Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7753

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
200.177.486
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst 7:230a BW (ligplaats in haven) en overeenkomst tot gebruik van een landtong daarbij. Inhoud verhuurdersverplichtingen. Dwangsommen verbeurd? Is huurder in verzuim geraakt t.z.v. huurachterstand?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.177.486

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 3864518)

arrest van 5 september 2017

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[appellante] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. A. Glijnis,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.C. van Haarlem.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 15 april 2015 en 9 september 2015, die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team Kanton en Handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) tussen partijen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 september 2015,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep, tevens akte voorwaardelijke vermeerdering van eis (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep,

- een akte van [geïntimeerde] (met producties) en een antwoordakte van [appellante] (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

De zaak gaat over de vraag of de tussen partijen gesloten huurovereenkomst terecht is ontbonden en of partijen over en/of weer dwangsommen aan elkaar hebben verbeurd door gebods- en verbodsvoorschriften, die zijn vastgesteld bij een kort geding-vonnis in conventie en in reconventie, niet na te komen.

3.2

Het hof gaat uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.12. van het bestreden vonnis van 9 september 2015 en van feiten die eveneens (in hoger beroep) vast zijn komen te staan doordat zij door één partij zijn gesteld en door de andere partij niet zijn bestreden. Samengevat gaat het om de volgende feiten:

  • -

    [appellante] , een vereniging met als doelstelling het bevorderen van de watersport, beheert de jachthaven in het recreatiegebied “ [recreatiegebied] ” in [plaatsnaam] .
    [geïntimeerde] was in 2002 lid van [appellante] . Partijen hebben toen een vrijwilligersovereenkomst met elkaar gesloten, uit hoofde waarvan [geïntimeerde] tot 2005 als havenmeester voor [appellante] heeft gewerkt. Tot in 2004 woonde zij in een chalet op haventerrein, maar daarna is zij gaan wonen op haar woonark, die zij had laten aanleggen op een ligplaats in de jachthaven. Voor het gebruik van de ligplaats betaalde zij [appellante] € 500 per jaar.

  • -

    De vrijwilligersovereenkomst is op 6 oktober 2004 opgezegd tegen 1 november 2005.

  • -

    Op 27 oktober 2005 hebben partijen afspraken gemaakt over het gebruik dat [geïntimeerde] maakte van de ligplaats en van een landtong ter hoogte van de ligplaats. Partijen noemen de landtong ‘het Puntje’.

  • -

    In 2007 heeft [geïntimeerde] de kantonrechter te Tiel om verlenging van de ontruimingstermijn van de ligplaats verzocht (verzoek ex artikel 7:230a BW). Bij beschikking van 4 juli 2007 (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) is [geïntimeerde] in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard, op grond dat tussen partijen een huurovereenkomst geldt en dat daarop de woonruimtebepalingen van toepassing zijn. De beschikking heeft thans kracht van gewijsde.

  • -

    De Algemene Ledenvergadering van [appellante] heeft bij besluit van 23 februari 2008 [geïntimeerde] uit haar lidmaatschap ontzet.

  • -

    Bij kort geding-vonnis van 18 april 2012 zijn aan partijen gedragsvoorschriften opgelegd, waaraan dwangsommen van € 500 per dag zijn verbonden, tot maximaal € 50.000. (De inhoud van deze voorschriften blijkt uit wat hieronder volgt.) [geïntimeerde] heeft executoriaal beslag laten leggen op bankrekeningen van [appellante] om dwangsommen te innen en heeft op die wijze € 21.087,84 geïncasseerd. [appellante] heeft executoriaal beslag laten leggen op [geïntimeerde] woonark.

  • -

    In juni 2015 heeft de gemeente de woonark van [geïntimeerde] laten wegslepen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg in conventie kort gezegd de ontruiming van de ligplaats gevorderd, terugbetaling van het bedrag van € 21.087,84 en schorsing van de verdere executie van het vonnis van 18 april 2012. [geïntimeerde] had volgens [appellante] al na de beëindiging van de vrijwilligersovereenkomst al geen recht meer op het gebruik van de ligplaats en het Puntje, althans de gebruiksovereenkomst is op 10 oktober 2011 door opzegging geëindigd. Voor het geval er toch nog een huurovereenkomst geldt, heeft [appellante] de ontbinding daarvan gevorderd wegens huurachterstand, met ontruiming van het gehuurde en veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de huurachterstand van € 78.750 (9 jaar huur ad € 8.750 per jaar). [appellante] heeft tevens gevorderd om vast te stellen dat [geïntimeerde] 75 keer de dwangsom heeft verbeurd en om haar te veroordelen tot betaling daarvan en van de executiekosten (in totaal € 37.670,55). Daarnaast vordert [appellante] terugbetaling van onterecht door [geïntimeerde] geïnde dwangsommen (€ 21.087,84)

4.2

In reconventie heeft [geïntimeerde] eveneens kort weergegeven opheffing van het beslag op haar woonboot gevorderd.

