Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7589

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
21-000833-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag op zijn ex-levenspartner. Wel een aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster, maar contra-indicaties voor het aanvaarden van die kans. Hieruit volgt dat moet worden geconcludeerd dat geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Verdachte wordt wegens poging tot zware mishandeling, verkrachting en mishandeling veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000833-17

Uitspraak d.d.: 31 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 1 februari 2017 met parketnummer 16-659962-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde en veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest, onttrekking aan het verkeer van het mes en de telefoon van verdachte en teruggave van de overige in beslag genomen goederen aan de rechthebbenden. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. E.M.J. van Nieuwenhuizen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde en heeft verdachte veroordeeld ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van voorarrest, heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen beslist dat het mes en de telefoon van verdachte zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat de overige in beslag genomen goederen zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n).

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vanwege proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

Omvang en ontvankelijkheid van het hoger beroep

Namens verdachte is tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Blijkens de door de raadsvrouw van verdachte aan de griffier van de rechtbank verleende volmacht tot het instellen van het hoger beroep en de akte waarbij hoger beroep is ingesteld heeft de verdediging gemeend om het hoger beroep te beperken tot de bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair.

Op grond van artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering kan alleen tegen het vonnis in zijn geheel hoger beroep worden ingesteld. Slechts wanneer in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank zijn onderworpen (cumulatief ten laste gelegde feiten), kan het hoger beroep tot een of meerdere van de gevoegde zaken worden beperkt. Een beperking van het hoger beroep zoals de raadsvrouw voor ogen heeft gehad is derhalve niet mogelijk. Wanneer er bij het instellen van het hoger beroep ongeoorloofde beperkingen zijn toegebracht, zoals de raadsvrouw in casu heeft gedaan, volgt blijkens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad in beginsel een niet-ontvankelijkverklaring in het gehele hoger beroep. Niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege wanneer de verdachte of de op de voet van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering gemachtigde raadsman/-vrouw ter terechtzitting in hoger beroep verklaart het hoger beroep zonder de ten onrechte aangebrachte beperking te willen doorzetten.

Het hof komt op grond van het verhandelde ter zitting zoals dit uitgebreid zal worden weergegeven in het op te maken proces-verbaal van de zitting, tot de vaststelling dat de verdediging nadat zij vooreerst het hoger beroep wenste te beperken tot de bewezenverklaring van voornoemde feiten, het hoger beroep zonder de ten onrechte in de appelakte aangebrachte beperking heeft willen doorzetten. Het hof komt op grond hiervan tot de conclusie dat het hoger beroep als onbeperkt ingesteld dient te worden opgevat. Verdachte is daarom ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 03 augustus 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans éénmaal, met zijn hand(en) en/of een keycord de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen waardoor die [slachtoffer] enige tijd het bewustzijn heeft verloren en/of (daarbij) die [slachtoffer] de volgende woorden heeft toegevoegd: "Ik ga jou doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 03 augustus 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal, met zijn hand(en) en/of een keycord de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen waardoor die [slachtoffer] enige tijd het bewustzijn heeft verloren, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2:
hij op of omstreeks 03 augustus 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte:

zijn penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht/gehouden,

bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte (voordat hij zijn penis in de mond duwde/bracht/hield):

- die [slachtoffer] in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en/of

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar zou doodmaken en/of

- een mes bij de keel, in elk geval bij het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gehouden en/of

En aldus een zeer bedreigende situatie heeft geschapen en voorts dat terwijl die [slachtoffer] meermalen heeft aangegeven dat het pijn deed en/of (telkens) haar hoofd een andere kant op heeft gedraaid, in elk geval haar hoofd heeft weggedraaid van de penis,

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] heeft geduwd/gebracht/gehouden en/of

- die [slachtoffer] (daarbij) bij haar haren heeft vastgepakt en/of heeft gevraagd: "Hou jij nog van mij?" en/of "Kom maar met je tong" en/of "Kom dan!" en/of "Een beetje zuigen!" en/of "Als je van me houdt, dan moet je ook pijn nemen", althans woorden van gelijke aard of strekking;

3 primair:
hij op of omstreeks 03 augustus 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal, (met kracht)

- ( terwijl die [slachtoffer] op de trap stond) van de trap heeft getrokken en/of

