Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7767

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
200.189.086
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Uitleg notariële akte. Onrechtmatige hinder door bomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.189.086

(zaaknummer rechtbank Gelderland 281250)

arrest van 5 september 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. S.G. Volbeda,

tegen:

1 [geïntimeerde] ,

wonende in [plaatsnaam] ,

en

2. de erfgenamen van [persoon 1]

die laatstelijk woonde te [plaatsnaam] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk en in mannelijk enkelvoud: [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. M.C. Molenaar.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 juli 2016 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 1 september 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de voortzetting van die comparitie op 12 december 2016 met de akte die ter gelegenheid daarvan door [appellante] is ingediend en waarbij zij producties in het geding heeft gebracht en haar eis heeft gewijzigd;

  • -

    de memorie van grieven,

  • -

    de memorie van antwoord.

1.3

Vervolgens heeft de advocaat van [geïntimeerden] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.5 van het bestreden vonnis van 14 oktober 2015. In hoger beroep zijn nieuwe feiten vast komen te staan. Hieronder geeft het hof een selectie van de thans vaststaande feiten weer.

2.1

Partijen zijn elkaars buren. [geïntimeerden] woont sinds 1978 in zijn woning, terwijl [appellante] in 2000 in haar woning is ingetrokken. Tussen de twee woningen liggen opritten die elk leiden van de openbare weg naar de garage op het desbetreffende perceel. De percelen liggen niet haaks op de weg en de voorgevels van de woningen liggen niet op één lijn: de woning van [geïntimeerden] ligt ten opzichte van die van [appellante] vanaf de openbare weg gezien een aantal meters naar achteren (naar het oosten).

2.2

Bij notariële aktes zijn in 1972 ten behoeve en ten laste van onder meer de percelen van partijen over en weer erfdienstbaarheden gevestigd. In de akte die betrekking heeft op het perceel van [geïntimeerden] staat geschreven dat een erfdienstbaarheid wordt gevestigd:

a. over en weer ten nutte en ten laste van die kavels welke aan elkaar grenzen, erfdienstbaarheden van licht en uitzicht, inhoudende de bevoegdheid om aan- en in de op het heersend erf volgens het huidige bouwplan te bouwen opstallen, ramen en lichten te hebben op kortere afstand van het lijdend erf, dan in de wet is toegelaten, zonder dat hiervoor één der in de wet genoemde beperkingen geldt, met dien verstande evenwel, dan bedoelde erfdienstbaarheden zullen inhouden het verbod voor de eigenaar van het lijdend erf, om de voortuin anders te gebruiken dan als siertuin en hierin een zodanige beplanting te hebben, dat hierdoor het uitzicht uit de ramen in de voorgevel van de volgens het huidige bouwplan op het heersend erf te bouwen woning wordt belemmerd.’

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft in eerste aanleg kort samengevat, na eiswijziging, gevorderd om [geïntimeerden] te veroordelen om verschillende maatregelen te nemen: hij moet zijn voortuin aanpassen aan de erfdienstbaarheid, het dak van zijn garage veranderen om lekkage in [appellante] garage te beëindigen, en bomen (laten) bewerken zodat deze minder hinder voor [appellante] veroorzaken, er meer zonlicht in de tuin van [appellante] komt en minder afgebroken takken, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen.

3.2

[geïntimeerden] heeft verweer gevoerd.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 14 oktober 2015 afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering in hoger beroep

4.1

Bij akte van 12 december 2016 (genomen ter comparitie van partijen in hoger beroep) heeft [appellante] haar eis willen vermeerderen door tevens de veroordeling te verlangen van [geïntimeerden] om met een logboek aan te tonen dat hij de bomen in zijn tuin laat snoeien. De memorie van grieven houdt echter ondubbelzinnig in dat [appellante] de door haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen toegewezen wil krijgen. Met die memorie is het kader voor de rechtsstrijd in hoger beroep gegeven.

4.2

Volgens [appellante] voldoet de voortuin van [geïntimeerden] niet aan de eisen uit hoofde van de erfdienstbaarheid, doordat er bomen en planten in staan die haar uitzicht belemmeren en doordat die tuin geen siertuin is.
spreekt dit tegen. Hij geeft daarbij aan de erfdienstbaarheid een andere uitleg dan [appellante] doet: volgens hem ziet de erfdienstbaarheid op het uitzicht uit de ramen in de voorgevel en klaagt [appellante] over uitzicht uit een raam in een zijgevel. Het in de akte bedoelde uitzicht wordt niet door zijn bomen en struiken belemmerd. Overigens is de voortuin van [geïntimeerden] wel een siertuin, aldus nog steeds [geïntimeerden] .

