beleggingsvermogen van Holding BV per 31 december 2012 – bestaande uit effecten en liquide middelen – moet worden vastgesteld op (afgerond) € 950.000. De winst uit aanmerkelijk belang bij erflater van de aandelen in Holding BV heeft de Inspecteur vastgesteld op (€ 950.000 -/- € 18.151 (verkrijgingsprijs)) € 931.849. Voorts heeft hij de winst uit aanmerkelijk belang met betrekking tot de aandelen van Beheer BV – uitgaande van een waarde in het economische verkeer van (afgerond) € 1.625.000 en een verkrijgingsprijs van € 22.689 – berekend op € 1.602.311.

2.19

Bij brief van 17 november 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbenden bericht dat hij het voornemen heeft een navorderingsaanslag op te leggen, rekening houdend met een winst uit aanmerkelijk belang van erflater van (€ 931.849 + € 1.602.311 =) € 2.534.160. Met dagtekening 20 december 2014 is de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

2.20

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het beleggingsvermogen van Holding BV per overlijdensdatum gehandhaafd op € 950.000, de winst uit aanmerkelijk belang op de aandelen Holding BV gehandhaafd op € 931.849, de winst uit aanmerkelijk belang met betrekking tot de aandelen Beheer BV nader vastgesteld op € 1.582.563, en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot (€ 931.849 + € 1.582.563) € 2.514.412.

2.21

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de winst uit aanmerkelijk belang met betrekking tot de aandelen Beheer BV door de Inspecteur terecht is vastgesteld op € 1.582.563. Met betrekking tot de vererfde aandelen Holding BV is echter naar het oordeel van de Rechtbank geen sprake van winst uit aanmerkelijk belang, omdat belanghebbenden de grenzen der redelijkheid niet hebben overschreden door het gehele vermogen van Holding BV aan te merken als ondernemingsvermogen. De Rechtbank heeft daarom de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.271 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.582.563.

2.22

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

2.23

In een email van 3 mei 2017 van de heer [J] , Adviseur Vastgoed van de gemeente Oldenzaal, heeft deze aan de heer [C] , onder meer geschreven:

“De gemeente Oldenzaal heeft in 2003 een visie vastgesteld voor het gebied waarin zich de eigendommen en het bedrijf [G1] bevinden. Vervolgens is in 2005 het masterplan voor het gebied vervaardigd. In het masterplan is aangegeven dat het gebied hoofdzakelijk wordt herontwikkeld voor de bouw van woningen.

(…)

Daartoe wil de gemeente zoals gebruikelijk ter voorkoming van onteigening graag op minnelijke basis de eigendommen van [G1] aankopen en zo mogelijk faciliteren in de herhuisvesting van het bedrijf.

(…)

Wij waren van mening dat we met het bedrijf [G1] in gesprek zijn: [G1] .

(…)

In voormeld masterplan heeft de gemeente al meerdere eigendommen aangekocht. Deze aankopen zijn uitsluitend gedaan om de beoogde herontwikkeling te kunnen realiseren. Dat aankopen in voorstellen aan het college en raad als ‘strategisch’ zijn bestempeld heeft betrekking op de wijze waarop de besluitvorming tot het aangaan van verplichtingen binnen de gemeente tot stand komt.

(…)”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is alleen nog de door de Inspecteur berekende omvang van de winst uit aanmerkelijk belang met betrekking tot de aandelen Holding BV in geschil. Meer in het bijzonder is daarbij in geschil of in het kader van de toepassing van artikel 4.17a Wet IB 2001, een deel van het vermogen van Holding BV dient te worden aangemerkt als beleggingsvermogen, en – indien die vraag bevestigend dient te worden beantwoord – welk bedrag als zodanig is aan te merken.

3.2

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat – voor de toepassing van artikel 4.17a Wet IB 2001 – van het vermogen van Holding BV een bedrag van € 850.000 als beleggingsvermogen dient te worden aangemerkt.

3.3

Belanghebbenden daarentegen stellen dat het gehele vermogen van Holding BV dient te worden aangemerkt als ondernemingsvermogen.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.271 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.414.412.

3.6

Belanghebbenden concluderen tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Erflater is overleden op 5 augustus 2012. Erflater was directeur en enig aandeelhouder van Holding BV, welke vennootschap alle aandelen houdt in de werkmaatschappij.

4.2

Krachtens artikel 4.16, lid 1, aanhef en onderdeel e, Wet IB 2001 wordt onder vervreemding van aandelen of winstbewijzen mede verstaan de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel. In artikel 4.22, lid 1, Wet IB 2001 is, voor zover hier van belang, bepaald dat, indien bij een verkrijging een tegenprestatie ontbreekt, als tegenprestatie wordt aangemerkt de waarde die ten tijde van de verkrijging in het economische verkeer aan de aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend.