4.3

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat voor het gebruik van de ligplaats een huurovereenkomst geldt. De vordering tot ontbinding daarvan wegens huurachterstand is toegewezen, evenals die tot de ontruiming van de ligplaats en het Puntje, en [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van de vanaf 9 februari 2010 achterstallige huur ad € 500 per jaar de huur van vóór die datum is volgens het vonnis verjaard.
Verder heeft de kantonrechter overwogen dat [appellante] noch [geïntimeerde] dwangsommen heeft verbeurd, onder meer omdat niet is gebleken dat zij het vonnis van 18 april 2012 aan hun wederpartij hebben laten betekenen. De vordering in reconventie (opheffing van het beslag op de woonark) is afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep

de omvang van het principaal hoger beroep

5.1

In eerste aanleg zijn de vorderingen I tot en met III in conventie afgewezen. Het gaat hier om het primaire standpunt van [appellante] , dat inhoudt dat er tussen partijen niet langer een overeenkomst geldt waaraan [geïntimeerde] een gebruiksrecht met betrekking tot de ligplaats en het Puntje kan ontlenen.
[appellante] heeft hiertegen geen grief gericht, zodat het hof bij de verdere beoordeling in hoger beroep zal uitgaan van het bestaan van de huurovereenkomst met betrekking tot de ligplaats en van de overeenkomst tot het gebruik van het Puntje (de afspraken d.d. 27 oktober 2005, productie 13 bij dagvaarding in eerste aanleg).

de inhoud van de huurovereenkomst

5.2

In het bestreden vonnis is de huurovereenkomst ontbonden op grond van huurachterstand. Het gaat daarbij om de huurtermijnen van 9 februari 2010 en later. De vordering tot betaling van de termijnen van daarvóór is volgens het bestreden vonnis verjaard en bij dat oordeel sluit het hof zich aan. De ontbinding is uitgesproken op grond van wanprestatie door huurachterstand over de periode daarna. Nu de nakoming van de desbetreffende verplichting van [geïntimeerde] niet onmogelijk is, is één van de vereisten voor toewijzing van de vordering tot ontbinding dat [geïntimeerde] in verzuim is geraakt inzake die huurachterstand. Volgens [geïntimeerde] kan dit verzuim niet zijn ingetreden doordat [appellante] zelf in (crediteurs-) verzuim is geraakt, namelijk door te weigeren om de huur te ontvangen. [appellante] heeft zich erop beroepen dat [geïntimeerde] niet heeft aangeboden om huur te betalen.
Het hof let in dit kader op § 2.9 van de inleidende dagvaarding, waaruit blijkt dat [appellante] in 2009 en daarna geen huur aan [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht en op § 2 van de pleitaantekeningen in eerste aanleg d.d. 2 juli 2015, waaruit blijkt dat [appellante] geen huur van [geïntimeerde] wilde ontvangen. Over het motief van [appellante] om geen huurbetalingen te willen aanvaarden heeft geen van de beide partijen geschreven, zodat aangenomen moet worden dat deze onwil verband houdt met het destijds nog ingenomen primaire standpunt van [appellante] , volgens welke er geen huurovereenkomst bestond.
In het licht van het vorenstaande is op dit punt niet van belang of [geïntimeerde] huurbetaling aan [appellante] heeft aangeboden. Een dergelijk aanbod was immers, naar [geïntimeerde] heeft mogen begrijpen, zinloos. Hierin ziet het hof een beletsel voor [geïntimeerde] om de huur te betalen. De gevolgen van dit beletsel komen blijkens artikel 6:58 BW voor rekening van [appellante] . Dat [geïntimeerde] in verzuim is geraakt door andere feiten en omstandigheden dan de (tijdens de hier aan de orde zijnde periode ontstane) huurachterstand, heeft [appellante] niet feitelijk toegelicht en is op andere wijze ook al niet gebleken. De conclusie is dat grief I in het incidenteel hoger beroep slaagt: de (subsidiair) ingestelde vordering IV tot ontbinding van de huurovereenkomst is ten onrechte toegewezen. De vordering V (ontruiming van de ligplaats na beëindiging van de huurovereenkomst) deelt dit lot. Hierdoor komt de voorwaardelijke vordering VII alsnog in beeld. Deze vordering strekt ertoe om het bij kort geding-vonnis van 18 april 2012 opgelegde verbod op verstoring van [geïntimeerde] woongenot te beperken indien de huurovereenkomst niet zou worden ontbonden. Het hof zal hieronder, bij de uitleg van dit verbod, ook deze voorwaardelijke vordering in de beoordeling betrekken.

