Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:761

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
24-05-2017
Zaaknummer
200.192.906
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie. Geen verwijtbaar inkomensverlies. Aanwenden ontslagvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.192.906

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 401127)

beschikking van 2 februari 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L.M. Bongers te Wijk bij Duurstede,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.Y.M. Jansse te Zeist.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 maart 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 juni 2016;

- het verweerschrift in hoger beroep met productie;

- een journaalbericht van mr. Bongers van 10 november 2016 met producties;

- een journaalbericht van mr. Jansse van 10 november 2016 met producties;

- een journaalbericht van mr. Bongers van 22 november 2016 met één productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 24 november 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 10 augustus 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 8 augustus 2012 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank Utrecht bepaald dat de regeling, zoals tussen verzoekers is overeengekomen in het aan die beschikking gehechte en door de rechtbank gewaarmerkte echtscheidingsconvenant, deel uitmaakt van die beschikking.

3.3

Bij voormeld convenant zijn partijen voor zover van belang overeengekomen dat de man zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.135,- per maand. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2016 ingevolge de wettelijke indexering € 1.189,27 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van de man -om die bijdrage met ingang van 1 juni 2015 op nihil vast te stellen en bij afwijzing van dat verzoek of indien alsnog de partneralimentatie wordt gewijzigd, de termijn waarover de man de bijdrage aan de vrouw verschuldigd is wordt gesteld op maximaal één jaar na datum indiening verzoekschrift- afgewezen.

4.2

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 maart 2016. Grief één ziet op de behoefte van de vrouw. Grief twee ziet op het verwijtbaar inkomensverlies van de man, en grief drie op de verdeling van de woonlasten van de man met zijn echtgenote. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld, primair omdat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een bijdrage en subsidiair omdat de man niet langer in staat is om de eerder vastgestelde bijdrage te voldoen en de vrouw bij betaling van de partneralimentatie in een financieel voordeliger positie komt te verkeren dan de man.

4.3

De vrouw voert verweer. Zij verzoekt het hof de verzoeken van de man af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5 De motivering van de beslissing

Partneralimentatie

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.


hoogte van de behoefte vrouw

5.2

De man stelt de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie. Hij stelt dat gelet op het huidige hogere inkomen van de vrouw zij haar huidige behoefte nader dient te onderbouwen en dat haar behoefte lager is dan ten tijde van het tekenen van het convenant omdat zij meer is gaan werken. De vrouw betwist dat en stelt dat zij nog immer behoefte heeft aan de vastgestelde bijdrage.

5.3

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen hoe hoog de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. Tussen partijen is in geschil of de behoefte van de vrouw destijds is vastgesteld op 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk.

5.4

In het echtscheidingsconvenant dat partijen zijn overeengekomen staat het inkomen van beide partijen vermeld. Het inkomen van de man bedroeg in 2011 € 59.303,- bruto en het inkomen van de vrouw € 18.125,-. Op grond hiervan berekent het hof, evenals de rechtbank het netto besteedbaar inkomen op € 4.584,- per maand en de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op € 2.750,- netto per maand. Gelet op het door de rechtbank berekende inkomen van de vrouw, € 1.475,- netto per maand, heeft de vrouw op grond van de 60% regeling, nog behoefte aan de in het convenant vastgestelde bijdrage.

5.5

De man stelt dat de vrouw haar behoefte nader dient te onderbouwen en de vrouw heeft daarop een behoeftelijst opgesteld (bijlage A bij het verweerschrift in hoger beroep). De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de hoogte van de kosten van de boodschappen van € 400,- per maand en de post "reservering onvoorzien" van € 150,- per maand weersproken. Ook ziet de man de noodzaak voor het opnemen van de ASR overlijdensrisicoverzekering niet.

5.6

Het hof oordeelt als volgt.
Nog daargelaten de noodzaak voor het bij de behoefte van de vrouw betrekken van de ASR-overlijdensrisicoverzekering, is het hof van oordeel dat de vrouw op grond van de door haar opgestelde behoeftelijst nog steeds behoefte heeft aan de vastgestelde bijdrage. Daarbij houdt het hof rekening met de door de man betwiste posten, stelt het hof de kosten voor boodschappen in redelijkheid op € 300,- per maand vast en laat het de posten "reservering onvoorzien" en ASR overlijdensrisicoverzekering buiten beschouwing. Dit leidt tot een vermindering van de volgens de behoeftelijst toegelichte behoefte van de vrouw met (€ 100,- + € 150,- + € 22,50 =) € 272,50 per maand. De op de lijst vermelde behoefte van € 2.716,- vermindert het hof met deze € 272,50 zodat een behoefte resteert van € 2.443,50 per maand. Het huidige salaris van de vrouw bedraagt blijkens de bij het journaalbericht van 10 november 2016 overgelegde salarisspecificatie € 1.490,21 per maand te vermeerderen met vakantietoeslag, aldus € 1.565,72 netto per maand. De vrouw heeft naast voormeld inkomen nog behoefte aan een bijdrage van € 878,78 netto per maand. Het hof stelt daarmee vast dat de vrouw in elk geval behoefte heeft aan de huidige door de man betaalde bijdrage van € 1.189,27 bruto per maand.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, dat op de behoeftelijst veel maandbedragen zijn vermeld hetgeen een vertekend beeld geeft, nu de man die stelling niet nader heeft toegelicht en het hof op grond daarvan niet duidelijk is welke gevolgtrekking de man aan zijn stelling verbindt.

