Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7501

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
200.207.366
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nevenvoorzieningen. Verdeling woning. Verzoeken onvoldoende concreet, verdeling naar billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.207.366

(zaaknummer rechtbank Gelderland 287630)

beschikking van 29 augustus 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.C.M. Wouda-van Velzen te Arnhem,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats verweerder] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. I.P. Rietveld te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 januari 2017;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties 27 februari 2017;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 14 april 2017;

- een journaalbericht van mr. Wouda-van Velzen van 15 juni 2017 met producties 30 en 31.

2.2

Op 26 juni 2017 zijn de hierna nader te noemen [kind 2] en [kind 1] verschenen, die buiten aanwezigheid van de ouders door een van de raadsheren van het hof zijn gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 27 juni 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 15 maart 2017 ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in het register van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] te [geboorteplaats 1] , en

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] te [geboorteplaats 2] ,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 1 juli 2015 heeft de rechtbank voor de duur van het geding voor zover thans nog van belang bepaald dat:

- de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;

- de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van de datum van de beschikking zal betalen € 155,- per kind per maand.

3.4

Bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 28 september 2016 heeft de rechtbank voormelde beschikking voorlopige voorzieningen van 1 juli 2015 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking als kinderalimentatie € 14,- per kind per maand zal betalen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Deze procedure betreft de echtscheiding van partijen. In geschil zijn nog de verzochte nevenvoorzieningen ten aanzien van:

  • -

    de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

  • -

    de kinderalimentatie;

  • -

    de wijze van afwikkelen/verrekenen van de huwelijkse voorwaarden, waaronder de verzoeken van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor het verstrekken van een verkoopopdracht betreffende de gezamenlijk woning en het aan de man opleggen van de verplichting hieraan medewerking te verlenen, en;

  • -

    de verzoeken van de man omtrent toedeling van de echtelijke woning.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - de kinderalimentatie met ingang van de datum van de beschikking vastgesteld op € 14,- per kind per maand, vastgesteld dat tussen de man en de kinderen ten minste eenmaal per twee weken persoonlijk contact plaatsvindt, bevolen dat partijen met elkaar overgaan tot afwikkeling en verrekening conform de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden ten overstaan van een (door hen zelf te kiezen) notaris, met benoeming van een notaris en onzijdige personen voor zover de vrouw dan wel de man niet meewerken en het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor het verstrekken van een verkoopopdracht betreffende de gezamenlijk woning afgewezen.

4.2

De vrouw is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 14 oktober 2016. Deze grieven zien op de kinderalimentatie en de afwijzing van haar verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor het verstrekken van een verkoopopdracht betreffende de gezamenlijk woning.

De vrouw verzoekt het hof - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de vaststelling van de hoogte van de kinderalimentatie en de afwijzing van haar verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor het verstrekken van een verkoopopdracht betreffende de gezamenlijke woning en opnieuw beschikkende:

- te bepalen dat de man met ingang van 14 oktober 2016 aan de vrouw een kinderalimentatiebijdrage dient te betalen van € 544,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- te bepalen dat, indien de overname door de man van de gezamenlijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening bij de ING (van € 314.000,-) en de door de vader van de man aan partijen verstrekte lening (van € 105.000,-), onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor beide voornoemde leningen, niet binnen drie maanden na ontbinding van het huwelijk van partijen bij notariële akte is geregeld:

- aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend voor het geven van een verkoopopdracht aan [naam makelaar] Makelaardij betreffende de gezamenlijk woning, staande en gelegen te [adres] ,

- de man de verplichting wordt opgelegd om zijn volledige medewerking te verlenen aan het verkoopproces, de daaruit volgende bezichtigingen en het opvolgen van de adviezen van voornoemde makelaar, zoals de vaststelling en bijstelling van de vraag- en laatprijs, alsmede het passeren van het notariële transport van de woning aan de koper, waarbij indien de man hieromtrent in gebreke is, aan hem een dwangsom wordt opgelegd van € 100,- per dag, met een maximum van € 100.000,- voor elke dag dat hij in gebreke blijft en waarbij in het geval de medewerking van de man ergens in het verkooptraject tot en met het notariële transport ontbreekt, wordt bepaald dat deze beschikking in de plaats treedt van de wil van de man.