4.3

In artikel 4.17a, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 is, voor zover hier van belang, bepaald dat de overgang krachtens erfrecht onder algemene titel of onder bijzondere titel op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding wordt aangemerkt voor het in het tweede lid omschreven deel van de overdrachtsprijs, indien de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001 drijft. Het tweede lid van voormeld artikel 4.17a bepaalt dat, indien het eerste lid toepassing vindt, niet als vervreemding wordt aangemerkt het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen of de winstbewijzen betrekking hebben. Krachtens het zesde lid van artikel 4.17a worden als ondernemingsvermogen aangemerkt de bezittingen en schulden voor zover toerekenbaar aan de onderneming vermeerderd met, het beleggingsvermogen tot maximaal vijf percent van de waarde in het economische verkeer van het ondernemingsvermogen.

4.4

Op grond van artikel 4.17a, lid 5, Wet IB 2001, dienen de bezittingen en schulden van de werkmaatschappij voor de toepassing van dat artikel aan Holding BV te worden toegerekend.

4.5

In zijn arrest van 8 mei 1985, nr. 22.738, ECLI:NL:HR:1985:AW8284, BNB 1985/230, overwoog de Hoge Raad onder meer:

“4.2. Het staat een belastingplichtige vrij liquide middelen - onder welk begrip een spaardeposito als het onderhavige valt - al dan niet tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, mits hij de grenzen der redelijkheid niet overschrijdt.

Die grenzen worden overschreden indien een belastingplichtige tot het vermogen van zijn onderneming rekent liquide middelen die duurzaam overtollig zijn en dus in die onderneming geen enkele functie vervullen.”

4.6

De Inspecteur heeft bij de vaststelling van de navorderingsaanslag voor de berekening van het ondernemingsvermogen van Holding BV de navolgende opstelling gemaakt, naar de toestand op 31 december 2012:

Geconsolideerd eigen vermogen € 1.737.944

Effecten € 180.561

Liquide middelen Kas € 1.484

Rekening courant bank € 603.918

Depositie bank € 600.000

€ 1.385.963

Af: afname liquide middelen periode 2013-2014 € 313.409

Niet tijdelijk overtollige liquide middelen € 1.072.554

Ondernemingsvermogen € 665.390

Ondernemingsvermogen (afgerond) € 750.000

Verhoging ex artikel 4.17a, lid 6, 2e Wet IB 2001 (5%) € 37.500

Totaal ondernemingsvermogen € 787.500

Op grond hiervan heeft de Inspecteur voor Holding BV als beleggingsvermogen in de zin van artikel 4.17a Wet IB 2001 aangemerkt: € 1.737.944 -/- € 787.500 = € 950.000 (afgerond).

4.7

Op grond van een eerder gedane toezegging dat Holding BV van de liquide middelen een bedrag van € 100.000 mocht reserveren voor een mogelijk gedwongen verhuizing in de toekomst, stelt Inspecteur zich in hoger beroep nader op het standpunt dat van het vermogen van Holding BV een bedrag van € 850.000 als beleggingsvermogen dient te worden aangemerkt.

4.8

Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat bij de beoordeling van de functie van de effecten en liquide middelen in Holding BV rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat Holding BV genoodzaakt zal zijn om in de toekomst een pand te kopen in verband met een al jarenlang bestaande dreiging dat de onderneming van de werkmaatschappij moet worden verplaatst. Erflater oriënteerde zich om die reden al sinds 2002 op de zakelijke markt voor onroerende zaken. Daarom is nooit risicovol belegd, aldus belanghebbenden. Bovendien dienen de liquide middelen te worden aangehouden in verband met een reorganisatie en tegenvallende resultaten, veroorzaakt enerzijds door de crisis en anderzijds door interne bedrijfseconomische omstandigheden. Ook na de periode 1 januari 2013 tot en met 8 oktober 2014 – de periode waarover het bedrag van de afname van de liquide middelen door de Inspecteur als ondernemingsvermogen werd aangemerkt – zijn er volgens belanghebbenden in dit verband nog kosten gemaakt.

4.9

Ook in hoger beroep rust op belanghebbenden – die zich tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur beroepen op een vrijstelling – de last om feiten aannemelijk te maken die leiden tot de conclusie dat de liquide middelen en effecten voor een hoger bedrag dan de Inspecteur reeds in aanmerking heeft genomen tot het ondernemingsvermogen behoren.

4.10

Vast staat dat de gemeente Oldenzaal de deelgebieden [K] , [L] , [M] en [N] gefaseerd wenst te herontwikkelen. Met deze plannen, die dateren van december 2005, is in 2011 een aanvang gemaakt voor wat betreft het stationsgebied en de [L] . De planperiode voor deze deelgebieden ligt tussen de vijf en tien jaar. Na ommekomst van deze periode zal worden beoordeeld of het gebied [M] , waarin het bedrijfspand van de werkmaatschappij is gelegen, eveneens zal worden herontwikkeld en op welke wijze deze herontwikkeling vorm zal krijgen. Voorts heeft de Inspecteur bevestigd dat het gebouw van de voedselbank, gelegen naast het bedrijfspand van de werkmaatschappij in het deelgebied [M] , reeds door de gemeente is aangekocht. Anders dan de Inspecteur in hoger beroep heeft gesteld, is naar het oordeel van het Hof aannemelijk dat deze aankoop is geschied in verband met de herontwikkeling van het gebied [M] . Het Hof wijst in dat verband naar de verklaring van [J] van de gemeente Oldenzaal (2.23). Op grond van het voorgaande acht het Hof het aannemelijk dat reeds geruime tijd voor het overlijden van erflater onzekerheid bestond over de plaats waar de onderneming van de werkmaatschappij kon worden voortgezet.