5.3

De vorderingen V en VI van [appellante] strekken ertoe dat, naast ontbinding van de huurovereenkomst, [geïntimeerde] zou worden veroordeeld om [appellante] € 78.750 aan achterstallige huur te betalen, met bovendien een maandhuur van € 729,17 over de periode vanaf 1 november 2014. [appellante] heeft dit in eerste aanleg onderbouwd met een taxatie, opgesteld door een makelaar (productie 27 bij dagvaarding). Deze vordering is in feite dezelfde als de vorderingen VIII en IX met als verschil dat de laatste vorderingen zijn ingesteld voor het geval de huurovereenkomst niet wordt ontbonden.
Deze vorderingen zijn in het bestreden vonnis onder 6.3 en 6.4 grotendeels afgewezen, ten dele op grond dat het beroep op verjaring gegrond is dit is in hoger beroep niet ter discussie gesteld en dat de overeengekomen huur niet € 729,17 per maand bedraagt, maar € 500 per jaar. Rechtsoverwegingen 5.8 en 5.9 van het bestreden vonnis houden daartoe in dat niet is onderbouwd dat partijen de door de makelaar geschatte huurwaarde zijn overeengekomen als de door [geïntimeerde] te betalen huur, daargelaten of de getaxeerde huurwaarde betrekking heeft op uitsluitend de ligplaats. De kantonrechter is vervolgens uitgegaan van het door [geïntimeerde] als huur aangeboden bedrag van € 500 per jaar en heeft op die basis de vordering tot beloop van € 2.888,33 toegewezen wegens huur tot 1 november 2014 en [geïntimeerde] tevens veroordeeld tot betaling van een huur van € 500 per jaar vanaf die datum. Het meerdere is afgewezen.
[appellante] heeft met grief I in het principaal hoger beroep betoogd dat het taxatierapport betrekking had op het gebruik van de ligplaats en enkele daarbij behorende walfaciliteiten, maar heeft in hoger beroep evenmin met feiten en omstandigheden onderbouwd dat [geïntimeerde] met de getaxeerde huurwaarde heeft ingestemd. Dit maakt de grief ongegrond. De veroordelingen 6.3 en 6.4 zullen daarom in stand worden gelaten.

de dwangsommen in het algemeen

5.4

In hoger beroep staat vast dat partijen het vonnis van 18 april 2012 over en weer aan hun wederpartij hebben laten betekenen: [geïntimeerde] heeft dat op 23 april 2012 laten doen (productie 2 memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep) en [appellante] één dag daarna (productie 31 in eerste aanleg en productie C bij memorie van grieven in het principaal hoger beroep). Het hof zal dan ook mede aan de hand van de in eerste aanleg ingenomen standpunten beoordelen in hoeverre er dwangsommen zijn verbeurd. Gelet op de rechtsregel van het arrest HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400 zal het hierbij de handelingen van partijen telkens toetsen aan de inhoud van de veroordelingen, zoals deze door uitleg zullen worden vastgesteld. Hierbij moeten doel en strekking van elk van de veroordelingen de richtsnoer zijn, in die zin dat de veroordelingen niet verder strekken dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel, aldus het bedoelde arrest van de Hoge Raad.

het verbod om het woongenot van [geïntimeerde] te storen

5.5

Het dictum van het kort geding-vonnis van 18 april 2012 luidt op dit punt:

verbiedt [appellante] (…) [geïntimeerde] in haar woongenot te storen, waaronder niet limitatief [geïntimeerde] te beperken in het gebruik van haar woning en woonomgeving waaronder het puntje (…)

Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] dit verbod meermalen overtreden, te weten door zeeverkenners op het Puntje te laten kamperen, door een ponton te laten verslepen om deze voor een zeilkamp te laten gebruiken, door passanten aan de meldsteiger te laten overnachten en door bezoekers op de (meld)steiger te laten vissen.
De voorzieningenrechter heeft dit verbod op vordering van [geïntimeerde] opgelegd op grond dat [appellante] niet had weersproken dat zij het woongenot van [geïntimeerde] moet respecteren (zie de eerste volzin van rechtsoverweging 4.3 in verbinding met rechtsoverweging 4.2 van het vonnis van 18 april 2012). Dit refereert blijkbaar aan het overeengekomen wonen op de ark die op de ligplaats ligt. Hieronder valt tevens het gebruik dat [geïntimeerde] volgens de afspraken van 27 oktober 2005 (productie 13 bij dagvaarding in eerste aanleg, § 7) mag maken van het Puntje.

5.6

Zoals in rechtsoverweging 5.3 overwogen zal vordering VII alsnog in de beoordeling in hoger beroep worden betrokken. [appellante] streeft met deze vordering een beperking na van het onderhavige verbod op verstoring van [geïntimeerde] woongenot, op de grond dat dit verbod haar verhindert om haar statutaire doelstelling te realiseren. Zij wijst erop dat [geïntimeerde] ervoor heeft gekozen om op een recreatieterrein te wonen, waarop een vereniging activiteiten ontplooit (§ 3.13 e.v van de dagvaarding in eerste aanleg). Hiermee heeft [appellante] bedoeld dat [geïntimeerde] als huurster van deze specifieke ligplaats zal moeten aanvaarden dat in haar onmiddellijke woonomgeving recreanten komen, zoals kamperende zeeverkenners, deelnemers aan zeilkampen, bezoekers die met een vaartuig komen overnachten (‘passanten’) en vissers.
Uit § 53 conclusie van antwoord/eis blijkt dat dit aspect bij het kort geding van april 2012 aan de orde is geweest. Aan het wonen op deze plaats is inherent dat er geluid (lawaai) wordt gemaakt door bezoekers, dat er vaartuigen in de buurt van de woonark worden afgemeerd waarop passanten overnachten en dat er vissers dichtbij de woonark komen staan. [appellante] moet die vormen van recreatie (onweersproken) op grond van haar statuten bevorderen en zal dus ook de daarbij passende geluiden en gedragingen moeten toelaten. Dit is door de voorzieningenrechter in ogenschouw genomen bij het beoordelen van de belangen van partijen bij het opleggen, respectievelijk achterwege laten van het verbod. Bij de uitleg daarvan zal het een en ander moeten worden betrokken. Dit betekent dat van een met het verbod bedoelde verstoring van het woongenot pas sprake kan zijn in geval van bijkomende omstandigheden, zoals bovenmatig lawaai of ander grensoverschrijdend gedrag van bezoekers, waartegen [appellante] wel kan, maar niet wil optreden. Van [appellante] kan echter niet worden verlangd om bezoekers zoveel mogelijk weg te houden bij de woonark of om een steiger, waaraan passanten kunnen afmeren, te verslepen, op grond dat [geïntimeerde] daarmee zou worden gediend.

5.7

Gelet op het voorgaande kan [appellante] haar doelstellingen verwezenlijken, ook wanneer zij het verbod naleeft. Zij heeft geen belang bij haar vordering tot beperking van het verbod, die berust op een verkeerde, te ruime uitleg van dat verbod. Vordering VII is terecht afgewezen.