- die [slachtoffer] in/tegen het gezicht, althans het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of

- een mes tegen de buik en/of de keel van die [slachtoffer] heeft gehouden/geduwd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3 subsidiair:
hij op of omstreeks 03 augustus 2016 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer] , meermalen, althans éénmaal, (met kracht)

- ( terwijl die [slachtoffer] op de trap stond) van de trap heeft getrokken en/of

- die [slachtoffer] in/tegen het gezicht, althans het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of

- een mes tegen de buik en/of de keel van die [slachtoffer] heeft gehouden/geduwd,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde

Het hof heeft conform de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsvrouw uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Partiële vrijspraak van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde

Zowel de advocaat-generaal als de raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring ten aanzien van mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Het hof komt ten aanzien van het bewijs voor deze strafverzwarende omstandigheid tot een andere conclusie, en baseert dit oordeel op de feitelijke vaststellingen hieromtrent zoals weergegeven onder de overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 1.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van feit 1

Door de verdediging is ter zitting van het hof aangevoerd, dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat bij verdachte geen sprake was van opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel van/bij aangeefster.

Het hof baseert het oordeel over de bewezenverklaring in de eerste plaats op de verklaring van aangeefster, zoals zij die heeft afgelegd bij de politie. Aangeefster is tweemaal door de politie gehoord en eenmaal door de rechter-commissaris. Zij heeft bij die gelegenheden helder en consistent verklaard. Het hof acht haar verklaringen betrouwbaar, te meer nu deze steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Op grond van aangeefsters verklaring komt het hof tot de volgende vaststelling van de feitelijke gang van zaken. Verdachte en aangeefster hadden een relatie met elkaar waaruit een zoon is geboren, maar sinds 25 juni 2016 waren zij uit elkaar. Aangeefster woonde sindsdien ook niet meer bij verdachte maar bij haar moeder. Aangeefsters verklaring wordt op dit punt ondersteund door de verklaring van haar moeder en ook door de app-berichten tussen verdachte en aangeefster op 2 augustus 2016, waarin wordt gesproken over een omgangsregeling met de kinderen en verdeling van goederen uit het huis.

Uit aangeefsters verklaring volgt verder dat aangeefster op 3 augustus 2016 hun zoon van de crèche zou halen. Hier had zij de kinderstoel voor nodig die – zo veronderstelde zij - nog in de woning van verdachte lag. Toen zij rond 14:00 uur in haar auto op weg was naar de woning kwam zij verdachte tegen, rijdend in zijn auto. Hij reed haar klem en stapte daarna uit. Hij vroeg of zij de speen van hun zoon had. Toen zij ontkennend antwoordde en hem vervolgens vroeg of de kinderstoel nog bij hem thuis lag, antwoordde verdachte bevestigend. Aangeefster en verdachte reden vervolgens ieder in hun eigen auto naar het huis van verdachte.

Daar aangekomen kon aangeefster de kinderstoel niet vinden, deze stond niet op de gebruikelijke plek. Volgens mededeling van verdachte stond de stoel op de zolder. Aangeefster liep naar de zolder maar zag daar al snel dat de stoel daar niet stond. Uit een verklaring van een crèchemedewerkster blijkt dat de kinderstoel die middag niet in het huis van verdachte, maar op de crèche lag. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij met andere bedoelingen heeft gezegd dat de kinderstoel op zolder lag, dat hij aangeefster naar zijn huis heeft laten komen omdat hij met haar wilde praten over haar seksuele activiteiten met een andere man.

Toen aangeefster weer naar beneden wilde lopen kwam verdachte met een mes in zijn handen naar boven gelopen.

Vervolgens duwt verdachte aangeefster de slaapkamer in en duwt hij haar op het bed. Hij gaat op haar zitten en slaat haar in haar gezicht en op haar hoofd, zo vaak dat dit door aangeefster als ontelbaar wordt omschreven. Het mes zet hij op haar buik en tegen haar keel. Als aangeefster probeert het mes af te weren raakt verdachte met het mes haar vinger. Ondertussen praat en schreeuwt verdachte tegen aangeefster. Hij heeft gehoord dat zij met een andere man naar bed is geweest en is daar woedend over. Hij confronteert haar hiermee en hoort haar uit. Hij dreigt haar te vermoorden: “Houd je bek, houd je bek, want je gaat eraan!” Aangeefster heeft een keycord om haar nek en verdachte pakt het vast en begint eraan te draaien. Hij draait het zo strak dat aangeefster geen adem meer kan halen. Aangeefster zegt ook tegen verdachte dat ze niet kan ademen. Telkens stelt hij haar een vraag en laat dan even het keycord los zodat zij antwoord kan geven. Daarna trekt hij weer aan.

