Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7513

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
200.164.512/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzeggen overeenkomst Dokterswacht met waarnemend huisarts. Hof legt protocol disfunctionerende huisarts uit en acht niet aangetoond dat waarnemend huisarts in die zin tekort is geschoten. Wel mocht Dokterswacht het contract vanwege ondermaatse bejegening en problemen met het doorspelen van medische informatie aan de letselschadepraktijk van haar echtgenoot opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn, die het hof in dit geval op drie maanden stelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.164.512/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, C17/123510 / HA ZA 12-351)

arrest van 29 augustus 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M.R. Gans, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Dokterswacht Friesland B.V.,

gevestigd te Heerenveen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Dokterswacht,

advocaat: mr. G.N. Paanakker, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 7 oktober 2013 en 17 december 2104 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 januari 2015;

- de memorie van grieven (met producties) d.d. 14 juli 2015;

- de memorie van antwoord (met producties) d.d. 3 november 2015;

- de schriftelijke pleidooien d.d. 26 januari 2016.

2.2

Vervolgens hebben partijen arrest verzocht onder overlegging van hun dossiers.

2.3

[appellante] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - dat het hof het vonnis van 17 december 2014 vernietigt en opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellante] zoals in eerste aanleg gewijzigd bij akte van 12 december 2013, integraal toewijst, met veroordeling van Dokterswacht in de kosten van de procedure in beide instanties.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.21 van het bestreden vonnis. Daarnaast gaat het hof nog uit van enige feiten die in hoger beroep eveneens als vaststaand kunnen worden aangemerkt.

3.1

Dokterswacht is een op 17 december 2009 opgerichte besloten vennootschap. Daarvoor werd Dokterswacht gedreven vanuit een stichting. Enig aandeelhouder/bestuurder van Dokterswacht is de besloten vennootschap Dokterszorg Friesland Holding B.V., waarvan de Ondernemende Huisartsenvereniging Friesland (hierna te noemen: OHF) enig aandeelhouder is. Alle leden van de OHF zijn huisartsen.

3.2

Dokterswacht exploiteert (alle) huisartsenposten in de provincie Friesland. Deze huisartsenposten leveren zorg in de avond-, nacht- en weekenduren (verder ANW-diensten).

3.3

[appellante] is huisarts, aanvankelijk praktijk houdende te [B] . Na haar verhuizing naar [A] heeft zij geen eigen praktijk meer en is zij werkzaam als waarnemend huisarts, zowel overdag via afzonderlijke afspraken met huisartsen, als - sinds 2003 - via Dokterswacht voor ANW-diensten op verschillende huisartsenposten die Dokterswacht exploiteert. Als waarnemend huisarts heeft [appellante] de bij de huisartsenpost aangesloten huisarts, die zijn of haar dienst tegen betaling laat verrichten door een andere huisarts, vervangen. Dokterswacht verleent de waarnemend huisarts toegang tot de huisartsenpost en stelt haar faciliteiten ter beschikking. Tussen [appellante] en Dokterswacht is hiertoe geen schriftelijke waarneemovereenkomst gesloten. De door Dokterswacht aan [appellante] toegezonden samenwerkingsovereenkomst heeft [appellante] niet (ondertekend) geretourneerd.

3.4

Deze samenwerkingsovereenkomst bepaalt in artikel 4 (Einde deelname Huisarts aan de Huisartsendienstenstructuur) het volgende:

"4.1 Deze overeenkomst eindigt indien de aansluiting van de Huisarts bij de CHF

eindigt. De aansluiting eindigt door;

a. voor zover het natuurlijke personen betreft; door overlijden, en voor zover het

een rechtspersoon betreft; wanneer zij ophoudt te bestaan;

b. door beëindiging van de huisartsenpraktijk;

c. door opzegging:

d. door ontzegging uit bevoegdheid;

e. einde c.q. liquidatie van de Stichting;

f. verlies van het vrije beheer over het vermogen van de Stichting.

4.2

Voor art. 4 lid b en c geldt dat dit 3 maanden va tevoren schriftelijk bekend

gemaakt dient te worden bij de CHF."

3.5

De echtgenoot van [appellante] heeft een letselschadepraktijk, te weten [C] , en biedt aan slachtoffers van ongevallen (juridische) bijstand aan bij de afwikkeling van letselschade.

3.6

In 2008 is [appellante] meerdere malen aangesproken naar aanleiding van meldingen over het gebruik van (medische) gegevens van patiënten, die de huisartsenpost hadden bezocht, ten behoeve van haar werkzaamheden als medisch adviseur voor het bedrijf van haar echtgenoot en het verspreiden van folders van [C] op het folderrek van de Spoedeisende Hulp van het Medisch Centrum Leeuwarden (hierna te noemen: MCL) en Dokterswacht. Voorts is [appellante] aangesproken op haar wijze van bejegening van patiënten, hetgeen heeft geleid tot een coachingtraject door een oud-huisarts. Van het coachingtraject is geen verslag opgemaakt, omdat het traject als vertrouwelijk is aangemerkt.

3.7

Op 16 februari 2011 heeft naar aanleiding van een aantal klachten over [appellante] een gesprek plaatsgevonden tussen haar, de heer [D] , algemeen directeur van Dokterswacht (hierna te noemen: [D] ), en mevrouw [E] , klachtenfunctionaris bij Dokterswacht. In het gespreksverslag, dat ook naar [appellante] is gezonden, is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

"Besproken is, dat vijf klachten in 2010, en alweer een eerste in 2011, opvallend veel is. Jaarlijks bemiddelt de klachtenfunctionaris bij een kleine 100 klachten voor Dokterswacht. Ongeveer de helft daarvan betreft de huisartsen, voor het overige betreft het de assistentes of de organisatie. [appellante] neemt in 2010 10% van de huisartsgerelateerde klachten voor haar rekening. Het is logisch dat een waarnemer als zij, die veel diensten draait (92 in 2010) bij wat meer klachten betrokken kan raken. Echter: 10% baart zorgen.

