Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7657

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
16/01110 t/m 16/01114
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:4251, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LB/PVV. Autokostenforfait. Privégebruik BMW. Geen sluitend bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-09-2017
FutD 2017-2362

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 16/01110, 16/01111, 16/01112, 16/01113 en 16/01114

uitspraakdatum: 5 september 2017

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 29 juli 2016, nummers AWB 16/770, 16/771, 16/772, 16/773 en 16/774, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2009 tot en met 2013 de volgende naheffingsaanslagen loonbelasting en premies volksverzekeringen opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente c.q. belastingrente berekend. Voor het jaar 2009 is een vergrijpboete opgelegd. De bedragen zijn als volgt:

2009

2010

2011

2012

2013

Loonheffing

9.270

9.186

9.083

7.784

6.873

Boete

1.500

0

0

0

0

Rente

1.335

1.279

1.020

693

406

Totaal

12.105

10.465

10.103

8.477

7.279

1.2.

De Inspecteur heeft op 7 januari 2016 bij in twee geschriften vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard. Het eerste geschrift heeft betrekking op de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de vergrijpboete voor het jaar 2009. Het tweede geschrift heeft betrekking op de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente c.q. belastingrente voor de overige jaren.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de over het jaar 2009 opgelegde vergrijpboete ambtshalve verminderd met 5% tot € 1.425 en de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de vergrijpboete vernietigd.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het inkopen en plaatsen van (onder andere) sport- en kunststofvloeren. De aandelen in belanghebbende zijn voor 100% in bezit van [A] B.V., waarvan de aandelen voor 100% in bezit zijn van de heer [B] (hierna: [B] ). In de jaren 2009 tot en met 2012 heeft belanghebbende zes werknemers in dienst, onder wie [B] . Met ingang van 2013 zijn nog twee werknemers in dienst, onder wie [B] . De echtgenote van [B] , mevrouw [C] , verzorgt de financiële administratie, doch ontvangt daarvoor geen beloning.

2.2.

Naast een aantal bestelauto’s beschikt belanghebbende in de jaren 2009 tot en met 2013 over twee personenauto’s. Van 14 januari 2005 tot 7 september 2012 is dat een BMW-5 met een cataloguswaarde van € 71.311, die op laatstgenoemde datum wordt vervangen door een BMW-3 met een cataloguswaarde van € 40.529 (hierna ook wel samen aangeduid als: de BMW). Daarnaast beschikt belanghebbende sinds 25 juli 2008 over een Nissan Qashqai (hierna: de Nissan) met een cataloguswaarde van € 36.397. Met betrekking tot de Nissan rekent belanghebbende in de jaren 2009 tot en met 2013 een bedrag wegens privégebruik tot het loon van [B] . Met betrekking tot de BMW doet belanghebbende dat niet.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst met [B] is opgenomen dat belanghebbende aan hem een dienstauto ter beschikking stelt en daarvoor de kosten voor haar rekening zal nemen. In een door [B] ondertekende brief van 25 juli 2008 van [A] BV aan [B] is het volgende vermeld:

“Mede namens [X] bv bevestigen wij U, dat met ingang van 25-07-2008 uitsluitend de personenauto Nissan Quashquai [00-YYY-0] , mede voor privegebruik, aan U ter beschikking is gesteld. Dit geldt tevens voor toekomstig de [00-YYY-0] opvolgende personenauto’s.”

2.4.

De BMW wordt door belanghebbende aan [B] ter beschikking gesteld. In de jaren 2005 en 2006 wordt voor de BMW een rittenregistratie bijgehouden. In 2007 ondergaat [B] een oogoperatie waardoor hij enige tijd niet kan rijden. In die periode vervoert zijn echtgenote hem naar klanten. Een rittenregistratie wordt sindsdien voor de BMW niet meer gevoerd. [B] en zijn echtgenote bezitten in de jaren 2009 tot en met 2013 geen privéauto.

2.5.

In maart 2014 stelt de Inspecteur bij belanghebbende een onderzoek in ter beoordeling van de toepassing van de regeling van het privégebruik auto. Op 7 mei 2014 wordt het rapport naar belanghebbende verzonden, met daarin opgenomen een aankondiging van de op te leggen loonheffingscorrecties en de vergrijpboete.

2.6.