5.7.1

De havenmeester van [appellante] heeft van 30 juni 2012 tot 6 juli 2012 zeeverkenners op het Puntje laten kamperen. Volgens [geïntimeerde] waren daarvoor andere geschikte plaatsen op het recreatieterrein beschikbaar en is [geïntimeerde] in haar woongenot gestoord doordat de zeeverkenners op steigers klommen en lawaai maakten.
In § 2.22 - § 2.24 van de dagvaarding in eerste aanleg en § 14 van de pleitaantekeningen van 2 juli 2015 heeft [appellante] toegelicht dat het ging om drie trekkerstentjes, een staftent en een veldkeuken, dat het Puntje gedurende de kampeerweek de enige geschikte plek voor het kampement was, dat de tenten niet aan de kamerzijde van de woonark stonden, maar zo ver mogelijk van de ingang van de woonark vandaan en zoveel mogelijk achter struiken, dat de zeeverkenners zich netjes hebben gedragen, dat [geïntimeerde] gedurende de kampeerweek nauwelijks op haar ark aanwezig was en dat [geïntimeerde] tijdens de kampeerweek niet over het gedrag van de zeeverkenners heeft geklaagd.
, op wiens weg het had gelegen om duidelijk te maken uit welke feiten en omstandigheden blijkt dat [appellante] het kort geding-verbod heeft overtreden, heeft niet met feiten en omstandigheden onderbouwd dat haar woongenot werd gestoord doordat [appellante] ervoor heeft gekozen om de zeeverkenners op het Puntje te laten kamperen, in plaats van op een andere locatie op het recreatieterrein. Indien een andere geschikte kampeerplek beschikbaar was, ligt het weliswaar voor de hand dat [geïntimeerde] minder last zou hebben gehad van de aanwezigheid van de zeeverkenners (als zij daarvan al last had), maar nu inherent is aan het in het kort geding-vonnis bedoelde woongenot dat er recreanten in de nabije omgeving van de woonark komen, had [geïntimeerde] duidelijk moeten maken dat de keuze voor het Puntje als kampeerplaats tot meer of ernstiger hinder heeft geleid dan uit hoofde van de huur van de ligplaats reeds moest worden aanvaard. Er zijn daarom naar het oordeel van het hof geen dwangsommen verbeurd door de keuzen voor het Puntje. Of [appellante] voor een andere kampeerplek had kunnen kiezen, is daarom niet bepalend voor de vraag of [appellante] dwangsommen heeft verbeurd.

5.7.2

Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] het kort geding-verbod overtreden doordat zij een ponton beschikbaar heeft gesteld, die zij met het oog daarop in de richting van de woonark van [geïntimeerde] heeft versleept. [appellante] heeft onweersproken aangevoerd (§ 2.27 dagvaarding eerste aanleg) dat de ponton de afmetingen daarvan zijn 2m x 2m is opgeschoven om de kinderen van het zeilkamp de gelegenheid te geven hun zeilbootjes daaraan vast te maken. Voor zover dit al tot een toename heeft geleid van het geluid dat [geïntimeerde] in haar woonark kon horen, is niet onderbouwd dat zij daardoor werd gestoord bij het normale gebruik dat zij van de ligplaats kon maken. Indien de vrije doorvaart werd belemmerd door de tijdelijke ligging van de ponton, verandert dat het oordeel van het hof niet: [appellante] heeft gemotiveerd betwist dat zij jegens [geïntimeerde] verplicht was om ervoor te zorgen dat boten steeds de vrije doorgang zouden hebben (§ 3.18 van de dagvaarding in eerste aanleg), en er is niet duidelijk gemaakt dat het niet verschaffen van die vrije doorvaart van en naar de woonark op andere gronden moet worden aangemerkt als een (in het kort geding-vonnis bedoelde) verstoring van [geïntimeerde] woongenot. [appellante] heeft overigens onweersproken aangevoerd dat [geïntimeerde] tijdens het zeilkamp niet heeft verzocht om de doorgang vrij te maken of dat zij bij het varen van en naar de woonark last heeft ondervonden van de ligging van de ponton.
Voor verbeurte van dwangsommen in verband met de tijdelijke ligging van de ponton is daarom evenmin voldoende gesteld.

5.7.3

Minstens twee vissers hebben gebruik gemaakt van de meldsteiger en meermalen hebben passanten hun vaartuig voor langere duur aan die steiger aangelegd, hetgeen volgens [geïntimeerde] eveneens haar woongenot heeft verstoord. Ook hier geldt dat enkel de vermindering van de privacy, die inherent is aan de locatie van de gehuurde ligplaats, niet tot verbeurte van dwangsommen kan hebben geleid. Wil er van overtreding van het verbod door [appellante] sprake kunnen zijn, dan moet het gaan om inbreuken op de privacy die verder gaan. Het enkele feit dat [appellante] bij drukte in de jachthaven meermalen passanten aan de meldsteiger heeft laten overnachten, kwalificeert daarom niet als het verstoring van [geïntimeerde] woongenot, ook niet indien [geïntimeerde] zich op deze praktijk heeft beroepen in het kort geding dat met het opleggen van het verbod is geëindigd. Dat de praktijk om passanten aan die steiger te laten overnachten ook een reden is geweest om het verbod op te leggen, is immers gesteld noch gebleken, en ligt gelet op de strekking van het verbod ook niet voor de hand. [geïntimeerde] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen om te kunnen vaststellen dat [appellante] dwangsommen heeft verbeurd door passanten aan de meldsteiger te laten aanleggen en/of vissers op die steiger toe te laten.

toegang tot de haven en de woonark

5.8

Bij het vonnis van 18 april 2012 is uitgesproken:

gebiedt [appellante] om [geïntimeerde] , haar gezin, bezoekers en leveranciers toegang te blijven verlenen tot de haven en de woonark, met de auto, door de elektronische toegangspoort geopend te houden voor [geïntimeerde] c.s. mede door de elektronische sleutels met de nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] geactiveerd te houden.