De klachten hebben allen (mede) betrekking op de bejegening. (…) [appellante] geeft aan dit niet te herkennen, en juist op handen gedragen te worden door haar eigen patiënten. (…) [D] wijst er op, dat bejegeningklachten imagoschade opleveren voor Dokterswacht Friesland, en dat hij daarom een inspanning van [appellante] verwacht. Deze geeft aan zichzelf niet te kunnen en willen veranderen, (…)

Afgesproken wordt, om eind 2011 te evalueren hoe het gaat met de klachten die betrekking hebben op [appellante] . Mocht er eerder aanleiding toe zijn, dan wordt er eerder rond de tafel gegaan. Als blijkt dat het aantal bejegeningklachten niet afneemt, dan zal het starten van een feedback traject voor [appellante] ter sprake komen."

3.8

Bij brief van 2 maart 2011 heeft Keuning Advocaten (hierna te noemen: Keuning) aan Dokterswacht melding gedaan van het door [appellante] in haar functie van huisarts werven van klantgegevens voor het bedrijf van haar echtgenoot en het vervolgens als medisch adviseur voor dat bedrijf, ook in gevallen waarin zij als behandelaar heeft gefungeerd, optreden.

Dokterswacht heeft deze brief niet voor commentaar voorgelegd aan [appellante] . Dokterswacht heeft naar aanleiding van deze brief een uitgebreid onderzoek gestart naar het functioneren van [appellante] , waarbij diverse waarneemrapporten zijn gescreend.

3.9

Bij brief van 23 mei 2011 heeft [D] [appellante] de toegang tot de huisartsenposten ontzegd vanwege vermeend ernstig disfunctioneren in de zin van het "Protocol disfunctionerende huisarts" (hierna te noemen: het Protocol). In zijn brief heeft [D] - samengevat - aangegeven dat is gebleken dat [appellante] niet handelt en zich niet gedraagt zoals van een professioneel handelend huisarts mag worden verwacht. Voorts heeft [D] aangegeven dat zij, hoewel zij daarop schriftelijk is aangesproken, bij herhaling is doorgegaan met het op onrechtmatige wijze vergaren van bijzondere persoonsgegevens van patiënten in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) ten behoeve van de letselschade praktijk van uw echtgenoot, de heer mr [F] , dat verschillende patiënten en verpleegkundigen aan Dokterswacht hun onvrede over haar handelen hebben kenbaar gemaakt en dat ook de Raad van Bestuur van het Medisch Centrum Leeuwarden (MCL) bij brief van 26 mei 2008 zijn onvrede over haar handelwijze heeft geuit. Verder heeft [D] aangegeven dat de wijze waarop [appellante] met klachten en signalen van patiënten omgaat en de verslaglegging in waarneemberichten, niet voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld en dat haar verslagen daarnaast denigrerende en kwetsende opmerkingen over patiënten bevatten. Ondanks het coachingtraject dat in 2008 heeft plaatsgevonden, heeft [appellante] , aldus [D] , haar gedrag niet aangepast. Vanwege de onaanvaardbare risico's die patiënten, de aangesloten huisartsen en Dokterswacht lopen, heeft [D] besloten [appellante] in het belang van de patiëntenzorg hangende de procedure niet toe te staan diensten te draaien op haar huisartsenposten. Tot slot heeft [D] aangegeven dat hij de Commissie van Advies als bedoeld in het Protocol om advies zal vragen, hij dit advies zal laten meewegen in de verdere afhandeling en dat hij van haar handelwijze melding bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna te noemen: IGZ) zal doen.

[appellante] heeft bij brief van 25 mei 2011 haar reactie gegeven op de brief van [D] van 23 mei 2011.

3.10

In het Protocol is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

" Doel

Dit protocol behandelt de wijze waarop binnen Dokterswacht Friesland wordt omgegaan met (vermeend) disfunctioneren van huisartsen die ten behoeve van de Dokterswacht werkzaam zijn.

(…)

Definities

o Disfunctioneren: Een structurele situatie van onverantwoorde zorg, waarin een patiënt wordt geschaad of het risico loopt te worden geschaad en waarbij de betreffende arts niet (meer) in staat of bereid is zelf de problemen op te lossen. Disfunctioneren kan er ook uit bestaan dat een arts niet of onvoldoende in staat is tot collegiale samenwerking dan wel zich niet aan de samenwerkingsovereenkomst met Dokterswacht Friesland houdt.

(…)

o Commissie van Advies: Een commissie, benoemd door de directeur van de Dokterswacht, is belast met het beoordelen van vermeend disfunctioneren van een betreffende huisarts.

(…)

Artikel 3 Melden aan verantwoordelijke functionaris Dokterswacht

(…)

4. Indien daartoe aanleiding bestaat wordt met de betreffende huisarts een verbetertraject afgesproken. De verantwoordelijke functionaris stelt in dat geval samen met de betreffende huisarts vast dat er sprake is van disfunctioneren. Zij komen vervolgens een verbetertraject overeen. In dat verbetertraject worden concreet beschreven:

a. a) de te ondernemen activiteiten;

b) de daarmee te bereiken doelen;

c) de evaluatiemomenten; en

d) het tijdstip waarbinnen één en ander moet zijn gerealiseerd.

(…)

Artikel 9 Beslissing door directeur Dokterswacht

In gevallen waarin sprake is van disfunctioneren en de betreffende arts geen medewerking verleent aan een verbetertraject en in gevallen waarin verbetermaatregelen geen of onvoldoende effect hebben beslist de directeur van de Dokterswacht, gehoord hebbende de verantwoordelijke functionaris van de huisartsenpost, over de te treffen maatregelen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg wordt over het disfunctioneren ingelicht. Tot de te treffen maatregelen kunnen onder meer behoren:

o de betreffende huisarts schriftelijk te waarschuwen dat, als zich met betrekking tot hem opnieuw een soortgelijke situatie voordoet, de overeenkomst met de huisarts door de Dokterswacht zal worden opgezegd;

o voorwaarden te verbinden aan de overeenkomst tussen de betreffende huisarts en de Dokterswacht;

o de overeenkomst met de huisarts op te zeggen;

o de zorgverzekeraar te informeren.