Verdachte trekt aangeefster mee aan het keycord naar beneden, naar de woonkamer. Ondertussen blijft hij aangeefster ondervragen, blijft hij haar slaan in haar gezicht en tegen haar lichaam en haar bedreigen met het mes. Ook blijft hij het keycord telkens vastsnoeren, waardoor aangeefster geen adem meer kan halen. Aangeefster bemerkt dat verdachte opnames maakt met zijn telefoon.

Uit de verklaring van aangeefster blijkt ook genoegzaam dat aangeefster als gevolg van het dichtknijpen van haar keel het bewustzijn heeft verloren. Aangeefster verklaart hierover dat ze stukjes van de gebeurtenissen mist. Het voelde alsof haar ogen uit haar oogkassen plopten, ze proefde bloed in haar mond, ze voelde dat haar tong uit haar mond ging en dat ze dat niet tegen kon houden. Het voelde alsof haar hoofd zou ontploffen, haar hoofd stond op knappen. Ze herinnert zich dat ze bijkwam en verdachte dan ergens zag staan en over iets hoorde praten, maar ze wist niet wat hij daarvoor had gezegd.

Aangeefsters verklaring wordt allereerst ondersteund door het letsel dat bij haar is geconstateerd. Om 15:52 uur diezelfde dag wordt door verdachte om een ambulance gebeld. Aangeefster wordt door de ambulance meegenomen en wordt opgenomen in het ziekenhuis, waar twee verbalisanten haar na een melding om 18:30 uur opzoeken. Zij zien bij aangeefster meerdere blauwe plekken en verdikkingen rond haar ogen, in haar gezicht en in haar nek. In haar hals zagen zij meerdere blauwe plekken en striemen. Na drie dagen wordt aangeefster uit het ziekenhuis ontslagen.

Uit de geneeskundige verklaring van 15 augustus 2016 blijkt dat aangeefster onder meer aan de linkerzijde van haar hals meerdere horizontale streepvormige rode verkleuringen en zwellingen heeft, passend bij een bloeduitstorting. Daarnaast heeft haar rechteroog een rode verkleuring, wat past bij een bloeding van het oog, en is er een zwelling onder het oog van enkele centimeters wat past bij een bloeduitstorting. Op de linkerzijde van het voorhoofd is een rode verkleuring, eveneens passend bij een bloeduitstorting. Aan de binnenzijde van de bovenlip is een oppervlakkige wond van 5 millimeter. In de linkerduim is een verticale streepvormige oppervlakkige wond van 1 centimeter die passend is bij een snijwond. De arts concludeert dat het geconstateerde letsel goed kan passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht (het hof begrijpt en leest: van het slaan door een ander op onder meer haar gezicht, borstbeen, snijden in linkerhand toen ze een mes afweerde, en een wurgpoging).

Op de telefoon van verdachte worden twee geluidsopnames aangetroffen. Deze opnames zijn door een verbalisant beluisterd en schriftelijk weergegeven in een proces-verbaal van bevindingen. Ook het hof heeft deze opnames beluisterd. Het hof heeft geconstateerd dat de opnames overeenkomen met de weergave zoals neergelegd in voornoemd proces-verbaal van bevindingen zoals deze hierna verkort is weergegeven. Het hof constateert ook dat aangeefsters verklaring grotendeels wordt ondersteund door deze schriftelijke weergave, zoals deze hierna verkort is weergegeven.