4.3

Bij de beantwoording van die vraag naar de betekenis van de erfdienstbaarheid komt het aan op de in de notariële akte van vestiging tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen, omschrijving van de erfdienstbaarheid (HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA8901). Uit het hierboven opgenomen citaat uit die akte blijkt dat [appellante] de in het bouwplan voorziene ramen mag hebben, ook waar die ramen volgens het regelend burenrecht niet toelaatbaar zouden zijn vanwege een te korte afstand tot het perceel van [geïntimeerden] , of vanwege andere voorschriften van regelend recht. Op de beschrijving van deze bevoegdheid volgt nog een passage waarin staat dat [geïntimeerden] jegens [appellante] verplicht is om de voortuin als siertuin in te richten en om daarin geen beplanting te hebben die het uitzicht uit de ramen in de voorgevel van [appellante] belemmert.

4.4

Uit de toelichting op grief I wordt duidelijk dat [appellante] klaagt over het uitzicht uit een raam in haar zijgevel. Dit uitzicht is afgebeeld op de foto ‘uitzicht raam 1’ bij het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 12 december 2016. Er valt naar objectieve maatstaven niet uit de akte op te maken dat bij de vestiging van de erfdienstbaarheid is bedoeld om ook het uitzicht uit zijramen te beschermen, nu daarin over het uitzicht uit ramen in de voorgevel is geschreven, zonder nader voorbehoud of nadere aanduiding. Het betoog van [appellante] kan daarom op dit punt niet gevolgd worden. Grief I faalt.

4.5

Gelet op de tekst van de notariële akte is [geïntimeerden] verplicht om zijn voortuin als siertuin in te richten. In de tekst waarin de ramen in de voorgevel worden genoemd gaat het bij dat voorschrift om belemmering van het uitzicht te voorkomen en niet om andere voorgeschreven eigenschappen die de voortuin moet hebben.
De grief is ongegrond: dat in de tuin van [geïntimeerden] tevens (hoge) bomen staan betekent nog niet dat die tuin geen siertuin kan zijn, zoals in de notariële akte bedoeld, uitgelegd op de hierboven beschreven wijze. [appellante] heeft een definitie gegeven van wat naar spraakgebruik moet worden verstaan onder een siertuin (productie 4 bij de akte van 12 december 2016: wikipedia: ‘een siertuin is een tuin waar (sier)planten groeien’), maar die definitie sluit de aanwezigheid van bomen in een siertuin niet uit. [geïntimeerden] heeft dat in § 12 van zijn conclusie van antwoord al opgemerkt en de gehele definitie uit wikipedia aangehaald, maar [appellante] is op [geïntimeerden] ’s reactie niet ingegaan. Grief II is ongegrond.

4.6

[appellante] heeft last van de (vele, hoge) bomen in [geïntimeerden] voortuin doordat volgens [appellante] de bomen van alles laten vallen, zoals (grote en kleine) takken, zaadkegels, stuifmeel en naalden, welk materiaal vervolgens op haar perceel komt. Ook klaagt zij erover dat de bomen (zon)licht van haar perceel wegnemen. De grieven III, IV en VI (er is geen grief V) gaan over deze hinder. Met grief VIII (er is geen grief VII) legt [appellante] de stelling voor, dat zij last heeft van lekkage in haar garage doordat het dak van de garage van [geïntimeerden] gebrekkig is en dat het dak van haar garage wordt aangetast door de naalden die uit één of meer de bomen van [geïntimeerden] vallen. Met grief IX wijst [appellante] op de gevaren van vallende takken en van overslaande brand.

4.7

Artikel 5:37 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen. In het bestreden vonnis is overwogen dat het van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade, in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden, afhangt of hinder onrechtmatig is. Dit is vaste rechtspraak: zie HR 3 mei 1991, NJ 1991/476, waarnaar in HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1106 nog steeds wordt verwezen. Ook het hof zal daarom deze maatstaf hanteren.