Artikel 10 Op non-actiefstelling gedurende de procedure

1. De directeur van de Dokterswacht kan de betreffende huisarts - na overleg met verantwoordelijke functionaris en nadat de betreffende huisarts in de gelegenheid is gesteld om gehoord te worden - op ieder moment op non-actief stellen op grond van omstandigheden die van zo ernstige aard zijn dat onmiddellijke beëindiging van de werkzaamheden door de huisarts noodzakelijk moet worden geacht.

2. Het besluit tot non-actiefstelling is slechts geldig wanneer dit, onder vermelding van de gronden waarop het berust, binnen twee maal 24 uur na aanzegging (…) bij aangetekend schrijven aan de huisarts is meegedeeld of bevestigd.

3. De directeur informeert de verantwoordelijke functionaris en (indien aanwezig) de locatiemanager van de betreffende post, van dit besluit.

4. De directeur informeert de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de non-actiefstelling.

5. Gedurende de non-actiefstelling kan de directeur de huisarts de toegang tot de huisartsenposten ontzeggen."

3.11

Bij brief van 9 juni 2011 heeft Dokterswacht bij de IGZ een melding gedaan van het eenzijdig opzeggen van de samenwerking van Dokterswacht met [appellante] als waarnemend huisarts vanwege vermeend disfunctioneren van [appellante] op het gebied van het onrechtmatig omgaan met patiëntgegevens, het schenden van het beroepsgeheim, het onzorgvuldig verslagleggen en een ondermaatse bejegening.

3.12

Bij vonnis in kort geding van 13 juli 2011 heeft de voorzieningenrechter van de toenmalige rechtbank Leeuwarden Dokterswacht (onder meer) veroordeeld om [appellante] weer toe te laten tot huisartsenposten en haar op gebruikelijke wijze ondersteuning te bieden ten behoeve van haar werkzaamheden als (waarnemend) huisarts, op straffe van verbeurte van een aan [appellante] te betalen dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Dokterswacht na betekening van dit vonnis in gebreke zou blijven aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van € 20.000,-.

3.13

Dokterswacht is naar aanleiding van het vonnis van 13 juli 2011 niet overgegaan tot toelating van [appellante] tot de huisartsenposten. Dokterswacht heeft aan haar Kwaliteitscommissie advies gevraagd over het functioneren van [appellante] . De Kwaliteitscommissie, waarin vijf huisartsen zitting hebben, is de statutair vastgelegde commissie die meedenkt, adviseert en oordeelt over kwaliteitsvraagstukken binnen Dokterswacht.

3.14

Op 19 juli 2011 heeft de Kwaliteitscommissie - zonder dat [appellante] in dezen is gehoord - geoordeeld dat het bestuur van Dokterswacht terecht tot de conclusie is gekomen dat sprake is van disfunctioneren aan de zijde van [appellante] . De Kwaliteitscommissie heeft geadviseerd de samenwerking met [appellante] onmiddellijk te beëindigen.

3.15

Op 4 augustus 2011 heeft tussen [appellante] en [D] een gesprek / hoorzitting plaatsgevonden over het functioneren van [appellante] .

3.16

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft Dokterswacht op basis van het bepaalde in artikel 10 van het Protocol [appellante] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld en haar de toegang tot de huisartsenposten (wederom) ontzegd. In haar brief heeft Dokterswacht deze beslissing gemotiveerd door [appellante] verwijten te maken betreffende

●Schending privacyregels en beroepsgeheim in verband met activiteiten van de werkzaamheden van de partner;

Hierbij verwijst Dokterswacht naar de brief van 29 januari 2008 waarbij [appellante] is gesommeerd geen patiëntengegevens c.a. te gebruiken voor andere doeleinden dan waarvoor ze bedoeld zijn. Volgens Dokterswacht werkt [appellante] nog steeds ten behoeve van haar echtgenoot en geeft zij bijvoorbeeld folders van haar echtgenoot af aan patiënten en treedt zij als medisch adviseur op ten behoeve van haar echtgenoot, ook bij zaken van patiënten die zij als waarnemend huisarts heeft behandeld.

●Wijze waarop medisch professioneel wordt gehandeld, onder te verdelen in het medisch inhoudelijk handelen, de wijze van verslaglegging, alsmede bejegening en klachtafhandeling;

Volgens Dokterswacht voldoet de wijze van verslaglegging niet aan de eisen die de WGBO daaraan stelt (het betreft de SOEP-methode: subjectief, objectief, evaluatie, plan). In de brief staat voorts:

"Met betrekking tot de verslaglegging bent u aangesproken op het feit dat hierin respectloze en subjectieve termen worden opgenomen, zoals het gebruik van termen als een ‘laag IQ’, ‘moddervet’, ‘lult als een gieter’ en ‘stinkt een uur in de wind’. U heeft hierop kenbaar gemaakt dat deze manier van verslaglegging voor u gebruikelijk is. Tevens heeft u in het medisch dossier van een stervende patiënt genoteerd dat het jammer was dat de patiënt niet dood was gegaan terwijl u nog aanwezig was".

●Houding ten opzichte van medewerkers van Dokterswacht;

De Dokterswacht verwijt [appellante] dat zij afbreuk doet aan de goede naam van de Dokterswacht en dat zij, daarop aangesproken, heeft aangegeven dat zij niets geeft om de reputatie van Dokterswacht.

