Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7616

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
200.220.217
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsingsverzoek. Uithuisplaatsing kinderen van moeder naar vader niet in belang kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.220.217/02

(zaaknummer rechtbank Overijssel 198326)

beschikking van 31 augustus 2017 op het verzoek tot schorsing

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,
verzoekster,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I. Mercanoğlu te Almelo,

en

de gecertificeerde instelling,

Stichting Jeugdbescherming Overijssel

gevestigd te Enschede,

verweerster,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats belanghebbende] ,

verder te noemen: de vader.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 27 maart 2017 en 20 juli 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Bij de beschikking van 20 juli 2017 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, machtiging verleend de na te noemen kinderen met ingang van de datum van die beschikking uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 26 juli 2017;

- het verweerschrift tevens verweerschrift inzake het verzoek tot schorsing, met

producties;

- een journaalbericht van mr. Mercanoğlu van 6 augustus 2017

met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Mercanoğlu van 21 augustus 2017 met bijlage;

- een journaalbericht van mr. Mercanoğlu van 23 augustus 2017 met bijlagen.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 24 augustus 2017 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van een tolk in de Spaanse taal [tolk] . Namens de GI is [medewerker GI] verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker raad] verschenen. Ook de vader is verschenen.

2.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof een leespauze ingelast, zodat partijen en belanghebbenden behoorlijk kennis hebben kunnen nemen van het verweerschrift en zich deugdelijk hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vrouw heeft een affectieve relatie gehad met de vader en uit deze relatie zijn geboren:

- [kind 1] , op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] , op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] , en

- [kind 3] , op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag. De kinderen hadden hun hoofdverblijf bij de moeder.

3.2

De kinderen zijn sinds 4 juni 2015 onder toezicht gesteld van de GI en de ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van 2 juni 2017.

3.3

Bij beschikking van 27 maart 2017 heeft de rechtbank de raad gelast onderzoek te doen. Op 29 mei 2017 heeft de raad gerapporteerd.

4 De motivering van de beslissing

3.1

Aan de orde is het verzoek van de moeder schorsing te bevelen van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 juli 2017 voor zover het de onder 1 genoemde beslissingen betreft.

3.2

Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.

3.3

Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012.

( i) De verzoeker moet belang hebben bij de door hem gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking.

(ii) Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking. Indien de beslissing de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, is het belang van de schuldeiser bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.

(iii) Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het hoger beroep in beginsel buiten beschouwing.

(iv) Indien de rechtbank in eerste aanleg een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn verzoek ten grondslag moeten leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

( v) Indien de rechtbank in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven op de vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad geldt de hiervoor onder (iv) vermelde eis niet en moet worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (i) tot en met (iii) vermelde. Dat neemt niet weg dat ook dan de verzoeker die wijziging van de beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wenst aan zijn vordering ten grondslag kan leggen een kennelijke juridische of feitelijke misslag in de bestreden uitspraak dan wel feiten en omstandigheden die bij die beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

3.4

Gelet op de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling over en weer is verklaard is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen is de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. Het belang van de kinderen bij deze schorsing dient naar het oordeel van het hof zwaarder te wegen dan het belang van de GI bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de beschikking.

Reeds langere tijd bestaan er ernstige zorgen over de situatie van de kinderen; deze zorgen betreffen de opvoedvaardigheden van de moeder, de verzorging van de kinderen door de moeder en het ernstige loyaliteitsconflict waarin de kinderen verkeren door de strijd tussen hun ouders. Het hof is echter met de raad van oordeel dat de wijze en het tijdstip waarop de GI de uithuisplaatsing van de kinderen van de moeder naar de vader heeft verricht, terwijl ook de opvoedsituatie van de vader nog niet goed in beeld is, niet in het belang van de kinderen is. Op donderdag 3 augustus 2017 heeft de GI besloten dat de kinderen, die die dag naar de vader gingen voor het reguliere omgangsverblijf van twee dagen, niet meer terug naar de moeder zouden gaan. Op dat moment was aan de GI al bekend dat door de advocaat van de moeder aan het hof om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking was verzocht. Het hof heeft niet begrepen waarom de GI de behandeling van dit verzoek bij het hof niet heeft afgewacht. Het is niet duidelijk hoe de GI de kinderen heeft verteld of erop heeft voorbereid dat hun verblijf bij de vader voor langere tijd zou zijn. De moeder heeft verklaard dat zij pas op vrijdag 4 augustus 2017 in een gesprek met haar advocaat heeft begrepen dat er sprake was van de uithuisplaatsing van de kinderen en dat zij niet, zoals eerder afgesproken, op 5 augustus weer naar de moeder zouden komen. Tevens is onduidelijk wat het effect dan wel de schade van deze plotse verandering en het op deze wijze uitvoeren van de machtiging tot uithuisplaatsing op de kinderen is (geweest). De kinderen hebben op 3 augustus 2017 niet op gepaste wijze afscheid kunnen nemen van de moeder, terwijl vaststaat dat de kinderen erg gehecht zijn aan haar.

Het hof is zich er van bewust dat met de schorsing van de uitvoerbaarheid van voorraad van de bestreden beschikking binnen korte tijd voor de kinderen wederom een belastende verplaatsing - nu van de vader naar de moeder - dient plaats te vinden. Toch acht het hof dit minder schadelijk voor de kinderen dan wanneer de kinderen na behandeling van het beroep door het hof na een langer verblijf bij de vader mogelijk weer zouden dienen te verhuizen. Evenals de raad ter zitting heeft het hof daarbij mede in overweging genomen dat, op dit moment de kinderen nog schoolvakantie hebben en met hun besproken zou kunnen worden dat zij een lange vakantie hebben doorgebracht bij de vader en nu hun school op maandag

4 september weer begint, zij weer bij de moeder zullen verblijven.

Het hof acht het dan ook in het belang van de kinderen dat zij nu zullen terugkeren naar de moeder. In die voor de kinderen bekende situatie kan tijdens de behandeling van het beroep tegen de bestreden beschikking met inachtneming van alle dan bekende feiten en omstandigheden worden beoordeeld wat het beste is voor hen. Op deze wijze wordt de juridische beoordeling in de hoofdzaak niet ingehaald of bepaald door de eventuele ontwikkelingen in het feitelijk verblijf van de kinderen bij de vader.

4 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van de moeder toe;

schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 juli 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.J. Stolwerk en T. ter Brugge, bijgestaan door mr. M. Ligtenberg-Vastenholt als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. Stolwerk en is op 31 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.