Vast staat dat de sleutel met nummer [nummer] pas enige tijd na de betekening van het vonnis werd geactiveerd. [appellante] heeft aangevoerd dat de sleutel niet in haar computerbestanden kon worden gevonden en dat [geïntimeerde] c.s. na de betekening van het vonnis steeds toegang hebben gekregen, zoals in de veroordeling bedoeld, zodat zij geen dwangsommen heeft verbeurd.
Naar de letter genomen is [appellante] het gebod aanvankelijk niet volledig nagekomen, maar bij de uitleg van het gebod moet ook op doel en strekking van de veroordeling worden gelet. Uit rechtsoverweging 4.4. van het vonnis van 18 april 2012 blijkt dat de activering van de vier sleutels tot doel had om [geïntimeerde] c.s. in staat te stellen om met haar auto bij de woonark te komen en op het Puntje te parkeren. [appellante] heeft aan deze doelstelling voldaan, nu [geïntimeerde] niet heeft bestreden dat zij, haar gezinsleden, bezoekers en leveranciers allen steeds na de betekening van het vonnis toegang hebben gehad tot het haventerrein. Of [appellante] voldoende moeite heeft gedaan om die sleutel te activeren (volgens haar was zij daarvoor afhankelijk van de medewerking van [geïntimeerde] en heeft [geïntimeerde] die medewerking niet tijdig verleend) kan daarom in het midden blijven: [appellante] heeft geen dwangsommen verbeurd als gevolg van het niet tijdig activeren van de vierde sleutel. De in grief II in het incidenteel hoger beroep opgenomen klacht over de verwerping van [geïntimeerde] stelling dat [appellante] dwangsommen heeft verbeurd door de vierde sleutel niet te activeren, is ongegrond.

5.9

Nu blijkt dat [appellante] geen dwangsom heeft verbeurd, is de vordering tot terugbetaling van het door het executoriale beslag geïnde bedrag ad € 21.087,84 (met rente) terecht toegewezen. Grief II in het incidenteel hoger beroep faalt.

5.10

Met grief III in het principaal hoger beroep klaagt [appellante] over rechtsoverweging 5.22 van het bestreden vonnis, waarin is geoordeeld dat zij niet voor de minst bezwarende maatregelen heeft gekozen. De klachten die in deze grief naar voren zijn gebracht zijn blijkens het vorenstaande gegrond: [appellante] was uit hoofde van het verbod om [geïntimeerde] woongenot te storen niet verplicht om de minst bezwarende maatregelen te treffen, maar mocht volstaan met voortzetting van haar handelwijze van vóór de betekening van het kort geding-vonnis.

het tafelblad

5.11

In reconventie heeft de voorzieningenrechter in het vonnis van 18 april 2012 beslist:

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen 5 dagen na betekening van het vonnis het puntje slechts te gebruiken ten behoeve van één tuinset, twee auto’s en een motorfiets.