De aangekondigde correcties zien op het niet in de heffing betrekken van het privégebruik van de BMW. De looncorrectie met betrekking tot deze auto bedraagt respectievelijk € 17.827 (2009, 2010 en 2011), € 15.388 (2012) en € 10.132 (2013). Daarnaast vindt voor het jaar 2013 een looncorrectie van € 4.028 plaats met betrekking tot het privégebruik van de Nissan, wegens onterechte toepassing voor deze auto van het verlaagde bijtellingspercentage van 14.

2.7.

In het rapport is vermeld dat een vergrijpboete van 25% (het jaar 2009) en 40% (de jaren 2010 tot en met 2013) gerechtvaardigd is vanwege de aanwezigheid van grove schuld. Met betrekking tot de uiteindelijk op te leggen boete is in het rapport vermeld:

“Ik ben van plan de boete te matigen (BBBB paragraaf 6 en 7) wegens overmacht (oogziekte/leeftijd), nalatige begeleiding van de adviseur, en de financiële omstandigheden ten tijde van de beboetbare feiten en van het opleggen van de boete. Na beoordeling van deze individuele omstandigheden is een boete van € 1.500 passend en geboden.”

2.8.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende verworpen omdat zij niet heeft doen blijken dat de BMW voor minder dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden is gebruikt. De Rechtbank heeft de vergrijpboete ambtshalve verminderd met 5% wegens een geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn.

2.9.

In hoger beroep heeft belanghebbende twee schriftelijke verklaringen overgelegd, opgemaakt op 19 december 2016 door [B] en zijn echtgenote. In beide (identieke) verklaringen is het volgende opgenomen:

“Hierbij verklaar ik (…) het volgende. Ik ben als bestuurder verbonden aan de besloten vennootschap [X] B.V. (…). Ik verklaar hierbij uitdrukkelijk dat ik, in de periode 2007 tot en met 2013, de auto merk BMW met kenteken [11-YYY-1] , strikt zakelijk heb gebruikt en dat deze auto in voornoemde periode jaarlijks minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.”

2.10.

In hoger beroep heeft belanghebbende een rittenregistratie van de BMW voor het jaar 2013 overgelegd. Hierin is per dag een aanduiding gegeven van de bestemming en het aantal gereden kilometers. Zo is bijvoorbeeld op 18 februari 2013 geregistreerd: “Kl/Didam/Zwolle/Utrecht/Kl 310 km”. Van de bestemming is slechts de plaatsnaam opgenomen. Kilometerstanden aan het begin en einde van een rit of aan het begin en einde van het jaar ontbreken. Voor een rit naar kantoor is 44 kilometer geregistreerd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslagen met betrekking tot het privégebruik auto voor de BMW terecht zijn opgelegd. Tevens is de opgelegde vergrijpboete in geschil.

3.2.

Belanghebbende stelt met betrekking tot het privégebruik van de BMW dat uit de omstandigheid dat vast staat dat in het jaar 2006 minder dan 500 kilometer privé met de BMW werd gereden, voortvloeit dat een gelijk, bestendig gebruik in de jaren 2007 en volgende mag worden verondersteld. Daarnaast wijst belanghebbende op de verklaringen van [B] en zijn echtgenote en op de ingebrachte rittenregistratie voor het jaar 2013. Belanghebbende biedt uitdrukkelijk bewijs aan van het opstellen en inbrengen van dergelijke registraties voor de andere jaren. Ook wijst belanghebbende erop dat sinds april 2014 weer een sluitende rittenregistratie wordt gevoerd. Tevens wijst belanghebbende op de brief van 25 juli 2008, waarin is vastgelegd dat uitsluitend de Nissan voor privégebruik ter beschikking is gesteld. Ten slotte stelt belanghebbende dat zij ten onrechte ongelijk wordt behandeld ten opzichte van ondernemingen in de autobranche. Met betrekking tot de vergrijpboete betwist belanghebbende dat haar een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij wijst erop dat het voor [B] door zijn oogoperatie in het jaar 2007 niet mogelijk was een rittenregistratie bij te houden. Ook stelt zij dat de brief van 25 juli 2008 is opgesteld op advies van de accountant, een gerenommeerd accountants- en belastingadvieskantoor, en dat zij daarmee zorgvuldig heeft gehandeld.

3.3.