3.17

[appellante] heeft vervolgens in kort geding gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis het besluit van 9 augustus 2011 zal vernietigen, althans buiten werking zal stellen, althans dat de voorzieningenrechter Dokterswacht zal veroordelen om [appellante] weer toe te laten tot de huisartsenposten en om [appellante] op de gebruikelijke wijze ondersteuning te bieden ten behoeve van haar werkzaamheden als (waarnemend) huisarts, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Bij vonnis van 21 september 2011 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen.

3.18

Op 17 oktober 2011 heeft de Landelijke Commissie van Advies (hierna te noemen: LCA) op verzoek van Dokterswacht advies uitgebracht over het verschil van inzicht tussen [appellante] en Dokterswacht over het functioneren van [appellante] . De LCA heeft geconcludeerd dat sprake is van disfunctioneren aan de zijde van [appellante] en dat Dokterswacht, bij gebreke van gebleken medewerking aan verbetervoorstellen, voldoende redenen heeft om een beslissing te nemen als genoemd in artikel 9 van het protocol en daarmee een van de maatregelen als daarin aangegeven te treffen. Daartoe heeft de LCA in haar advies - voor zover van belang - het volgende overwogen:

- schending van privacyregels en beroepsgeheim (patiëntengegevens zonder toestemming van patiënt verstrekken aan derden)

"(…) de Commissie is van mening dat hier sprake is van (een schijn van) belangenverstrengeling. Het letselschadebureau van de echtgenoot van [appellante] is een commercieel kantoor. Bij het doorverwijzen van patiënten naar dit kantoor heeft ook [appellante] een commercieel belang immers, zoals [appellante] ook tijdens de mondelinge behandeling nog aangaf, zou je ‘een dief van eigen portemonnee zijn als je niet naar je eigen bureau zou verwijzen’. In dat verband is het de Commissie ook opgevallen dat [appellante] in haar brief van 23 september 2011 een aantal keren spreekt over ‘ons letselschade bedrijf'. Weliswaar kunnen en zullen patiënten in het algemeen hun eigen keuze maken of en waar zij een eventuele claim willen indienen, de Commissie acht het echter volstrekt onjuist dat patiënten, hetzij gevraagd hetzij ongevraagd, met deze materie, waarbij een persoonlijk (financieel) belang van hun behandelend arts aan de orde is, worden benaderd. Patiënten kunnen daardoor worden geschaad in hun belangen (zoals privacyschending, recht op hulpverlening door een onafhankelijk arts). Volgens de KNMG Gedragsregels voor artsen (2002) vormt adequate hulpverlening het hoofddoel van de relatie tussen arts en patiënt en mag van deze relatie nimmer door de arts misbruik worden gemaakt."

- onjuist medisch professioneel handelen (medisch inhoudelijk handelen, verslaglegging, bejegening, klachtafhandeling).

De Commissie constateert dat de SOEP-codering niet consistent wordt gevolgd. Verder is de commissie verontrust over de respectloze wijze waarop [appellante] in sommige waarneemberichten over patiënten bericht. Het is de vraag of er nog voldoende vertrouwensbasis tussen [appellante] en patiënt kan en zal bestaan na kennisneming van dit soort uitlatingen. "De wijze van optreden door [appellante] vormt mede een risico voor de huisartsen voor wie wordt waargenomen. Immers patiënten zouden zich door een dergelijke opstelling niet voldoende durven of kunnen uitspreken over hun klachten, of zouden zelfs zorg kunnen gaan mijden."

3.19

Bij brief van 24 oktober 2011 heeft Dokterswacht de overeenkomst met [appellante] beëindigd, onder verwijzing naar het onderzoek van Dokterswacht, het hoorgesprek van 4 augustus 2011, de beide procedures bij de rechtbank en het advies van de Landelijke Commissie van Advies.

3.20

Bij brief van 29 februari 2012 heeft de IGZ Dokterswacht geïnformeerd over haar bevindingen. De IGZ heeft in haar brief aangegeven van mening te zijn dat zich geen omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 6 van de Leidraad meldingen IGZ. Ingevolge genoemd artikel, zoals dat ten tijde in geding luidde, wordt een melding onder andere nader onderzocht indien zij naar het oordeel van de IGZ wijst op een situatie die voor de veiligheid van patiënten of de gezondheidszorg een ernstige bedreiging kan betekenen of naar het oordeel van de IGZ aanleiding geeft te veronderstellen dat het belang van een goede gezondheidszorg anderszins noodzaakt tot onderzoek. De IGZ heeft geen reden gezien tot nader onderzoek en heeft de melding afgesloten. Een afschrift van de brief heeft de IGZ aan [appellante] gezonden. In haar brief heeft de IGZ - voor zover van belang - nog het volgende aangegeven:

"Op 1 december 2011 heeft de inspectie een gesprek gevoerd met de huisarts om haar reactie te vernemen op het onderzoek van de Dokterswacht Friesland en de uitspraak van de Landelijke Commissie van Advies.

De huisarts kan zich niet vinden in de uitkomst van het onderzoek van de Dokterswacht Friesland en zal alles in het werk stellen (bodemprocedure) om eerherstel te verkrijgen en over de uitkomst daarvan de inspectie informeren. De huisarts is teleurgesteld in en verbaasd over de uitspraak van de Commissie.