[appellante] stelt dat [geïntimeerde] de veroordeling niet is nagekomen door een tafelblad op het Puntje te laten liggen. [geïntimeerde] heeft niet weersproken dat haar tafelblad gedurende de periode van 24 april 2012 tot 7 juli 2012, dat is 75 dagen lang, op het Puntje heeft gelegen, maar wel dat dit een overtreding van de veroordeling oplevert. Bij memorie van antwoord/grieven heeft ze nader toegelicht dat het tafelblad moet worden beschouwd als onderdeel van een tuinset en daarom op het Puntje mocht liggen, maar daarmee miskent zij doel en strekking van de veroordeling: uit rechtsoverweging 4.1. van het vonnis van 18 april 2012 blijkt dat het [appellante] te doen was dat er op het Puntje zou worden opgeruimd. Uit rechtsoverweging 4.2. blijkt dat [appellante] de situatie op het Puntje onhoudbaar vond doordat [geïntimeerde] daar steeds meer voorwerpen achterliet. Op grond hiervan is de vordering van [appellante] toegewezen.
Gelet op de redactie daarvan mocht [geïntimeerde] er een tuinset laten staan, maar het laten liggen van onderdelen van een tuinset, zoals het gedemonteerde tafelblad, moet onmiskenbaar worden gelijkgesteld aan het achterlaten van (rommelige) voorwerpen, zoals in het kort geding-vonnis bedoeld. Dat is iets anders dan het hebben van een tuinset.
Dat het tafelblad er vóór 18 april 2012 al lag, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, verandert het oordeel van het hof niet. Evenmin zou dat gebeuren indien zou blijken dat derden het tafelblad daar hebben achtergelaten: het was haar tafelblad en zij was veroordeeld om het Puntje niet te gebruiken voor het laten liggen van een tafelblad. Op pagina 8 van de memorie van antwoord/grieven heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat zij de tafel, waarvan het blad op productie 21 bij dagvaarding in eerste aanleg valt te zien, op het Puntje had geplaatst, waarna iemand de poten daarvan heeft gedemonteerd en meegenomen onder achterlating van het tafelblad. In de conclusie van antwoord/eis had zij nog aangevoerd te weten dat de havenmeester dit had gedaan, maar in hoger beroep heeft zij dit ingetrokken en toegelicht dat het daarbij om vermoedens ging. Zij laat weten dat zij niet kan vaststellen wie het heeft gedaan. Ook indien zij vermoedde of redenen had om te vermoeden dat de havenmeester de poten heeft meegenomen, had zij binnen vijf dagen na de betekening uitvoering moeten geven aan de kort geding-veroordeling, door haar tafelblad te verwijderen. Zij heeft dat niet gedaan, zodat het hof er vanuit zal gaan dat zij vanaf 29 april 2012 per dag de dwangsom heeft verbeurd. De vordering onder XI en XII is toewijsbaar, met dien verstande dat niet 75, maar 70 dwangsommen zijn verbeurd. Grief IV in het principaal hoger beroep is gegrond. Van het bedrag van de vordering XII is een gedeelte van (€ 37.670,55 x 70 : 75 =) € 35.159,18 verbeurd, maar niet meer. (Tegen de afwijzing van de vordering om de beslaglegging op de woonark onrechtmatig te verklaren heeft [geïntimeerde] geen grief gericht.)

5.12

De vordering van [geïntimeerde] in hoger beroep, om [appellante] te veroordelen tot vergoeding van bij staat op te maken schade die zij heeft geleden doordat haar woonark op 20 juni 2015 is weggesleept, zal afgewezen worden. Uit het enkele feit dat de gemeente door uitoefening van bestuursdwang de woonark heeft weggesleept, volgt niet dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Dat [appellante] de ligplaats niet (meer) aan [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld, blijkt daaruit immers niet. Ook wanneer de gemeente bestuursdwang heeft geoefend na aandringen van [appellante] , is van wanpresteren geen sprake. [appellante] mocht gebruik maken van de wettelijke procedure die voor haar openstaat, om voorschriften met betrekking tot de ruimtelijke ordening in de haven te laten naleven.

5.13

Grief V in het principaal hoger beroep is gericht tegen de beslissingen over de proceskosten, die door de kantonrechter tussen partijen zijn gecompenseerd. Volgens [appellante] is [geïntimeerde] in conventie grotendeels, en in reconventie in het geheel in het ongelijk gesteld, zodat zij in beide procedures in de kosten had moeten worden veroordeeld. [geïntimeerde] meent juist dat [appellante] de meest in het ongelijk gestelde partij is, en in haar ogen had [appellante] in de kosten moeten worden veroordeeld.
Uit het vorenstaande blijkt dat [appellante] in conventie ten onrechte de ontruiming van de woonark en het Puntje heeft gevorderd en ten onrechte ook een beperking van het in kort geding opgelegde verbod heeft gevorderd, terwijl zij zich anderzijds terecht op het standpunt heeft gesteld dat [geïntimeerde] dwangsommen aan haar moet betalen. Gelet op deze uitkomst zal het hof de proceskosten in eerste aanleg in conventie compenseren.
In reconventie zijn de vorderingen afgewezen, waarin het hoger beroep geen verandering brengt. [geïntimeerde] had daarom in de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie moeten worden veroordeeld. Het hof zal dit alsnog doen.

