Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7671

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-09-2017
Datum publicatie
06-10-2017
Zaaknummer
200.218.938
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane (verzekeringsfraude)schuld, die ook niet aan de bewindvoerder is gemeld, leidt tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, ook als derden bereid zijn deze schuld te voldoen en de schuldeisers daardoor niet benadeeld worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.218.938

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/15/847 R en C/16/15/848 R)

arrest van 4 september 2017

inzake

[appellante]

en haar echtgenoot

[appellant] ,

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten,

advocaat: mr. P.I. Meijers.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 november 2015 is ten aanzien van appellanten (hierna te noemen: [appellante] en [appellant] ) de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2

Bij verzoekschrift van 1 mei 2017 hebben [appellante] en [appellant] de rechtbank verzocht de bewindvoerder te ontslaan en de looptijd van de schuldsaneringsregeling te bekorten. Bij verzoekschrift van 15 juni 2017 heeft de bewindvoerder de rechtbank verzocht om ten aanzien van [appellante] en [appellant] de de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

1.3

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 29 juni 2017 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] en [appellant] op verzoek van de bewindvoerder tussentijds beëindigd en is het meer of anders verzochte afgewezen.

1.3

Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 6 juli 2017 ingekomen verzoekschrift zijn [appellante] en [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 29 juni 2017 en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregelingen zullen worden voortgezet, al dan niet met verlenging van de termijn.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlage, van de brief met bijlagen van 16 augustus 2017 van de advocaat van [appellante] en [appellant] , alsmede van de brief met bijlagen van 14 augustus 2014 van de bewindvoerder [bewindvoerder] .

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2017, waarbij [appellante] in persoon is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens [appellant] verscheen zijn advocaat, die ter zitting nog een schriftelijke verklaring heeft overgelegd van [persoon 1] van 25 augustus 2017 en een kopie van een e-mail van 24 augustus 2017 van de GGD regio Utrecht aan [appellante] . De bewindvoerder is eveneens verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] en [appellant] tussentijds beëindigd omdat zij niet hebben voldaan aan hun (actieve) informatieplicht jegens de bewindvoerder, een boedelachterstand van € 1.476,09 (thans € 3.164,73) hebben laten ontstaan en een nieuwe schuld van € 1.661,34 aan Aegon hebben laten ontstaan. Kort samengevat baseert de rechtbank haar beslissing ten aanzien van [appellante] op het navolgende:

  • -

    Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat [appellante] aan Aegon heeft bekend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan (een poging tot) verzekeringsfraude door op 18 augustus 2016 een valse claim bij Aegon Schadeverzekering in te dienen. Op grond hiervan vordert Aegon thans de onderzoekskosten ad € 1.661,34 van [appellante] en [appellant] . [appellante] heeft over deze kwestie niets gemeld aan de bewindvoerder, hetgeen haar is toe te rekenen.

  • -

    Aegon heeft bij brief van 10 april 2017 gemeld dat zij de verzekeringsfraude heeft laten opnemen in de daartoe bestemde registers. [appellante] en [appellant] hebben door het indienen van de onterechte claim het risico genomen dat zij zich gedurende lange termijn moeilijk zullen kunnen verzekeren en bij het aangaan van een nieuwe verzekering waarschijnlijk een hogere premie moeten betalen, hetgeen nadelig is voor hun afloscapaciteit en daarmee ook voor hun schuldeisers. Het ontstaan van de nieuwe schuld aan Aegon is [appellante] ook toe te rekenen. Dat een familielid bereid is de schuld aan Aegon te voldoen, doet volgens de rechtbank aan het vorenstaande niet af.

  • -

    Vanaf februari 2017 heeft [appellante] meer inkomsten op haar rekening gestort gekregen. Deze hogere inkomsten hadden geen invloed op de hoogte van het door de bewindvoerder (begin 2017) berekende vrij te laten bedrag (VTLB), maar wel op de afdrachtplicht. [appellante] heeft desondanks nagelaten meer aan de boedel af te dragen en heeft in plaats daarvan het geld uitgegeven om goederen in haar huis te vervangen. Het ontstaan van de boedelachterstand (een bedrag van € 1.476,09, waarin diverse kosten die, achteraf bezien, ten laste van de boedel dienden te komen, reeds zijn verdisconteerd) is [appellante] ook toe te rekenen omdat er in 2016 veel discussie is geweest over de berekening van het VTLB en ter zitting duidelijk naar voren is gekomen dat [appellante] goed begrijpt hoe de berekening van het VTLB tot stand komt en daarnaast over voldoende kennis beschikt van het VTLB om te weten dat zij het verschil tussen het VTLB en de inkomsten had moeten afdragen.

  • -

    Dat [appellante] , zoals zij heeft aangevoerd, het zwaar heeft met haar echtgenoot, twee kinderen en de nieuwe zwangerschap, rechtvaardigt haar handelen volgens de rechtbank niet, temeer daar zij al geruime tijd hulp heeft.

Ten aanzien van [appellant] overweegt de rechtbank dat ook hij melding had moeten maken van de schade als gevolg van de poging tot fraude, met name na ontvangst van de brief van 10 april 2017 die Aegon aan hem had gericht. Ook hem is de ontstane schuld toe te rekenen, waaraan niet afdoet dat een familielid deze schuld zou willen betalen. [appellant] heeft daarnaast geprofiteerd van de zaken die zijn aangeschaft als gevolg van de extra inkomsten en heeft onvoldoende ondernomen om deze extra uitgave tijdig te stoppen. Dat terwijl hij bij de behandeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is gewezen op zijn verplichtingen en hij en zijn echtgenote al geruime tijd hulp hebben van [sociaal raadsvrouw] (sociaal raadsvrouw verbonden aan Vitras).