Afspraken inspectie met de huisarts

Inzake de uitspraak van de Commissie heeft de huisarts toegezegd maatregelen te nemen. Op het gebied van privacyregels en beroepsgeheim zal zij belangenverstrengeling voorkomen. De huisarts zal extra aandacht besteden aan het registreren van patiëntgegevens. Tevens zal zij patiënten respectvol bejegenen. "

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg, na de eiswijziging van 12 december 2013, samengevat gevorderd dat de rechtbank

I. voor recht verklaart dat de (buitengerechtelijke) ontbinding, dan wel de opzegging, met onmiddellijke ingang door Dokterswacht van de waarneemovereenkomst tussen partijen, bij brief d.d. 24 oktober 2011, geen rechtskracht heeft aangezien geen sprake is van enig rechtens relevante tekortkoming die ontbinding kan rechtvaardigen, noch dat sprake is van verzuim anderszins, althans dat geen sprake is van een voldoende zwaarwegende reden, althans dat is ontbonden/opgezegd op basis van valse dan wel voorgewende redenen;

II. Dokterswacht gebiedt de waarneemovereenkomst integraal jegens [appellante] na te komen, en in dat kader [appellante] weer toe te laten tot de Huisartsenposten, en haar op de gebruikelijke wijze ondersteuning te bieden ten behoeve van haar werkzaamheden als (waarnemend)huisarts, een en ander op straffe van verbeuren van een dwangsom van € 1000,- voor iedere dag dat Dokterswacht deze veroordeling niet volledig zal nakomen;

III. Dokterswacht zal veroordelen tot het vergoeden van alle door [appellante] reeds geleden en nog te lijden (inkomens)schade als gevolg van de onterechte beëindiging, nader op te maken bij staat;

IV. Dokterswacht te veroordelen om aan [appellante] ter zake van de door haar geleden immateriële schade, een schadevergoeding te betalen van € 25.000,-, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht;

V. onder veroordeling van Dokterswacht in de kosten van het geding, daaronder begrepen de nakosten en met betaling van wettelijke rente over de proceskosten.

4.2

De rechtbank heeft bij vonnis van 17 december 2014 overwogen dat [appellante] in de verschillende procedures heeft erkend dat zij patiënten, ook nadat zij daarop begin 2008 is aangesproken en haar is verboden aldus te handelen, heeft doorverwezen naar het letselschadebureau van haar echtgenoot. Dergelijk handelen levert (op zijn minst) schijn van

belangenverstrengeling en een schending van haar beroepsgeheim op. Dat, zoals zij heeft

gesteld, zij enkel nadat zij daarvoor toestemming heeft gekregen van de patiënt de gegevens

aan haar echtgenoot doorgeeft, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande

niet af. Immers, met het vragen van bedoelde toestemming heeft [appellante] op eigen initiatief de juridische belangen van patiënten aan de orde gesteld. De rechtbank acht dit

handelen laakbaar, gelet op de setting waarin dit handelen heeft plaatsgevonden, namelijk in

de relatie arts en patiënt.

4.3

Met betrekking tot de waarneemberichten overweegt de rechtbank dat

[appellante] zich in deze berichten, gelet op de kwetsende en ongenuanceerde

opmerkingen daarin, niet respectvol heeft uitgelaten over de patiënten die zij heeft gezien.

Voorts overweegt de rechtbank dat [appellante] in de onderzochte periode (2005-2011) niet zorgvuldig is, omdat de algemeen door huisartsen gevolgde "SOEP"-codering niet consistent wordt gevolgd.

De rechtbank neemt het daarnaast [appellante] kwalijk dat zij, nadat zij is aangesproken op haar handelwijze en zij begeleid is door een coach, steeds heeft vastgehouden aan de juistheid van haar wijze van handelen. Eerst in een gesprek met de IGZ heeft [appellante] toegezegd maatregelen te zullen nemen op het gebied van privacyregels en beroepsgeheim en dat zij extra aandacht zal besteden aan het registreren van patiëntgegevens. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de kosten van de procedure in eerste aanleg veroordeeld.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering in hoger beroep

5.1

[appellante] heeft tegen het oordeel van de rechtbank een zestal grieven geformuleerd, die er volgens de toelichting toe strekken dat het hof het geschil in volle omvang opnieuw beoordeelt.

5.2

Grief I richt zich tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, waarbij [appellante] erover klaagt dat de rechtbank de feiten onjuist dan wel onvolledig heeft vastgesteld. Het hof overweegt dat, naar [appellante] zelf ook aangeeft, de rechter niet verplicht is alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Het hof heeft de feiten zelfstandig beoordeeld en daaruit een eigen selectie gemaakt, die op bepaalde punten iets uitgebreider en op andere onderdelen beknopter is dan de vaststelling door de rechtbank. De grief kan als zodanig niet tot vernietiging van het beroepen vonnis leiden.

5.3

Grief II richt zich tegen de kwalificatie door de rechtbank van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding.

Het hof overweegt dat de mondelinge tussen partijen gesloten overeenkomst een niet benoemde overeenkomst is, met aspecten van de bemiddelingsovereenkomst, nu het doel van deze overeenkomst is het mogelijk te maken dat tussen [appellante] als opdrachtneemster en bij de Dokterswacht aangesloten huisartsen als opdrachtgevers overeenkomsten tot het vervullen van ANW-diensten door [appellante] als waarnemend huisarts tot stand kunnen komen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de overeenkomst niet een gemengde overeenkomst is in de zin van artikel 6:215 van het Burgerlijk Wetboek (BW) die voldoet aan de kenmerken van én een arbeidsovereenkomst én een overeenkomst van opdracht. Het kenmerkende element van de arbeidsovereenkomst ondergeschiktheid ontbreekt, terwijl Dokterswacht niet als opdrachtgever kan worden aangemerkt.

De overeenkomst dient verder, naar tussen partijen niet in geschil is, als een duurovereenkomst. te worden gekwalificeerd. Wel hebben partijen een verschil van mening over de opzegbaarheid van deze overeenkomst.

5.4

Het hof overweegt dat een duurovereenkomst is beginsel opzegbaar is. Dit is door de Hoge Raad meermalen uitgemaakt, ongeacht of wet en overeenkomst voorzien in een regeling van de opzegging. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, De Ronde Venen/Stedin en HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163 Auping/Beverslaap). Dit neemt niet weg dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst (die niet voorziet in een regeling van de opzegging), naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op, kort gezegd, artikel 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660, Gooisch Natuurreservaat/gemeente Amsterdam en HR 7 juli 2017, ECLI:NL2017:1270, Nanada Music). Ook als een overeenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval in de weg staan aan respectievelijk opzegging, opzegging zonder een voldoende zwaarwegende grond, opzegging op een bepaald moment, of opzegging zonder aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, Pensioenfonds Alcatel Lucent).