De Inspecteur voert aan dat aan een mogelijk sluitende rittenregistratie voor het jaar 2006 geen conclusies kunnen worden verbonden voor de jaren 2009 tot en met 2013. De verklaringen van [B] en diens echtgenote acht hij niet of slechts van zeer gering belang omdat deze verklaringen zeer vele jaren na de onderhavige jaren zijn afgelegd en omdat deze afkomstig zijn van personen die (als aandeelhouder of als werknemer bij verhaal van de naheffing) belang hebben bij de uitkomst van het geschil. De rittenregistratie over het jaar 2013 acht de Inspecteur onvoldoende betrouwbaar omdat deze achteraf is opgemaakt, geen kilometerstanden vermeldt, geen adressen en afwijkende routes bevat en uitgaat van geschatte afstanden. Hij wijst erop dat belanghebbende in juli 2014 door de controlerend ambtenaren in de gelegenheid is gesteld alsnog rittenregistraties op te zetten, maar dat zij daar toen van heeft afgezien. De rittenregistratie over het jaar 2014 is niet door de Inspecteur beoordeeld en biedt daarnaast geen zicht op het privégebruik in voorgaande jaren. Aan de opmerking in de brief van 25 juli 2008 dat uitsluitend de Nissan aan [B] voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld kan volgens de Inspecteur geen waarde worden gehecht omdat het [B] is die aan zichzelf die beperking oplegt en er geen enkele objectieve waarborg is ingebouwd dat niet van een andere auto, zoals de BMW, voor privédoeleinden gebruik wordt gemaakt. Het in de heffing betrekken van twee auto’s (de Nissan en de BMW) acht de Inspecteur gerechtvaardigd, omdat ook de echtgenote van de auto’s gebruikmaakt en [B] en zijn echtgenote in privé geen auto bezitten. Tenslotte wijst de Inspecteur erop dat de situatie van belanghebbende niet vergelijkbaar is met die van autodealers omdat bij die autodealers sprake is van gebruik van veelvuldig wisselende tot de bedrijfsvoorraad behorende auto’s waardoor het moeilijk is de grondslag voor de bijtelling te bepalen. In feite komt het beleid erop neer dat een praktische regeling wordt getroffen voor de berekening van de grondslag (de cataloguswaarde). Met betrekking tot de boete voert de Inspecteur aan dat belanghebbende op de hoogte was van de regelgeving met betrekking tot het privégebruik (in 2006 werd immers wel een rittenregistratie gevoerd) en geen verklaring heeft gegeven waarom in 2009 en volgende jaren desondanks geen rittenregistratie is gevoerd. De Inspecteur betwist dat de brief van 25 juli 2008 is geschreven op advies van de accountant van belanghebbende. Daarvoor heeft belanghebbende geen enkel bewijs ingebracht.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Indien door een werkgever aan een werknemer ook voor privédoeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op kalenderjaarbasis – voor zover hier van belang – gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt (artikel 13bis, lid 1, Wet op de loonbelasting 1964). Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil (artikel 13bis, lid 4, Wet op de loonbelasting 1964).

4.2.

De bewijslast dat de BMW op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt, rust op belanghebbende. Het enkel aannemelijk maken is niet voldoende. Het feit moet volledig bewezen worden, dat wil zeggen overtuigend worden aangetoond.

4.3.

Het is vaste rechtspraak dat indien aan een belastingplichtige door zijn werkgever meerdere auto’s ter beschikking zijn gesteld, in beginsel voor ieder van die auto’s een bijtelling dient te worden toegepast (vergelijk onder meer de arresten van de Hoge Raad van 18 februari 1959, nr. 13 820, BNB 1959/127 en van 23 februari 1994, nr. 29 682, BNB 1994/111).

4.4.

Belanghebbende heeft gedurende de onderhavige jaren geen rittenregistratie bijgehouden. Dat neemt niet weg dat zij ook op andere wijze overtuigend kan aantonen dat de BMW op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt (vgl. HR 13 september 1989, nr. 26.254, BNB 1989/318 en HR 22 oktober 2010, nr. 10/00484, ECLI:NL:HR:2010:BO1395). Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in het leveren van het van haar verlangde bewijs.

4.5.

Om te beginnen leveren de verklaringen van [B] en zijn echtgenote geen overtuigend bewijs op van de aard van het gebruik van de BMW. De verklaringen zijn afkomstig van personen die een belang hebben bij de uitkomst van de procedure en worden niet ondersteund door enig objectief bewijs. Voorts zijn de verklaringen niet geheel ondubbelzinnig, aangezien enerzijds wordt verklaard dat de BMW strikt zakelijk wordt gebruikt en anderzijds dat de BMW jaarlijks minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Deze dubbelzinnigheid kleeft ook aan de overige verklaringen die [B] gedurende de diverse fasen van de procedure heeft afgelegd over het gebruik van de BMW.

