Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7557

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.178.206
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep beperkt zich tot de beslissing van de kantonrechter op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie en de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding. De opvatting van de advocaat-generaal, dat partieel hoger beroep niet mogelijk is, vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.178.206

30 augustus 2017

CJIB 177503663

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 6 oktober 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter vastgesteld dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd van € 1260,- en heeft de kantonrechter de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13a van de WAHV, ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 245,-.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Beoordeling van het beroep

1. De gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat door de officier van justitie van het horen mocht worden afgezien. Voorts heeft de kantonrechter miskend dat de officier van justitie de gemachtigde van de betrokkene een nadere termijn had moeten geven voor het indienen van gronden. Verder heeft de gemachtigde aangevoerd dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding onjuist heeft vastgesteld.

2. Het geschil is, gelet hierop, beperkt tot de beslissing van de kantonrechter op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep en de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding. De beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de dwangsom in verband met niet tijdig beslissen op het administratief beroep is niet aangevochten en maakt daardoor geen deel uit van het door het hof te beoordelen geschil. De opvatting van de advocaat-generaal, dat partieel hoger beroep niet mogelijk is, vindt geen steun in het recht.

3. Met betrekking tot het standpunt van de gemachtigde dat hij niet is gehoord door de officier van justitie overweegt het hof dat ingevolge artikel 7 van de WAHV juncto artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar alleen van afzien als zich een van de uitzonderingen, genoemd in artikel 7:17 van de Awb voordoet.

4. Bij faxbericht van 19 december 2013 heeft de gemachtigde beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking en heeft de gemachtigde verzocht om te worden gehoord. De gemachtigde heeft geen telefoonnummer vermeld. Voorts wordt ontkend dat de vermeende overtreding is begaan en wordt vermoed dat bij de vaststelling van de overtreding dan wel bij de administratieve afhandeling iets fout is gegaan.

5. De omstandigheid dat de gemachtigde van de betrokkene - in weerwil van de toelichting op de achterzijde van de inleidende beschikking - geen telefoonnummer heeft opgegeven, maakt niet dat geen verzoek is gedaan om te worden gehoord. Het opgeven van een telefoonnummer door een (gemachtigde van de) betrokkene in een beroepschrift is immers niet wettelijk voorgeschreven (vgl. artikel 6:5 Awb en artikel 6, tweede lid, WAHV) en het niet opgeven ervan betreft, gelet op het hiervoor vermelde artikel 7:17 Awb, geen wettelijke grond om van het horen af te zien (vgl. het gerechtshof Leeuwarden van 2 juli 2012, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2012:2935).

6. Gelet hierop kon de officier van justitie in dit geval slechts afzien van horen bij een kennelijk ongegrond beroep. Daarvan is geen sprake. De officier van justitie heeft er ten onrechte van afgezien de gemachtigde te horen.

7. Gelet op het voorgaande had de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand mogen laten. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie geen bespreking meer behoeven en dat het hof moet beslissen op het beroep tegen de inleidende beschikking.

8. In hoger beroep zijn geen gronden aangevoerd tegen de inleidende beschikking. Het hof zal het beroep daartegen daarom ongegrond verklaren.

9. Met betrekking tot de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding overweegt het hof dat de klacht van de gemachtigde, dat de kantonrechter ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor het indienen van een beroepschrift, feitelijke grondslag mist. De beslissing van de kantonrechter kan op dit onderdeel worden bevestigd.

10. Gelet op de beslissing van het hof komen de kosten van de door de gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij het hof voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een hoger beroepschrift en het geven van een nadere toelichting in hoger beroep. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. Aan het indienen van een nadere toelichting dient een halve punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 367,50 (=1,5 x € 490,- x 0,5).

11. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

bevestigt de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om proceskostenvergoeding;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene in hoger beroep, ter hoogte van € 367,50,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.