5.5

In dit geval gaan partijen uit van de mogelijkheid van opzegbaarheid van de overeenkomst. Het hof stelt vast dat de in de schriftelijke overeenkomst die in dit geval niet door [appellante] is ondertekend, ook is voorzien in de mogelijkheid van opzegging, in ieder geval door de huisarts, met een opzegtermijn van drie maanden (zie r.o. 3.4). [appellante] heeft aangevoerd dat gelet op het feit dat zij voor een groot deel van haar inkomsten afhankelijk is van de vergoedingen die zij via Dokterswacht voor ANW-diensten kan toucheren, Dokterswacht alleen op zwaarwichtige gronden de samenwerkingsovereenkomst mag opzeggen. Dit uitgangspunt is door Dokterswacht bestreden, zij het dat Dokterswacht in dit geval wel degelijk een uitgebreid gemotiveerd beëindigingsbesluit heeft genomen met daarin volgens haar zwaarwegende gronden om de overeenkomst te beëindigen.

5.6

Het hof is van oordeel dat de zelfgekozen positie van [appellante] om geen eigen praktijk meer te draaien doch een aanzienlijk deel van haar inkomen te verwerven uit ANW-diensten - waarbij [appellante] in het midden heeft gelaten hoe groot dat aandeel van de inkomsten exact was - onvoldoende gewicht in de schaal legt om opzegbaarheid van de overeenkomst uitsluitend aan te nemen op een zwaarwegende, door de Dokterswacht te bewijzen grond. Een financieel belang van één der partijen bij het voortbestaan van een overeenkomst brengt niet zonder meer een dergelijke beperking aan de opzegbaarheid van de overeenkomst met zich. Dat [appellante] voor het verrichten van (aanvullende) werkzaamheden uitsluitend op ANW-diensten in de provincie Friesland is aangemerkt, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bij de beslissing om de inzet van [appellante] als waarnemer niet te continueren, stond het Dokterswacht in beginsel vrij de belangen van de aan haar zorg toevertrouwde patiënten de doorslag te laten geven (vgl. HR 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2445, coöperatieve huisartsendienst Twente-Oost). Wel brengt de aard van de overeenkomst met zich, ook gelet op de duur waarop de relatie al bestond, dat Dokterswacht de samenwerkingsovereenkomst in beginsel niet zonder redelijke opzegtermijn mocht beëindigen, welke termijn ook dient om [appellante] de gelegenheid te geven om zich op andere huisartsenwerkzaamheden dan wel geheel andere bronnen van inkomsten te laten oriënteren.

Gedurende de opzegtermijn heeft de waarnemend huisarts alle gebruikelijke rechten en plichten uit de samenwerkingsovereenkomst.

5.7

Een opzegtermijn behoeft Dokterswacht naar 's hofs oordeel evenwel niet in acht te nemen wanneer er sprake is van omstandigheden van dringende aard die maken dat van haar niet gevergd kan worden dat zij de samenwerking zelfs niet korte tijd blijft voortzetten en die maken dat het verrichten van ANW-diensten door de waarnemer feitelijk direct moet worden stopgezet. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan het verlenen van ernstig ondermaatse zorg door de waarnemer. Dokterswacht heeft dit vastgelegd in het Protocol. [appellante] heeft in zoverre gelijk dat het Protocol niet tussen haar en Dokterswacht is overeengekomen, doch miskent dat het Protocol ook niet beoogt als contractuele regeling van toepassing te zijn, maar dat het veeleer een vorm van zelfbinding is waarin Dokterswacht aangeeft gebruik te maken van haar bevoegdheid om in te grijpen in de samenwerkingsovereenkomst wanneer een huisarts die diensten ten behoeve van de Dokterswacht verricht als arts ernstig tekortschiet. Het hof verwerpt het standpunt van [appellante] dat Dokterswacht gebonden zou zijn aan het "Modelprotocol disfunctionerende huisarts op de huisartsenpost" van de Vereniging Huisartsenposten Nederland en dat dit protocol dat van Dokterswacht zou moeten vervangen. Dat deze vereniging een verordenende bevoegdheid voor onder meer Dokterswacht heeft, is gesteld noch gebleken. Bovendien geeft dit modelprotocol (prod. XVI zijdens [appellante] ) op pagina 2 aan: Het modelprotocol dient uiteraard aan de situatie van de betreffende huisartsenpost en huisartsendienstenstructuur (HDS) te worden aangepast.

5.8

Grief II leidt weliswaar tot enige nuancering, doch niet tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

5.9

De grieven III tot en met V richten zich alle tegen de conclusie van Dokterswacht, die door de rechtbank is overgenomen, dat [appellante] een disfunctionerende huisarts is in de zin van het Protocol. Daarvan is sprake bij een structurele situatie van onverantwoorde zorg, waarin een patiënt wordt geschaad of het risico loopt te worden geschaad en waarbij de desbetreffende arts niet (meer) in staat of bereid is zelf de problemen op te lossen. Volgens het Protocol kan disfunctioneren ook bestaan uit een gebrekkige samenwerking met andere aangesloten artsen, maar in deze zaak staat voldoende vast dat er op dat gebied geen problemen waren tussen [appellante] en de artsen voor wie zij waarnam. In het Protocol is ook het zich niet houden aan de samenwerkingsovereenkomst aangemerkt als disfunctioneren, maar het hof legt die bepaling zo uit dat dit geen zelfstandige grond voor de aanduiding disfunctionerende huisarts is en dat dit alleen ziet op de zorgaspecten voor de patiënt. Als de (waarnemend) huisarts op de locaties van de Dokterswacht ernstig onhygiënisch te werk gaat, dan hangt de overtreding van de samenwerkingsovereenkomst wel samen met het verlenen van goede zorg, maar als de boekhoudkundige bepalingen worden overtreden, dan kan dat mogelijk wel anderszins - zeker bij fraude - tot ogenblikkelijke beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst leiden, doch niet op de grondslag dat sprake is van een disfunctionerende huisarts in de zin van het Protocol.