5.7

De man stelt voorts dat de vrouw meer kan gaan werken om daarmee geheel in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
De vrouw heeft daarop aangevoerd dat zij haar dienstverband heeft kunnen uitbreiden van 25 uur naar 31 uur per week. Blijkens de verklaring van de werkgever van de vrouw (productie bij journaalbericht van 10 november 2016), zijn er geen mogelijkheden bij de huidige werkgever om meer uren te werken en zijn er geen vacatures.

5.8

Het hof is van oordeel dat de vrouw zich voldoende heeft ingespannen om zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw werkt al sinds 1999 bij haar huidige werkgever [X]. Na de echtscheiding van partijen eind 2012 heeft de vrouw haar parttime dienstverband kunnen uitbreiden van 25 naar 31 uur per week. Voorts heeft zij aangetoond dat een verdere uitbreiding van haar werktijd bij haar huidige werkgever niet tot de mogelijkheden behoort. Gelet op de leeftijd van de vrouw en haar eenzijdige werkervaring is naar het oordeel van het hof niet te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd in staat is in redelijkheid meer inkomsten te verwerven om geheel te kunnen voorzien in haar behoefte. Uitbreiding van haar inkomsten door middel van een dienstverband naast haar huidige dienstverband van 31 uur acht het hof moeilijk realiseerbaar en van de vrouw kan niet worden gevergd dat zij haar vaste dienstverband inruilt voor een tijdelijk dienstverband als daar slechts een geringe inkomenstoename tegenover zou staan. Desalniettemin gaat het hof er wel van uit dat de vrouw zich blijft inspannen om haar verdiencapaciteit zoveel mogelijk te benutten en uit te breiden.

5.9

De man heeft voorts verzocht de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te limiteren tot maximaal drie jaren, omdat de vrouw voldoende tijd heeft om haar werkzaamheden uit te breiden gezien haar persoonlijke omstandigheden, de capaciteiten en de leeftijd van de vrouw. Het hof gaat, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voorbij aan dit verzoek van de man. Nog daargelaten dat de man zijn standpunt dat de vrouw binnen de door hem genoemde termijn geheel in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft de man naar het oordeel van het hof ook onvoldoende gesteld om te kunnen komen tot de door hem verzochte vèrstrekkende beslissing die het recht van de vrouw op een bijdrage in haar levensonderhoud na bedoelde termijn praktisch definitief doet eindigen. Grief 1 faalt.

draagkracht van de man

5.10

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.

5.11

De man is gehuwd met [A.], verder [A.]. [A.] heeft tijdens haar vorige huwelijk, gedurende 20 jaar, aldus de onbetwiste stelling van de man, niet deelgenomen aan het arbeidsproces. Thans werkt zij voor uitzendbureau [xx] en heeft zij een inkomen rond bijstandsniveau.

De arbeidsovereenkomst van de man bij [Y] is met ingang van 31 mei 2015 beëindigd. Met ingang van 8 juni 2015 is de man werkzaam bij [Z]. Blijkens de aangifte inkomstenbelasting 2015 heeft de man een beëindigingsvergoeding van [Y] ontvangen van € 117.690,- bruto (€ 56.490,- netto). Het belastbaar inkomen van de man bedroeg dat jaar volgens dezelfde aangifte € 24.863,- bij [Y] en € 22.634,- bij [Z].

Blijkens de overgelegde salarisspecificaties van periode 7 tot en met 10 in 2016 bedraagt het inkomen van de man € 2.850,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag.
Blijkens de cumulatieven vermeld op de specificatie van periode 10/2016 heeft de man in 2016 tot en met die periode ontvangen: € 28.500,- bruto aan loon (€ 30.780,- inclusief vakantietoeslag), € 2.737,64 aan overwerkloon, € 1.175,63 aan overwerktoeslag en € 2.248,49 aan reisuren 100%. Daarnaast heeft de man in 2016 tot en met periode 10 aan vergoedingen ontvangen: € 1.867,- aan kilometervergoeding belast; € 3.547,30 aan kilometervergoeding onbelast, en € 2.330,- aan daggeldvergoeding.

5.12

Tussen partijen is in geschil of het inkomensverlies verwijtbaar is. Naar het oordeel van het hof heeft de man aangetoond dat hij zijn baan bij [Y] heeft verloren in verband met bedrijfseconomische omstandigheden. Vaststaat dat de man niet kan terugkeren in zijn oude werkkring of dat hij elders tegen een vergelijkbaar salaris in dienst kan treden.