Het eerste geluidsfragment betreft een geluidsopname van 00:17:14 minuten,

Ik hoorde een gesprek tussen [verdachte] en [slachtoffer] . Ik weet dit omdat zij elkaar regelmatig bij de voornaam noemden. Ik hoorde [slachtoffer] smeken en huilen. Ik hoorde [slachtoffer] smeken dat ze zweert op haar kinderen dat ze de waarheid vertelt. Ik hoorde een klap en ik hoorde [slachtoffer] schreeuwen “Ik zweer het je, ik lieg niet.” Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Hou je bek, hou je mond, anders trek ik hem aan en ben je klaar.” Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: “Ik leg het uit, mag ik alsjeblieft rechtop zitten, ik kan niet ademen.” Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Kom staan, dat is ook net de bedoeling”. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: “Ik gleed uit, ik gleed uit [verdachte] , sorry. Ik wil niet dood, ik heb kinderen”. Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Hou je mond, als je niet rustig doet, dan wurg ik je hier.” Ik hoorde [slachtoffer] een aantal keren smeken of het losser mag omdat ze niet kan ademen. Ik hoorde meerdere keren een raspend geluid. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: “Wat kunnen we doen zonder dat je mij slaat of doodmaakt?” Ik hoorde haar zeggen dat ze alles gaat vertellen. Ik hoorde haar weer smeken dat ze niet kan ademen. Ik hoorde [slachtoffer] smeken om het mes weg te leggen. Ik hoorde haar zeggen: “Ik kan niet nadenken als je dat mes in je handen hebt”.

Het tweede geluidsfragment betreft een opname van 00:38:41 minuten.

Ik hoorde [verdachte] vier keer zeggen: “Moet ik je nu wurgen?” Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: “Wil je dat mes wegleggen, ik kan niet praten.” Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Nee dat mes gaat niet weg, moet ik je weer wurgen?” Ik hoorde [slachtoffer] zeggen dat het uit was tussen hun. Ik hoorde [verdachte] schreeuwen: “Beweer je nog steeds dat het uit was tussen ons?” Ik hoorde een klap en ik hoorde [slachtoffer] schreeuwen: “Het doet pijn, het doet pijn, dan moet je me niet wurgen.” Ik hoorde dat ze naar adem hapte. Ik hoorde haar weer zeggen: “ [verdachte] niet doen, niet doen, ik wil niet dood.” Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Sta op, ga je flauw spelen?” Ik hoorde [slachtoffer] zeggen: “Nee ik ga niet flauw spelen, het werd plotseling zwart, nee ik ga niet flauw spelen.” Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Hou je bek, als ik dit nog een keer moet zeggen krijg je iedere keer een klap tot je flauwvalt en weer bijkomt”.

Verdachte heeft ter zitting van het hof een grotendeels bekennende verklaring afgelegd. Zo heeft hij – voor zover hier van belang – verklaard dat hij meermalen met kracht aan het keycord heeft getrokken dat aangeefster om haar nek had hangen. Als gevolg hiervan stond er spanning op het keycord en werd aangeefsters hoofd naar voren getrokken. Aangeefster heeft daarop tegen hem gezegd dat ze niet kon ademen. Aangeefster maakte ook gorgelende stikgeluiden. Verdachte gaat ervan uit dat ze dat deed omdat ze vond dat het koord te strak zat. Ook is er een worsteling tussen hen ontstaan, waarbij aangeefster probeerde zich te ontdoen van het keycord.

Het hof beschouwt deze verklaring van verdachte voor zover hiervoor weergegeven dan ook als ondersteunend bewijs voor de verklaring van aangeefster.

Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij op geen enkel moment de keel van aangeefster met het keycord zodanig heeft dichtgeknepen dat zij daardoor geen adem meer kón halen. Aangeefster is volgens zijn verklaring ook telkens aanspreekbaar geweest, en heeft op geen enkel moment het bewustzijn verloren. Hij heeft ook op geen enkel moment de intentie gehad om aangeefster te wurgen, aldus verdachte.

Het hof stelt vast dat de verklaring van verdachte op het punt dat hij haar keel niet heeft dichtgeknepen met het keycord waardoor aangeefster geen adem meer kon halen, zijn weerlegging vindt in de reeds betrouwbaar geachte verklaring van aangeefster. Dit geldt ook voor de verklaring van verdachte dat aangeefster niet buiten bewustzijn is geraakt. Het hof acht op grond van voorgaande de verklaring van verdachte op deze punten niet aannemelijk geworden.