5.10

Het hof stelt vast dat op het gebied van de eigenlijke zorgverlening het ingestelde onderzoek tegen [appellante] geen ernstige feilen aan het licht heeft gebracht; dit onderzoek was bovendien, naar [appellante] terecht heeft aangevoerd, geen onbevooroordeeld onderzoek, maar een onderzoek dat getriggerd was door eerdere, bij Dokterswacht bekende, tekortkomingen van [appellante] op de terreinen schending van privacyregeling en bejegening van patiënten, bij welk onderzoek gezocht is naar verdere voorbeelden van slechte zorgverlening door [appellante] . Dat de selectie van waarneemrapporten is gebeurd door de klachtenfunctionaris die formeel een onafhankelijke positie binnen Dokterswacht bekleedt, maakt nog niet dat sprake is van een representatieve selectie.

Die selectie is vervolgens aan de Kwaliteitscommissie en de Landelijke Commissie van Advies (LCA) voorgelegd. De rechtbank heeft het advies van de Kwaliteitscommissie reeds buiten beschouwing gelaten, zodat grief IV, voor zover die zich tegen de het meewegen van het oordeel van de Kwaliteitscommissie keert, feitelijke grondslag ontbeert. Bij het advies van de LCA past naar 's hofs oordeel een voorbehoud ten aanzien van de selectie van de warnemingsrapporten waarop dit advies is gestoeld. Uit het advies van de LCA blijkt overigens niet dat in de geselecteerde gevallen de patiëntveiligheid in het geding is geweest. Weliswaar heeft [appellante] niet altijd volgens de SOEP-methode gerapporteerd, maar, zoals ook uit het in haar opdracht uitgevoerde onderzoek van [G] , voormalig huisartsenopleider aan de Rijksuniversiteit Groningen volgt, voldoen de waarneemrapporten aan hun primaire doel: de volgende dokter krijgt goede informatie voor het medisch handelen en kan daar weer mee verder (prod. XVIII zijdens [appellante] ). Dokterswacht heeft onder 5.12 van haar memorie van antwoord aangevoerd dat de mening van [G] dat de gebrekkige wijze van verslaglegging door [appellante] geen problemen voor de opvolgende arts op de patiënt opleverde, niet te delen. Volgens Dokterswacht is dit wel degelijk het geval geweest, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. In dit verband is ook van belang dat de IGZ, die na ingelicht te zijn, geen reden zag om te oordelen dat de door [appellante] geboden zorg een situatie opleverde die voor de veiligheid van patiënten of de gezondheidszorg een ernstige bedreiging kon betekenen.

In zoverre zijn de grieven IV en V terecht voorgedragen en deelt het hof niet de conclusie van Dokterswacht en de rechtbank dat [appellante] moet worden aangemerkt als een disfunctionerende huisarts inde zin van het Protocol, zoals dat hiervoor onder 5.9 door het hof is uitgelegd. Uit het navolgende zal blijken of dit [appellante] ook baat.

5.11

Grief III ziet op het gebruik van de waarneemberichten als bewijs in deze procedure. Gelet op het slagen van de grieven IV en V is het de vraag welk belang [appellante] nog heeft bij de beoordeling van deze grief, temeer nu ook [appellante] zelf waarneemberichten heeft overgelegd en aan derden - zoals [G] voornoemd - ter beschikking heeft gesteld. De rechtbank heeft, in het midden latende of waarneemberichten onrechtmatig bewijs opleveren, geoordeeld dat onrechtmatig verkregen bewijs in civiele zaken niet automatisch tot bewijsuitsluiting leidt en dat in dit geval het algemene belang van de waarheidsvinding boven het belang van [appellante] bij het buiten beschouwing van de waarneemberichten gaat. Dit oordeel neemt het hof over. [appellante] heeft verwezen naar HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1632. Bijkomende omstandigheden kunnen maken dat bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. In dat geval ging het om een gedragscode voor persoonlijke onderzoeken ("privédetectives") door verzekeraars, bij welke onderzoek een verzekeraar de eigen code had geschonden door te snel naar dit middel te grijpen. Van een vergelijkbare situatie is in dit geval naar 's hofs oordeel geen sprake.

Grief III treft dan ook geen doel.

5.12

Het hof dient vervolgens te beoordelen of de resterende redenen die aan de opzegging ten grondslag zijn gelegd een onmiddellijke beëindiging van de samenwerking rechtvaardigen. Het hof stelt vast dat zowel het normoverschrijdend gedrag met betrekking tot het ter beschikking stellen van patiëntengegevens aan haar echtgenoot ten behoeve van diens letselschadepraktijk als de wijze van bejegening van [appellante] van patiënten bij Dokterswacht bekend waren en in het verleden geen aanleiding hebben gegeven voor een op non-actiefstelling of een opzegging met onmiddellijke ingang. Wel zijn waarschuwingen gegeven c.q. is een verbetertraject ingeslagen. Indien [appellante] haar echtgenoot, ondanks de terechte interventie van Dokterswacht van patiënteninformatie was blijven voorzien dan wel was doorgegaan met doorverwijzingen naar hem, dan had ook zulks naar 's hofs oordeel een onmiddellijke beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst kunnen rechtvaardigen. Dat daarvan sprake was, is evenwel onvoldoende gebleken. Weliswaar blijkt uit het advies van de LCA dat [appellante] tijdens de hoorzitting in Utrecht op 5 oktober 2011 heeft erkend dat zij nog steeds patiënten verwijst naar haar echtgenoot, maar volgens [appellante] berust dit op een misverstand en heeft de LCA een cynische opmerking van haar verkeerd begrepen. Het hof acht deze opmerking van [appellante] tijdens de hoorzitting van 5 oktober 2011 misplaatst, doch acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij haar in 2008 terecht door Dokterswacht gewraakte handelwijze na maart 2010 - de laatste datum die zij in eerste aanleg heeft erkend - nog heeft voortgezet.