4.11

De werkmaatschappij huurde haar bedrijfsruimte van Beheer BV. Op grond van hetgeen is vermeld onder 2.6 tot en met 2.9 acht het Hof het echter aannemelijk dat reeds langer werd overwogen om de onderneming van de werkmaatschappij in een “eigen“ – aan het vermogen van de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting toe te rekenen – pand te gaan exploiteren. Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, dient aan de ondernemer de keuze te worden gelaten om, indien dit beter past binnen de bedrijfsvoering, een bedrijfspand in eigendom te verwerven. In dat verband kan niet worden gezegd dat liquiditeiten in Holding BV of de werkmaatschappij geen enkele functie in die onderneming meer vervulden, zodat deze middelen – gelijk belanghebbenden voorstaan – tot het ondernemingsvermogen gerekend kunnen worden. De omstandigheid dat een eventuele verkoop ter voorkoming van onteigening van de huidige bedrijfslocatie door Beheer BV, ook de andere – derden – huurders in hun belangen zou raken, maakt het voorgaande niet anders. Anders dan de Inspecteur met zijn verwijzing naar de brief van de gemeente Oldenzaal van 6 oktober 2011 (2.9) kennelijk stelt, is daarbij evenmin van doorslaggevend belang dat ten tijde van het overlijden van erflater nog geen definitief besluit was genomen om tot aanschaf van een eigen pand over te gaan. Het Hof wijst er in dat verband op dat in de hiervoor bedoelde brief wordt vermeld dat de werkmaatschappij als gegadigde voor een nieuwe kavel ingeschreven wilde blijven staan.

4.12

Belanghebbenden stellen verder dat de liquide middelen aangehouden dienden te worden in verband met een reorganisatie en tegenvallende resultaten. In dat verband heeft de gemachtigde van belanghebbenden ter zitting van het Hof onweersproken gesteld dat de installatiebranche zeer conjunctuurgevoelig is en sterk afhankelijk van de bouwsector en dat als gevolg van de economische crisis van 2008 e.v., welke met een vertraging doorwerkt in de opdrachtportefeuilles van bouwgerelateerde bedrijven, jaren een financiële buffer aangehouden diende te worden. Het Hof acht het aannemelijk dat met name conjunctuurgevoelige bedrijven een grotere financiële buffer (‘stootkussen’) dienen aan te houden in verband met minder economische vooruitzichten. Dit om aan de korte termijn verplichtingen te kunnen (blijven) voldoen, ter overbrugging van later of geheel niet betalende klanten, reorganisatie, en zich terughoudend opstellende banken. Het Hof acht, anders dan de Inspecteur stelt, aannemelijk dat deze ontwikkeling reeds ten tijde van het overlijden van erflater in gang gezet. Het Hof wijst in dat verband op de zich reeds vanaf 2011 manifesterende omzet- en winstdaling (2.10). De stelling van de Inspecteur dat de teruglopende omzet geheel te wijten zou zijn aan het niet langer functioneren van erflater, acht het Hof tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbenden, onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.13

Holding BV heeft de liquide middelen (grotendeels) op een bankrekening laten staan en niet risicovol belegd. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de omvang van liquide middelen en effecten, afgezet tegen de kosten van een eventuele bedrijfsverplaatsing en de mogelijke uitgaven verband houdende met de reorganisatie en de crisis, beperkt is zodat op grond van al het voorgaande het gehele bedrag van deze middelen als ondernemingsvermogen dient te worden aangemerkt.

4.14

De Inspecteur stelt verder dat uit de omstandigheid dat Holding BV in juli 2014 tot een dividenduitkering van € 1.100.000 (2.16) is overgegaan, volgt dat in zoverre geen sprake kan zijn van tot het ondernemingsvermogen behorende liquiditeiten.

4.15

Belanghebbenden hebben – nu zij in verband met de vererving van de aandelen van erflater, inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking dienden te nemen – gebruik willen maken van de wettelijke mogelijkheid om een regulier voordeel (dividend) af te boeken op de verkrijgingsprijs van de aandelen. Dit kan slechts indien het reguliere voordeel binnen 24 maanden na het overlijden van erflater wordt genoten. Nu ter zake van de dividenduitkering geen enkel bedrag aan Holding BV is onttrokken, doch de dividenduitkering geheel werd schuldig gebleven, zodat deze geldmiddelen Holding BV ten behoeve van haar bedrijfsvoering ter beschikking zijn blijven staan, volgt het Hof de Inspecteur niet in zijn stelling dat hieruit blijkt dat de liquide middelen in zoverre ten tijde van het overlijden van erflater, niet als ondernemingsvermogen konden worden aangemerkt.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van het hoger beroep hebben moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990 (2 punten  wegingsfactor 1  € 495) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 990 en

– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 503.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 5 september 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

De voorzitter,

(M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 6 september 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.