4.6.

De brief van 25 juli 2008 is ook als een partijverklaring te beschouwen . In deze brief wordt slechts medegedeeld dat uitsluitend de Nissan mede voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld. De juistheid van deze mededeling is niet controleerbaar.

4.7.

De rittenregistratie die belanghebbende alsnog heeft gereconstrueerd voor het jaar 2013 levert evenmin het verlangde bewijs. De rittenregistratie bevat geen objectief controleerbare gegevens. Zo ontbreken bijvoorbeeld gegevens van de Nationale Auto Pas of facturen van garagebedrijven aan de hand waarvan de feitelijke kilometerstand op enig moment kan worden vastgesteld. Per rit bevat de rittenregistratie geen begin- en eindstand van de kilometerteller van de BMW, geen exact adres van het startpunt en de bestemming (indien niet de woning van [B] of het kantoor) en de afstand tussen beide is geschat. Vaak zijn de afstanden van meerdere ritten op dezelfde dag opgeteld. Uit de grove aanduiding van de bestemming (indien niet het kantoor) kan het karakter van de rit niet worden afgeleid. Omleidingen en extra kilometers voor bijvoorbeeld tanken en garagebezoek zijn niet opgenomen. Ook valt op dat voor een halve dag op kantoor niet de volle afstand is gerekend, maar de helft (31 januari 2013, 1 en 30 maart 2013, 8 en 21 juni 2013, 23 en 27 augustus 2013, 3, 9, 11, 22 en 30 oktober 2013 en 3 december 2013). De gereden afstand zal toch gelijk zijn geweest, onafhankelijk van de tijd die [B] op kantoor heeft doorgebracht.

4.8.

De stelling dat belanghebbende in de jaren voor en na de naheffingstijdvakken wel een sluitende rittenregistratie heeft bijgehouden, levert voor de onderhavige jaren evenmin het overtuigende bewijs op. Hoewel deze rittenregistraties aanwijzingen kunnen bevatten over de omvang en de aard van het gebruik van de BMW in de onderhavige jaren, zijn zij geen overtuigend bewijs van het daadwerkelijke gebruik van de BMW in de onderhavige jaren. Aannemelijk maken is immers niet voldoende (zie 4.2).

4.9.

De combinatie van al hetgeen belanghebbende heeft ingebracht doet niet blijken dat de BMW jaarlijks voor minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

4.10.

Gelet op het oordeel van het Hof over de bewijskracht van de voor het jaar 2013 alsnog overgelegde rittenregistratie, passeert het Hof het aanbod van belanghebbende een op dezelfde wijze op te maken rittenregistratie te overleggen voor de jaren 2009 tot en met 2012. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd aangegeven dat zij dit bewijsaanbod intrekt ingeval het Hof niet overtuigd is van de bewijskracht van de voor 2013 opgestelde rittenregistratie.

4.11.

De naheffingsaanslagen zijn, gelet op het vorenoverwogene, in beginsel terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende opgelegd.

4.12.

Belanghebbende doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende stelt dat zij ongelijk wordt behandeld in vergelijking met ondernemingen in de autobranche. Volgens belanghebbende brengt de Handreiking Bijtelling privégebruik auto voor de autobranche, waarvan belanghebbende ter zitting van het Hof een kopie heeft overgelegd (hierna: de Handreiking), voor dergelijke ondernemers met zich mee dat de bewijslast dat meer dan één auto privé wordt gebruikt, naar de Inspecteur verschuift. Belanghebbende wijst erop dat de Handreiking ook geldt voor directeuren-grootaandeelhouders.

4.13.