Hetgeen nog nader is gebleken omtrent de onprofessionele wijze waarop [appellante] zich in haar waarneemberichten heeft uitgelaten over patiënten en het zich onvoldoende houden aan de SOEP-registratie - aangezien deze wijze van registratie ook van belang is voor de managementinformatie en het kwaliteitsbeleid van de desbetreffende dokterspost (zie het rapport van [G] , voornoemd) - is naar 's hofs oordeel evenmin voldoende reden voor een opzegging met onmiddellijke ingang.

5.13

Derhalve komt het hof tot het oordeel dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven.

5.14

Grief VI richt zich tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellante] . Het (deels) slagen van de grieven IV en V brengt evenwel nog niet met zich dat de vorderingen van [appellante] toewijsbaar zijn.

Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat de samenwerkingsovereenkomst opzegbaar is met in achtneming van een opzegtermijn. [appellante] heeft nog betoogd dat op grond van de afspraak van 16 februari 2011 eerst eind 2011 een evaluatie gemaakt zou mogen worden, maar uit het hiervoor onder 3.7 opgenomen verslag blijkt dat nadrukkelijk de mogelijkheid voor een vervroegd oordeel is opengehouden. Wanneer het aantal bejegeningsklachten niet zou afnemen, dan zou het starten van een feedbacktraject van [appellante] ter sprake kunnen komen, aldus het verslag.

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat [appellante] in diverse waarneemberichten patiënten op een niet zakelijke, weinig professionele manier omschrijft. Ook de door haar ingeschakelde [G] heeft forse kritiek:

"Het gaat om een subjectief oordeel waar de patiënt niets aan heeft en dat zelfs grievend zou kunnen zijn. In ieder geval kan dat worden uitgelegd als een teken van gebrek aan respect voor de patiënt. Sommige dingen mag je misschien denken, maar je hoeft het nog niet op te schrijven. Als je toch wat wilt opschrijven moet je dat ook besproken hebben met de patiënt. We moeten ervan uitgaan dat een dossier volledig transparant is en inzichtelijk voor de patiënt die het betreft."

Het verweer van [appellante] dat de meeste patiënten hun huisartsengegevens nooit opvragen, miskent de portee van het haar gemaakte verwijt en sluit niet uit dat het wel gebeurt. Daarnaast is vastgesteld dat [appellante] zich niet aan de voorgeschreven SOEP-rapportagemethode hield, waarbij Dokterswacht ook een eigen zelfstandig belang heeft (zie hiervoor onder 5.12)) en de minst genomen ongemakkelijke verhouding tussen [appellante] en Dokterswacht die voortvloeide uit het door haar echtgenoot uitgeoefende beroep en de niet altijd heldere bewaking door [appellante] van de grenzen tussen beider werkterreinen waarbij in ieder geval is gebleken dat [appellante] na 2008 niet geheel met de door Dokterswacht gewraakte doorverwijzingen is gestopt.

5.15

Het hof is van oordeel dat bij deze redenen voor opzegging van de (samenwerkings)overeenkomst, Dokterswacht kon volstaan met het in acht nemen van een opzegtermijn van drie maanden bij haar besluit van 24 oktober 2011. Nu Dokterswacht dat niet heeft gedaan, dient zij [appellante] een vergoeding te verstrekken, gelijk aan de gemiddelde inkomsten die [appellante] in drie maanden had kunnen verdienen, waarbij het hof uitgaat van het jaar 2010 als referentiejaar.

5.16

[appellante] maakt daarnaast aanspraak op een vergoeding van immateriële schade omdat Dokterswacht vroegtijdig en op onjuiste gronden publiekelijk kenbaar heeft gemaakt dat [appellante] zou disfunctioneren. Deze vordering, die klaarblijkelijk is gebaseerd op artikel 6:106 BW, eerste lid, aanhef en onder b (schending van eer of goede naam) acht het hof niet toewijsbaar nu [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij immateriële schade heeft geleden als gevolg van het niet in acht nemen van voornoemde opzegtermijn. Dat Dokterswacht afscheid heeft genomen van [appellante] ligt voor een groot deel aan tekortkomingen - zij het niet op zuiver medisch vlak - van [appellante] . Het hof acht niet aangetoond dat Dokterswacht aan het verbreken van de banden met [appellante] meer ruchtbaarheid heeft gegeven dan noodzakelijk was. Dat de zaak als gevolg van de door [appellante] aangespannen gerechtelijke procedures ook enige aandacht in de pers heeft gekregen, kan Dokterswacht niet worden verweten.

De slotsom

5.17

Het hof zal bij eindarrest het vonnis waarvan beroep vernietigen en Dokterswacht veroordelen om aan [appellante] alsnog een vergoeding te betalen voor het niet in acht nemen van een opzegtermijn van drie maanden, te begroten op ¼ van de gemiddelde inkomsten die [appellante] in 2010 genoten heeft uit haar werkzaamheden ten behoeve van Dokterswacht. Het hof acht geen termen aanwezig om de zaak voor deze, betrekkelijk eenvoudige, berekening te verwijzen naar de schadestaat en draagt partijen op om bij akte een berekening (met bewijsstukken) over te leggen. [appellante] zal als eisende partij het voortouw hebben te nemen.

5.18

Het hof zal elke verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 26 september 2017 voor een akte van partijen als bedoeld in rechtsoverweging 5.17, eerst aan de zijde van [appellante] ;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. I.A. Katz- Soeterboek en mr. E.B. Knottnerus en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2017.