De rechtbank heeft tot slot overwogen dat nu de schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd, verdere behandeling van de overige verzoeken achterwege kan blijven.

3.2

[appellante] en [appellant] kunnen zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en voeren als eerste grond aan dat tussen hen en de bewindvoerder een vertrouwensbreuk is ontstaan, als gevolg waarvan de informatie-uitwisseling niet goed is verlopen. [appellante] en [appellant] stellen dat zij steeds openheid van zaken hebben gegeven over de veranderingen in inkomsten, maar dat de bewindvoerder onvoldoende transparant is geweest in de totstandkoming van het VTLB en daarmee ook in de hoogte van de afdracht aan de boedel. De bewindvoerder heeft meermaals aangegeven geen stukken te hebben ontvangen, terwijl deze reeds door [appellante] en [appellant] waren verstuurd. [appellante] en [appellant] zijn van mening dat de bewindvoerder de in eerste aanleg gestelde boedelachterstand van € 1.476,09 onvoldoende heeft onderbouwd en dat voor hen hierdoor niet is na te gaan op welke wijze deze berekening is gemaakt. Dit was ook reden om het ontslag van de bewindvoerder te verzoeken.

[appellante] en [appellant] voeren ten aanzien van de kwestie met Aegon aan dat de ouders van [appellant] te kennen hebben gegeven dat zij de door Aegon gevorderde onderzoekskosten voor hun rekening willen nemen. De schuldeisers zijn dan ook niet benadeeld en er is geen nieuwe schuld ontstaan. [appellante] en [appellant] verwijzen in dit verband naar de ter zitting overgelegde schriftelijke verklaring van de zus van [appellante] van 25 augustus 2017, waarin zij (namens haar momenteel in Marokko verblijvende ouders) verklaart dat zij de vordering van Aegon zal voldoen en dat deze betaling als een schenking beschouwd dient te worden.

[appellante] en [appellant] voeren tot slot aan dat de periode, waarin een en ander is voorgevallen, erg stressvol en chaotisch was. [appellant] kampt met diverse gezondheidsklachten en is volledig arbeidsongeschikt. Hij is evenmin in staat om de zorg van de kinderen op zich te nemen. [appellante] is hierdoor de spil van het gezin en is onlangs bevallen van het derde kind. [appellante] heeft zich voortdurend ingezet om waar mogelijk inkomsten te vergaren voor de boedel. Daarnaast heeft zij naast de zorg voor haar drie kinderen ook de zorg voor haar ouders, die zorgbehoevend zijn. [appellante] en [appellant] hebben inmiddels meer structuur in hun leven aangebracht en verzoeken het hof rekening te houden met hun persoonlijke situatie.

3.3

De bewindvoerder handhaaft in hoger beroep haar eerder ingenomen standpunt dat [appellante] en [appellant] niet hebben voldaan aan hun informatieplicht en afdrachtverplichting en een verwijtbare nieuwe schuld aan Aegon hebben laten ontstaan van € 1.661,34. Zij is van mening dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] en [appellant] terecht tussentijds heeft beëindigd.

3.4

Het hof oordeelt als volgt. [appellante] en [appellant] hebben verwijtbaar een nieuwe bovenmatige schuld van € 1.661,34 aan Aegon Schadeverzekering laten ontstaan. Daarbij hebben [appellante] en [appellant] ook hun informatieplicht geschonden door de bewindvoerder niet te informeren over de ontstane schuld als gevolg van de verzekeringsfraude. Naast het feit dat de enkele schriftelijke mededeling van [persoon 1] dat zij de schuld zal voldoen niet de zekerheid biedt dat dit bedrag ook werkelijk aan de boedel wordt betaald, geldt dat ook als deze schuld door derden wordt voldaan en de schuldeisers hierdoor niet benadeeld worden, de door [appellante] gepleegde verzekeringsfraude en de poging zich daarmee wederrechtelijk gelden toe te eigenen, zich niet verdraagt met hetgeen in het kader van de schuldsaneringsregeling van [appellante] wordt verlangd. In dat verband rustte ook op [appellant] als verzekeringnemer de plicht om op de brief van de verzekeraar van 10 april 2017 op gepaste wijze te reageren. Dat heeft hij niet gedaan. Dat [appellante] de post opende en de verzekeringskwesties regelde, zoals zij ter zitting heeft verklaard, ontslaat [appellant] niet van zijn eigen verantwoordelijkheid terzake. Ook daarmee zijn [appellante] en [appellant] hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nagekomen. Verder staat vast dat [appellante] en [appellant] - zij erkennen dit in hoger beroep - niet hebben voldaan aan hun afdrachtverplichting waardoor er een aanzienlijke boedelachterstand is ontstaan van thans € 3.164,73, welk bedrag volgens de verklaring van de bewindvoerder ter mondelinge behandeling nog dient te worden vermeerderd met het af te dragen deel van het vakantiegeld van [appellant] .

Voormelde omstandigheden leveren elk voor zich en in onderlinge samenhang bezien voldoende grond op om de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] en [appellant] tussentijds te beëindigen en hun verzoek om de regeling te verlengen af te wijzen.

3.5

De in hoger beroep aangevoerde gronden treffen dan ook geen doel. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de wettelijke schuldsaneringsregelingen ten aanzien van [appellante] en [appellant] zou moeten voortduren, is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 29 juni 2017.

Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, L.J. de Kerpel-van de Poel en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 september 2017.