Het Hof stelt voorop dat de Handreiking slechts is bedoeld voor ondernemingen binnen de autobranche, gelet op de mogelijkheid van wisselend gebruik van een groot aantal tot de bedrijfsvoorraad behorende auto’s. Belanghebbende behoort niet tot die groep van ondernemingen. De opmerking dat de regeling ook geldt voor directeuren-grootaandeelhouders, maakt dit niet anders. Uit de context van de Inleiding van de Handreiking volgt duidelijk dat deze opmerking betrekking heeft op directeuren-grootaandeelhouders binnen de autobranche. [B] behoort dus evenmin tot de groep waarvoor de Handreiking is bedoeld. Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van begunstigend beleid in die zin dat de bedoelde groep zonder rittenregistratie geen privégebruik in aanmerking zou hoeven nemen. Uit de in de Handreiking opgenomen regeling volgt dat de ondernemingen binnen de autobranche wel degelijk een bijtelling wegens privégebruik in aanmerking moeten nemen. Indien zij dit doen, hoeven zij geen rittenregistratie te voeren voor de ter beschikking gestelde auto. In de Handreiking zijn handvatten opgenomen voor de berekening van de grondslag voor de bijtelling. Het beste van twee werelden, en geen bijtelling en geen rittenregistratie, is niet de strekking van de Handreiking. Het standpunt van belanghebbende berust op een selectieve lezing van de in de Handreiking opgenomen regeling. Van ongelijke behandeling of van wijziging dan wel verlichting van de bewijslast(verdeling) is derhalve geen sprake. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

4.14.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente c.q. de belastingrente. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

4.15.

Tot slot is de vergrijpboete in geschil. De Inspecteur, op wie in dezen de bewijslast rust, stelt zich op het standpunt dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is afgedragen. Belanghebbende heeft zonder ‘Verklaring geen privégebruik’ en zonder sluitende rittenregistratie afgezien van de bijtelling wegens privégebruik voor de BMW. Dit terwijl haar directeur op de hoogte was van de regelgeving met betrekking tot het privégebruik auto. De Inspecteur weerspreekt dat de brief van 25 juli 2008 op advies van de accountant is opgesteld. Het is mogelijk dat belanghebbende de kwestie kort met de accountant heeft besproken, maar een kort gesprekje aan de koffietafel kan niet als het inwinnen van advies bij een gerenommeerd advieskantoor worden beschouwd, aldus de Inspecteur. Belanghebbende had, aldus nog steeds de Inspecteur, daarmee niet mogen volstaan en daadwerkelijk een adviesvraag moeten neerleggen bij haar accountant of (nadere) informatie moeten inwinnen bij haar salarisadministrateur dan wel de Belastingdienst.

4.16.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende haar voorgenomen handelwijze na de aanschaf van de Nissan met de accountant heeft besproken. Anders dan de Inspecteur acht het Hof de verklaring van de directeur van belanghebbende geloofwaardig dat hij dacht op de voorgenomen wijze correct te handelen en een pleitbaar standpunt in te nemen. Hoewel de accountant de tekst van de brief van 25 juli 2008 niet heeft opgesteld, is wel aannemelijk dat bij belanghebbende de indruk is ontstaan dat zij met deze brief kon volstaan. In dit verband hecht het Hof belang aan de persoonlijke omstandigheden van [B] , veroorzaakt door zijn oogziekte. Het is aannemelijk dat [B] als gevolg hiervan veel minder is gaan rijden en dat zijn echtgenote hem sindsdien vaker dan voorheen naar privé-afspraken heeft gereden. Het Hof begrijpt belanghebbende aldus dat hij onder deze omstandigheden mocht menen dat bijtelling voor twee auto’s niet nodig was, aangezien [B] niet tegelijkertijd in twee auto’s kon rijden. Alhoewel dit standpunt juridisch onjuist en zelfs niet pleitbaar is en belanghebbende te lichtvaardig het besluit heeft genomen geen bijtelling voor de BMW toe te passen, ziet het Hof gelet op alle omstandigheden tezamen aanleiding de vergrijpboete te vernietigen. De aard van het verwijt dat aan belanghebbende te maken is, rechtvaardigt geen vergrijpboete wegens grove schuld.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, bepaalt het Hof dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 495 (bedrag 2017)).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op het bij de Rechtbank ingestelde beroep met betrekking tot het jaar 2009 (nummer AWB 16/770),

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,

– verklaart het onder nummer AWB 16/770 bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– bevestigt de uitspraken van de Inspecteur die betrekking hebben op de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente voor het jaar 2009,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur die betrekking heeft op de vergrijpboete voor het jaar 2009,

– vernietigt de vergrijpboete voor het jaar 2009,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 990,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 334 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 503 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Amsterdam, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 5 september 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. In verband daarmee is deze uitspraak ondertekend door mr. A. van Dongen.

(S. Darwinkel) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 5 september 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.