5.13

Aan de orde is vervolgens of de man de door de hem ontvangen ontslagvergoeding had dienen aan te wenden om de achteruitgang in inkomen op te vangen.
Het hof sluit aan bij hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking heeft overwogen en beslist. De man heeft ervoor gekozen om de ontslagvergoeding grotendeels aan te wenden voor de verbouwing van zijn huis, dat volgens hem gemoderniseerd moest worden en bij de aanschaf waarvan hij rekening heeft gehouden met de inwoning van zijn kinderen en de kinderen van [A.].
In het licht van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw kan de man de gevolgen van deze keuze niet afwentelen op de vrouw. Dit geldt temeer nu hij ervan op de hoogte was dat hij minder inkomen zou verwerven bij zijn nieuwe werkgever. Hier komt nog bij dat de noodzaak van de verbouwing/modernisering niet blijkt uit de door de man overgelegde stukken nu deze geen inzicht verschaffen in de feitelijke uitgaven die de man van de ontslagvergoeding heeft gedaan. Dat voor de man en [A.] de noodzaak bestond om een andere auto aan te schaffen, heeft de man tegenover de betwisting door de vrouw, eveneens niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop gaat het hof er evenals de rechtbank vanuit dat de man zijn ontslagvergoeding (had) dien(en)t te gebruiken om zijn huidige inkomen aan te vullen tot zijn voormalige inkomen van € 59.303,- bruto per jaar.
Gelet op de hiervoor onder 5.11 vermelde bruto inkomsten van de man in de eerste 10 periodes van 2016 bestaande uit € 28.500,- bruto aan loon (€ 30.780,- inclusief vakantie-toeslag), € 2.737,64 aan overwerkloon; € 1.175,63 aan overwerk toeslag; € 2.248,49 aan reisuren 100%, berekent het hof het belastbaar jaarinkomen van de man op ruim € 44.000,- zodat het inkomen met ongeveer € 15.000,- bruto per jaar van de ontslagvergoeding zou moeten worden aangevuld. Het hof acht het redelijk ervan uit te gaan dat de man gedurende een aantal jaren in staat kan worden geacht zijn inkomen aldus aan te vullen.

5.14

De man heeft aangevoerd dat zijn huidige arbeidsovereenkomst die duurt tot 31 december 2016 niet wordt verlengd. De man heeft bij journaalbericht van 22 november 2016 een memo van zijn werkgever overgelegd met als onderwerp de aanzegging einde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Het hof ziet in deze door de man aangevoerde toekomstige omstandigheid, waarvan vooralsnog de consequenties voor het inkomen niet zijn te voorzien, geen aanleiding om een lager inkomen in aanmerking te nemen bij de bepaling van zijn draagkracht.

5.15

Het hof acht het redelijk het aan [A.] toe te rekenen deel in de woonlasten van de man te bepalen op de in de bijstandsnorm begrepen woonlastencomponent, aldus op een bedrag € 229,- per maand. Het hof betrekt hierbij het verschil in inkomen van de man en [A.], zoals hiervoor onder 5.11 vermeld en het feit dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [A.] zich voldoende inspant, dan wel heeft ingespannen, om meer inkomsten uit arbeid te verwerven om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, maar dat dit tot op heden niet is gelukt, en [A.] eerst sinds kort, na een lange afwezigheid, weer deelneemt aan het arbeidsproces, zodat haar mogelijkheden op die markt beperkt zijn. Evenals van de vrouw kan van [A.] gevergd worden dat zij zich in blijft spannen om haar verdiencapaciteit ten volle te benutten.

5.16

Het hof houdt naast voormeld aan [A.] toe te rekenen deel van de woonlasten rekening met de volgende woonlasten aan de zijde van de man. De hypotheekrente van

€ 732,44 per maand, de spaarpremie verbonden aan de hypotheek van € 230,10 per maand, een eigenwoningforfait van € 1.627,-, het forfait eigenaarslasten van € 95,- per maand, en de niet betwiste premie ziektekostenverzekering die de rechtbank in zijn draagkrachtberekening heeft opgenomen van € 137,- per maand en het eigen risico van € 32,- per maand.

Op grond hiervan berekent het hof de draagkracht van de man op € 1.791,- per maand.

5.17

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat het hof uit van de in hoger beroep niet in geschil zijnde gegevens in eerste aanleg. Op grond hiervan bedraagt de draagkracht van de vrouw € 116,- per maand.

5.18

Omdat de man stelt dat de vrouw bij toekenning van de vastgestelde partneralimentatie in een betere financiële positie komt dan hij, heeft het hof een zogenaamde jusvergelijking gemaakt. Daarbij heeft het hof aan de zijde van beide partijen, evenals bij de berekening van de draagkracht van beiden, rekening gehouden met de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60 en de hiervoor vermelde financiële gegevens. Uit deze berekening blijkt dat de vrouw bij de vastgestelde partneralimentatie van € 1.189,27 per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man, zodat er geen reden is de bestreden beschikking te wijzigen.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven deels maar leidt dit niet tot een ander oordeel dan het oordeel van de rechtbank. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de partijen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 maart 2016;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. Stolwerk, J.B. de Groot en S.M. Evers, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier, en is op 2 februari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.