Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7672

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2017
Datum publicatie
16-10-2017
Zaaknummer
200.219.118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Tienjaarstermijn. Geen ruimte voor een uitzondering op de imperatieve afwijzingsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.219.118

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 201121)

arrest van 4 september 2017

inzake

[appellant] ,
wonende te Enschede,

appellant, hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. T. Şeker.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 4 juli 2017 is het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 10 juli 2017 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en primair te bepalen dat hij wordt toegelaten tot de wettelijke
schuldsaneringsregeling voor de reguliere looptijd en subsidiair te bepalen dat hij tot die regeling wordt toegelaten met een door het hof ten opzichte van de reguliere looptijd in acht te nemen langere duur van de regeling.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van het op 31 juli 2017 door mr. Şeker ingediende V6-formulier met meegezonden stukken.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2017, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Şeker.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant] , geboren op [geboortedatum] is eerder, bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 17 oktober 2013 toegelaten tot de wettelijke schuldsanerings-regeling. Bij vonnis van 5 augustus 2014 heeft die rechtbank de schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds beëindigd. Tegen dat vonnis is namens [appellant] op 11 mei 2016 hoger beroep ingesteld bij dit hof.
Bij arrest van 4 juli 2016 heeft dit hof, kort gezegd, [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep, omdat hij voormeld beroepschrift te laat had ingediend en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat in zijn geval sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding desondanks verschoonbaar was. Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij tegen voormeld arrest van 4 juli 2016 geen beroep in cassatie heeft ingesteld.

3.2

De schuldenlast van [appellant] bedraagt volgens de bij het verzoekschrift WSNP ex art. 284 Fw van 21 april 2017 gevoegde crediteurenlijst in totaal € 146.732,34. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] verklaard dat deze schuldenlast door een betaling van zijn
ex-partner in het kader van een minnelijk traject met de schuldeisers is teruggebracht tot
€ 115.000,-.

3.3

De rechtbank heeft het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen op de grond dat ten aanzien van [appellant] minder dan tien jaar geleden de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest als bedoeld in artikel 288 lid 2, aanhef en onder d van de Faillissementswet (hierna: Fw) en de destijds ten aanzien van hem uitgesproken schuldsaneringsregeling niet is beëindigd op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder a, b of d Fw. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de eerdere schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds is beëindigd, omdat [appellant] de informatieplicht niet (naar behoren) is nagekomen en omdat hij heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen.

3.4

[appellant] betoogt in hoger beroep dat in zijn geval ruimte bestaat om een uitzondering te maken op de imperatieve afwijzingsgrond in artikel 288 lid 2, aanhef en onder d, Fw. [appellant] wijst er op dat in dit artikel een uitzondering is toegelaten wanneer een schuldsanerings-regeling is beëindigd omdat er nieuwe, bovenmatige schulden waren ontstaan en deze niet aan de schuldenaar waren toe te rekenen (artikel 282 lid 2 juncto artikel 350 lid 3, onder d, Fw). [appellant] betoogt dat deze uitzonderingsgrond analoog moet worden toegepast in zijn geval, omdat de tussentijdse beëindiging van zijn schuldsaneringsregeling, hoewel gegrond op het niet nakomen van de informatieplicht, hem niet kan worden toegerekend. Daartoe voert [appellant] aan dat hij een chronisch Lyme patiënt is en dat door een plotseling optredende ernstige verslechtering van zijn medische situatie eind 2013 zijn functioneren volledig werd beperkt. Dat hij als gevolg daarvan niet langer in staat was om aan zijn informatieplicht te voldoen, valt hem daarom niet te verwijten. Van benadeling van schuldeisers is voorts geen sprake geweest. [appellant] verzoekt het hof dan ook om hem opnieuw tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toe te laten.

3.5

Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat op [appellant] minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop zijn verzoekschrift is ingediend, de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest en dat van beëindiging op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder a, b of d Fw om redenen die [appellant] niet waren toe te rekenen geen sprake is geweest. Deze omstandigheid levert ingevolge het bepaalde in artikel 288 lid 2, aanhef en onder d Fw een imperatieve afwijzingsgrond op.
Het hof acht, uitgaande van de juistheid van de stelling van [appellant] dat hij als gevolg van zijn ziekte geruime tijd niet in staat was om uitvoering te geven aan zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, geen ruimte aanwezig om buiten de in dit artikel genoemde uitzonderingsgronden de tienjaarstermijn te doorbreken. Bij Wet van 24 mei 2007 houdende wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsanerings-regeling natuurlijke personen, Stb. 192, in werking getreden op 1 januari 2008, heeft de wetgever immers bewust - in afwijking van de voordien geldende facultatieve afwijzingsgrond - gekozen voor de huidige imperatieve afwijzingsgrond, met inbegrip van de voornoemde drie uitzonderingen, die zich in dit geval niet voordoen. Zoals geoordeeld in het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH7357, NJ 2009/269) heeft de rechter de keuze van de wetgever te respecteren en is er geen ruimte voor aanvaarding van een uitzondering daarop, ook niet in schrijnende gevallen zoals hier door [appellant] aan de orde gesteld. Dat zou immers het imperatieve karakter aan de afwijzingsgrond weer ontnemen en daarmee afbreuk doen aan een van de hoofddoelstellingen die de wetgever met de wetswijziging heeft beoogd, te weten beheersing door het stellen van strenge toelatings-condities van het toenemende beroep op de schuldsaneringsregeling en daarmee gepaard gaande toenemende werklast voor de rechter en de bewindvoerder.

3.6

Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 4 juli 2017.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, L.J. de Kerpel-van de Poel en F.J.P. Lock, en is op 4 september 2017 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.