Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7647

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.168.758
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, artikel 30 WAM.

De advocaat-generaal geeft in overweging het sanctiebedrag te matigen in het geval met een onverzekerd voertuig niet aan het verkeer is of kan zijn deelgenomen en de sanctie daardoor evident in geen verhouding staat tot de ernst van de gedraging, te meer wanneer de betrokkene, die van de ongeoorloofde situatie op de hoogte raakt met bekwame spoed alsnog heeft zorggedragen voor de schorsing danwel beëindiging van de tenaamstelling.

Het hof constateert dat kennelijk sprake is van gewijzigd inzicht bij het openbaar ministerie met betrekking tot de verhouding tussen de hoogte van het sanctiebedrag en de ernst van de gedraging. Het hof kan zich in dit geval verenigen met het voorstel van de advocaat-generaal tot matiging van de sanctie en beslist aldus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.168.758

1 september 2017

CJIB 177437960

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 23 februari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 390,- opgelegd ter zake van “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 9 oktober 2013 met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene geeft toe dat zijn voertuig op voormelde datum niet was verzekerd of geschorst. Hij stelt dit na de aanschaf en het overschrijven van het voertuig te zijn vergeten. Het betreft een klassieke motor die motorisch defect is. Met het voertuig kan dus onmogelijk worden gereden. Direct na ontvangst van de brief van de RDW heeft de betrokkene het voertuig laten schorsen. De betrokkene erkent onvoldoende zorgvuldig te zijn geweest, maar pleit ervoor de sanctie in dit geval terug te brengen tot een redelijk niveau.

3. Uit een afdruk uit het kentekenregister van de RDW, die deel uitmaakt van de stukken, blijkt dat het onderhavige voertuig inderdaad een oldtimer betreft (eerste toelating in 1971). Verder blijkt daaruit dat de betrokkene de tenaamstelling van het voertuig in het kentekenregister op 25 oktober 2013 – ruim voor de op 3 december 2013 verzonden inleidende beschikking – alsnog heeft laten schorsen.

4. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Deze bepaling brengt mee dat voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, degene aan wie het kenteken is opgegeven een verzekering overeenkomstig deze wet moet afsluiten en in stand houden.
Uit artikel 67, eerste lid, WVW 1994 blijkt dat de betrokkene als kentekenhouder van het motorrijtuig er verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer (RDW) te verzoeken de tenaamstelling van het voertuig in het kentekenregister te schorsen. Deze schorsing brengt mee dat de verzekeringsplicht gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 2, derde lid, WAM) en de betrokkene dus niet strafbaar is wanneer er dan geen verzekering van kracht is (artikel 30, derde lid, WAM).

5. Gelet op de stukken in het dossier is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Op het moment van de registercontrole was het op naam van de betrokkene gestelde voertuig niet verzekerd en de tenaamstelling daarvan in het kentekenregister evenmin geschorst. Ter beoordeling van het hof is nu of niettemin aanleiding is om in dit geval een sanctie achterwege te laten of het bedrag ervan te matigen.

6. Het hof stelt voorop dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht voor de kentekenhouder een zorgplicht inhouden om een verzekering voor zijn voertuig af te sluiten en in stand te houden dan wel de geldigheid van de tenaamstelling te schorsen. Een sanctie kan op het enkele nalaten aan deze verplichting te voldoen worden gegrond. Er is dan ook geen reden voor het achterwege laten daarvan.

7. De in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in artikel 2 van de WAHV brengt voorts mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie en dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om van het voor elke gedraging vastgestelde tarief af te wijken.

8. De advocaat-generaal heeft in zijn verweerschrift voorgesteld het sanctiebedrag te matigen. Hij geeft het hof in overweging of het feit dat met een onverzekerd voertuig niet aan het verkeer is of kan zijn deelgenomen, niet een bijzondere omstandigheid is die maakt dat de sanctie evident in geen verhouding meer staat tot de ernst van de gedraging, te meer wanneer de betrokkene, die van de ongeoorloofde situatie op de hoogte raakt, met bekwame spoed alsnog heeft zorggedragen voor schorsing dan wel beëindiging van de tenaamstelling.

9. Het hof stelt voorop dat het openbaar ministerie beschikt over de eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van een sanctie lager vast te stellen wanneer de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht dat rechtvaardigen. Het hof constateert dat kennelijk sprake is van gewijzigd inzicht bij het openbaar ministerie met betrekking tot de verhouding tussen de hoogte van het sanctiebedrag en de ernst van de gedraging in situaties als deze, te meer nu namens de advocaat-generaal in verschillende andere zaken waarin het hof heden uitspraak doet hetzelfde standpunt is ingenomen. Het hof kan zich in dit geval met het voorstel van de advocaat-generaal tot matiging van de sanctie verenigen en zal aldus beslissen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt die beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag € 195,00 bedraagt;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV teveel tot zekerheid is gesteld – te weten een bedrag van € 195,00 – door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.