Opzet

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte bij zijn handelen opzet had op de dood van aangeefster, subsidiair of zijn opzet gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte ontkent te hebben gehandeld met de intentie om aangeefster te doden dan wel haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het hof stelt vast dat op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet bewezen kan worden dat verdachte zogenoemd ‘vol’ opzet heeft gehad op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van aangeefster.

De volgende vraag die dient te worden beantwoord is of kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op haar dood.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit het feit dat aangeefster als gevolg van het meermalen dichtknijpen van de keel door verdachte buiten bewustzijn is geraakt, volgt dat er sprake is geweest van een zodanige kracht, duur en(/of) intensiteit van het dichtknijpen van de keel dat daaruit kan worden afgeleid dat als gevolg hiervan de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat het slachtoffer zou komen te overlijden.

Verdachtes gedragingen, het krachtig dichtsnoeren van de keel, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van aangeefster dat het – behoudens contra-indicaties - niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster heeft aanvaard.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of er sprake is van contra-indicaties die het aannemen van het aanvaarden van die kans in de weg staan.

Verdachte heeft op een later moment diezelfde middag, toen aangeefster wederom dreigde buiten bewustzijn te raken, op aanwijzingen van zijn vriend met wie hij op dat moment aan het bellen was, water in het gezicht van aangeefster gegooid. Hij heeft de ramen opengezet en de ambulance gebeld. Daarnaast heeft verdachte volgens aangeefsters verklaring tijdens momenten dat hij het keycord dichtsnoerde meermalen tegen haar gezegd dat hij haar zou wurgen totdat zij buiten bewustzijn raakte en dat hij haar daarna weer zou bijbrengen. Het hof beschouwt dit handelen en deze uitlatingen als contra-indicaties waaruit moet worden geconcludeerd dat er ten tijde van verdachtes gedragingen zoals deze bewezen worden verklaard geen sprake was van opzet op de dood van aangeefster. Dat aangeefster hartpatiënt was maakt dit oordeel niet anders. Het gaat er immers om of geconcludeerd kan worden dat verdachte de kans op de dood heeft aanvaard.

Het hof komt op grond van het voorgaande - derhalve op andere gronden dan

de rechtbank - evenals de rechtbank tot een vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

De volgende vraag die dient te worden beantwoord is of kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Anders dan de raadsvrouw betrekt het hof in het oordeel omtrent het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet alleen de verwurgingen maar ook het feit dat hij die verwurgingen pleegde onder de omstandigheid dat verdachte gedurende langere tijd ook ander geweld op aangeefster heeft uitgeoefend.

Uit het feit dat aangeefster als gevolg van het meermalen dichtknijpen van de keel door verdachte buiten bewustzijn is geraakt, volgt dat er sprake is geweest van een zodanige kracht, duur en(/of) intensiteit van het dichtknijpen van de keel dat daaruit kan worden afgeleid dat als gevolg hiervan - naast dat er, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, een aanmerkelijke kans was op het overlijden van aangeefster - de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de halsstreek een zeer kwetsbaar gebied van het lichaam is, nu de luchtpijp zich er bevindt. De halsstreek is zeer gevoelig voor samendrukking waardoor als gevolg van zuurstoftekort grote schade aan het lichaam, waaronder met name ook de hersenen kan worden toegebracht. Verdachte moet dit ook hebben geweten.

Verdachtes gedragingen, het krachtig dichtsnoeren van de keel, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van aangeefster heeft aanvaard. Van contra-indicaties is naar het oordeel van het hof hier geen sprake.

Het hof komt op grond van voorgaande tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 2

Door de raadsvrouw is ter zitting van het hof naar voren gebracht, dat er geen direct verband is tussen de gebruikte dwangmiddelen en het seksueel binnendringen van aangeefsters lichaam door verdachte. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof gaat daarbij uit van de verklaring van aangeefster. Daaruit blijkt genoegzaam dat er sprake was van een causaal verband tussen de dwangmiddelen zoals die ten laste zijn gelegd en hierna bewezen zullen worden verklaard, en het dwingen van aangeefster tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam: het brengen van verdachtes penis in haar mond. De verklaring van aangeefster wordt op dit punt overigens ondersteund door de verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting in eerste aanleg voor zover die luidt dat hij aangeefster heeft gedwongen hem te pijpen en dat hij zich goed kan voorstellen dat zij zich hiertoe gedwongen voelde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. subsidiair:
hij op 3 augustus 2016 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met een keycord de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen waardoor die [slachtoffer] enige tijd het bewustzijn heeft verloren, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2:
hij op 3 augustus 2016 te [plaats] , door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte:

zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht,

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte voordat hij zijn penis in de mond bracht:

- die [slachtoffer] in/tegen het gezicht heeft geslagen en

- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij haar zou doodmaken en

- een mes bij de keel van die [slachtoffer] heeft gehouden en

en aldus een zeer bedreigende situatie heeft geschapen en voorts dat terwijl die [slachtoffer] meermalen heeft aangegeven dat het pijn deed en haar hoofd een andere kant op heeft gedraaid,

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] heeft gebracht en

- die [slachtoffer] daarbij bij haar haren heeft vastgepakt en heeft gevraagd: "Hou jij nog van mij?" en "Kom maar met je tong" en "Kom dan!" en "Een beetje zuigen!" en "Als je van me houdt, dan moet je ook pijn nemen";

3 subsidiair:
hij op 3 augustus 2016 te [plaats] , opzettelijk mishandelend [slachtoffer] , meermalen, met kracht

- die [slachtoffer] in/tegen het gezicht heeft geslagen

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting.

Het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft aangeefster, zijn ex-levenspartner, onder valse voorwendselen naar zijn huis gelokt. Daar is aangeefster bijna twee uren tegen haar wil door verdachte in de woning gehouden. Verdachte heeft veelvuldig haar keel dichtgeknepen met een keycord. Dit laatste deed hij op een wijze waardoor zij geen adem meer kon halen. Zij heeft als gevolg van het dichtknijpen van haar keel ook enige tijd het bewustzijn verloren. Verdachte heeft aangeefster daarbij veelvuldig geslagen en gedreigd met een mes. Daarnaast heeft verdachte aangeefster oraal verkracht. Dit laatste deed hij bewust om haar te vernederen voor het onrecht dat zij hem zou hebben aangedaan. Hij heeft met zijn telefoon deze verkrachting opgenomen en deze opname naar de telefoon van aangeefster gestuurd.

De bewezen verklaarde feiten moeten voor aangeefster een uitermate pijnlijke, schokkende, beangstigende en vernederende ervaring zijn geweest. Dergelijke gebeurtenissen kunnen langdurige gevolgen hebben voor de slachtoffers, omdat er sprake is van ernstige schending van hun geestelijke en lichamelijke integriteit. Dat dit ook voor aangeefster geldt, blijkt uit haar ter zitting namens haar voorgelezen slachtofferverklaring.

Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 25 juli 2017 - niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Ook heeft het hof gelet op de inhoud van het rapport van de reclassering d.d. 6 januari 2017. Daaruit blijkt voor zover hier van belang dat de reclassering het noodzakelijk achtte dat er gedragskundig onderzoek plaats zou vinden om de kans op recidive in te kunnen schatten. Verdachte heeft echter niet willen meewerken aan een dergelijk onderzoek.

Het hof komt tot andere bewezenverklaring van feit 1 dan de advocaat-generaal. Het hof ziet daarin - gelet op de ernst van het feit - geen reden om een lagere straf op te leggen dan dat de advocaat-generaal had geëist.

Gelet op voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf van lange duur. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden.

Het hof zal verdachte daarom een gevangenisstraf van zes jaren opleggen.

Beslag

De in beslag genomen telefoon behoort aan de verdachte toe en is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten aangetroffen. Op de telefoon zijn geluids- en beeldopnames van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten aangetroffen. De telefoon zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het onder de bovengenoemde omstandigheden van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit is begaan met behulp van het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet terug gegeven mes. Dit voorwerp zal aan het verkeer worden onttrokken zoals door de advocaat-generaal gevorderd aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten van de overige op de beslaglijst vermelde goederen, nu op voorshands niet duidelijk is wie als zodanig kan/kunnen worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 45, 57, 242, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

telefoon (voorwerpnummer [nummer] )

mes (voorwerpnummer [nummer] ).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de overige in beslag genomen, nog niet teruggegeven goederen.

Aldus gewezen door

mr. K. Lahuis, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. A. van Holten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 31 augustus 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van Holten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.