4.8

Uit bomen vallen naalden of bladeren, naast zaadkegels en takken. Zij verspreiden (bij tijd en wijle) ook stuifmeel. Deze eigenschappen brengen echter niet mee dat ieder bezit van een boom in een woonwijk onrechtmatige hinder oplevert. In verschillende andere voortuinen in de directe omgeving van de percelen van partijen staan ook bomen - niet alleen loofbomen, maar ook naaldbomen (zie de foto’s ‘ [adres 1] ’, ‘ [adres 2] ’, ‘ [adres 3] ’ en ‘ [adres 4] ’ bij het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 12 december 2016). Er mag niet snel worden aanvaard dat het hebben van bomen in de tuin onrechtmatig is. [appellante] voert aan dat het materiaal dat de bomen loslaten dakgoten en hemelwaterafvoeren kan verstoppen. Dat ligt voor de hand, maar evenzeer ligt het voor de hand dat dit kan worden voorkomen door regelmatig onderhoud aan de bomen en de goten. Het terugsnoeien van de bomen neemt de noodzaak om de goten schoon te maken niet weg, maar vermindert de hinder mogelijk. Welk onderhoud thans nodig is om te voorkomen dat de goten en regenpijpen van [appellante] verstopt kunnen raken en hoe vaak dat moet worden gedaan, heeft [appellante] niet duidelijk gemaakt. Hier komt bij dat [geïntimeerden] ter comparitie in hoger beroep heeft toegezegd dat hij zijn bomen door een bomenspecialist zal laten snoeien, mits dat geen geweld aandoet aan die bomen en aan de functie daarvan, als pleisterplaats voor vogels. Aangenomen mag worden dat ook de kans op vallende grote takken door het onderhoud aanzienlijk kleiner is geworden of zal worden. Verdere mogelijke maatregelen ter vermindering van [appellante] ergernis heeft [appellante] niet gesteld.

4.9

Uit productie 3 bij de akte van 12 december 2016 blijkt dat de atlasceder 35 meter hoog kan worden en diep wortelt. Bij die akte heeft [appellante] tevens producties overgelegd waarmee zij de aandacht vestigt op de cultuurhistorische waarde van de woonomgeving van partijen en op het feit dat het wegverkeer geen hinder mag ondervinden van uitzicht belemmerende obstakels. Dat [geïntimeerden] een omgevingsrechtelijk of strafrechtelijk voorschrift overtreedt is echter niet nader toegelicht, ondanks het feit dat [geïntimeerden] in § 17 en volgende van de conclusie van antwoord heeft bestreden dat hij een wetsbepaling schendt. De aanwezigheid van de bomen vermindert mogelijk de energieopbrengst van [appellante] zonnepanelen, maar dat deze hinder naar objectieve maatstaven zó ernstig is dat [geïntimeerden] onrechtmatig handelt, valt bij gebreke van een nadere toelichting ook al niet in te zien.

4.10

Voor de toewijzing van de vorderingen van [appellante] is onvoldoende dat zij de hinder subjectief als ernstig beleeft. De vrijheid van [geïntimeerden] als eigenaar om de voortuin naar eigen keuze in te richten, is weliswaar niet onbeperkt, zoals [appellante] in de toelichting op haar grief II aanstipt, maar er moet een voldoende zwaarwegende geldige reden blijken te zijn om [geïntimeerden] daarin te beperken.

4.11

Ook bij het gevaar van vallende takken en het gevaar van overslaande brand gaat het om gevaren die altijd en overal bestaan. Dat in dit geval een onacceptabel hoge kans op een vallende tak bestaat, heeft [appellante] niet feitelijk onderbouwd en is in de procedure ook niet op een andere manier gebleken, te minder nu [geïntimeerden] in § 25 van zijn conclusie van antwoord (onvoldoende weersproken) heeft aangevoerd dat hij de bomen jaarlijks laat controleren en snoeien en dat er kort vóór de conclusie van antwoord, tijdens een storm, geen noemenswaardige schade is ontstaan, en [geïntimeerden] bovendien ter comparitie in hoger beroep heeft toegezegd om regelmatig onderhoud aan de bomen te blijven plegen.

4.12

In het door [appellante] als productie 11 bij akte van 12 december 2016 overgelegde chatbericht heeft de aannemer [aannemer] geschreven dat er lekkage in de garage van [appellante] was als gevolg van verstopping door dennennaalden en dat hij deze lekkage heeft verholpen. De stelling van [appellante] , dat het in haar garage lekt door een bouwkundig gebrek aan het dak van de garage van [geïntimeerden] , is hierdoor niet onderbouwd. Integendeel, daaruit blijkt dat de oorzaak van de lekkage niet een bouwkundig gebrek was. Grief VIII, met als klacht dat de rechtbank ten onrechte aan deze stelling van [appellante] voorbij is gegaan, faalt dan ook.

4.13

Gelet op het vorenstaande is in hoger beroep niet van onrechtmatige hinder gebleken. De grieven III, IV, VI, VIII en IX zijn ongegrond.

4.14

Feiten en omstandigheden, op grond waarvan één of meer van de grieven zouden kunnen slagen, zijn niet gesteld. Daarom passeert het hof het bewijsaanbod van [appellante] .

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten zullen, voor zover aan de zijde van [geïntimeerden] gemaakt, worden vastgesteld op het door [geïntimeerden] betaalde griffierecht van € 314 en op een bedrag van € 1.788 wegens salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, team kanton en handelsrecht, van 14 oktober 2015;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 314 voor verschotten en op € 1.788 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, Th.C.M. Willemse en B.J. Lenselink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.