5.14

Met grief VI in het principaal hoger beroep klaagt [appellante] over de afwijzing van de nevenvordering om het vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In dat vonnis in conventie zijn de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot de ontruiming van de ligplaats en het Puntje uitgesproken. Die vorderingen worden in het incidenteel hoger beroep alsnog afgewezen, zodat voor de uitvoerbaarheid bij voorraad-verklaring daarvan geen plaats is.
De huurbetalingsvordering is terecht toegewezen. [geïntimeerde] heeft tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad aangevoerd dat de gevolgen van de huurontbinding en de ontruiming ernstig zijn, maar heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd wat betreft de geldvorderingen (dwangsommen en huur). Het hof zal die veroordelingen daarom in het principaal hoger beroep alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

6 De slotsom

6.1

In hoger beroep liggen de vorderingen I tot en met III niet ter beoordeling voor.
In het incidenteel hoger beroep slaagt grief I, waardoor het bestreden vonnis wat betreft de in conventie uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en de gelaste ontruiming zal worden vernietigd. De desbetreffende vorderingen IV en V zullen alsnog worden afgewezen.
De vorderingen VI en VII / VIII en IX (het gaat telkens om nakoming van de verplichting tot betaling van een gebruiksvergoeding, al of niet onder titel van huur) zijn in het bestreden vonnis terecht, onder afwijzing van het meerdere, toegewezen tot het bedrag van € 2.888,33 (tot 1 november 2014) respectievelijk tot € 500 per jaar (vanaf die datum). Het hof zal uit een praktisch oogpunt het bestreden vonnis in conventie in haar geheel vernietigen en de beslissingen op de vorderingen VI en VII herhalen.
De grieven in het principaal hoger beroep slagen waar het gaat om de afwijzing van de vorderingen XI en XII in conventie om vast te stellen dat [geïntimeerde] dwangsommen heeft verbeurd.
Vordering X is terecht toegewezen en zal daarom hieronder worden herhaald. In zoverre faalt het incidenteel hoger beroep. De (voor het eerst) in het incidenteel hoger beroep ingestelde of in het incidenteel hoger beroep gewijzigde vordering inzake de beslaglegging op de woonark is ongegrond en zal daarom worden afgewezen. De schorsing van de executie

van het vonnis van 18 april 2012 zal, zoals in het principaal hoger beroep gevorderd, worden opgeheven.

6.2

De veroordelingen waarbij geldvorderingen worden toegewezen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door [appellante] gevorderd.

6.3

De proceskosten in eerste aanleg in conventie zullen wederom worden gecompenseerd omdat ook na het hoger beroep beide partijen deels ongelijk krijgen. In reconventie zal het hof in het principaal hoger beroep [geïntimeerde] , als in het ongelijk gestelde partij, in de kosten veroordelen, welke kosten overeenkomstig het liquidatietarief worden begroot op € 904 wegens salaris van de advocaat (2 punten tarief II).

6.4

Gelet op de uitkomst van de procedures in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep zal het hof de kosten daarvan in beide gevallen compenseren omdat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep:

vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 9 september 2015 voor zover in conventie gewezen, en doet opnieuw recht:

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] in totaal 70 dwangsommen ad € 500 aan [appellante] heeft verbeurd door een tafelblad op het Puntje te plaatsen en heft de bij kort geding-vonnis van 19 april 2013 gelaste schorsing van de executie van het kort geding-vonnis van 18 april 2012 op;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen € 35.159,18 ter zake van door [geïntimeerde] verbeurde dwangsommen en daaraan gekoppelde deurwaarderskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2015 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van de tot 1 november 2014 door haar verschuldigde huurprijs aan [appellante] € 2.888,33 te betalen, te vermeerderen met achterstallige huur ad € 500 per jaar vanaf 1 november 2014 tot de datum van de beëindiging van de huurovereenkomst;

veroordeelt [geïntimeerde] voorts om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van onterecht inning van dwangsommen aan [appellante] € 21.087,84 terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 11.543,92 vanaf 12 september 2012 en over € 9.543,92 vanaf 11 oktober 2012, in beide gevallen tot de dag van de betaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie en begroot deze kosten aan de zijde van [appellante] op € 904 wegens salaris van de advocaat;

verklaart het arrest, voor zover het voornoemde veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst voor het overige de vorderingen in conventie af;

compenseert de kosten in het principaal hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het incidenteel hoger beroep:

vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 9 september 2015 in conventie en in reconventie gewezen en doet in zoverre opnieuw recht:

wijst de vorderingen IV en V in conventie alsnog af;

wijst voor het overige het in reconventie gevorderde, waaronder het in het incidenteel hoger beroep gevorderde af;

compenseert de kosten in het incidenteel hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, H. van Loo en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.