4.3

De man voert verweer in principaal hoger beroep en is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de reiskosten woon- werkverkeer waarmee de rechtbank geen rekening heeft gehouden in het kader van het bepalen van zijn draagkracht. Daarnaast heeft de man twee nieuwe verzoeken ingediend omtrent de afwikkeling en verrekening conform de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden.

De man verzoekt het hof, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in principaal hoger beroep

- de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans dit hoger beroep als ongegrond en onbewezen te verwerpen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking ter zake de door de vrouw aangevoerde grieven, zo nodig met aanvulling en/of verbetering van gronden;

in incidenteel hoger beroep

  • -

    een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen inhoudende dat de kinderen om de twee weken een weekeinde bij hun vader doorbrengen van zaterdag 14.00 uur tot zondag na het eten alsmede de helft van alle schoolvakanties;

  • -

    bij het vaststellen van de kinderalimentatie rekening te houden met de door de man gemaakt kosten woon- werkverkeer van € 255,- per maand;

nieuwe verzoeken

- de wijze van afwikkeling/verrekening van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen conform het verzoek van de man, te weten:

- de onroerende zaak wordt aan de man toegedeeld binnen twee maanden na deze beschikking;

- de man draagt er zorg voor dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schulden;

- de vrouw betaalt aan de man ten tijde van de eigendomsoverdracht de helft van de onderwaarde van minstens € 19.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf veertien dagen na de eigendomsoverdracht;

- de vrouw legt stukken over waaruit blijkt wat het saldo van de spaarloonregeling was op de peildatum en betaalt de helft van dit saldo aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking;

- een gebruiksvergoeding vast te stellen van € 700,- per maand, inclusief gas, water en elektra vanaf het moment dat de man de woning in eigendom heeft verkregen.

4.4

De vrouw voert verweer in incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de verzoeken van de man als ongegrond af te wijzen.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

4.6

Partijen zijn het erover eens dat aanvullende nieuwe gegevens mede aan de beslissing ten grondslag moeten worden gelegd.

5 De motivering van de beslissing

De zorg- en contactregeling

5.1

Partijen hebben als ouders samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.

5.2

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

5.3

De man maakt bezwaar tegen de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Hij is van mening dat een contact van ten minste eenmaal per twee weken te onbepaald is. De afgelopen periode is er weinig, onregelmatig en alleen maar kortdurend contact geweest. Indien het hof een regeling met vaste tijden vaststelt, zal dit het de kinderen makkelijker maken om contact met hem te onderhouden. Wanneer de kinderen af en toe langer aaneengesloten bij hem verblijven, kunnen zij de tijd bij hem ook invullen zoals dat gebeurt bij een normaal gezinsleven. Op dit moment is het zo dat de vrouw zich vaak bemoeit met de tijden en de invulling van het contact.

5.4

De vrouw voert verweer. Zij stelt dat er wel afspraken over het contact tussen de man en de kinderen met hem zijn gemaakt, maar dat hij deze vaak zelf niet nakomt. Daarnaast wil de man afspraken maken die hij onvoldoende afstemt op de agenda en de wensen van de kinderen. Indien het contact dan niet kan plaatsvinden, reageert de man erg boos. De kinderen willen graag omgang zonder dat familie en vrienden van de man daarbij aanwezig zijn. Verder vinden de kinderen het moeilijk om de man te benaderen in de schuur die hij gebruikt als bedrijfsruimte op het terrein de echtelijke woning, omdat daar meestal ook derden aanwezig zijn.

5.5

De vertegenwoordiger van de raad constateert aan de hand van hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben gesteld dat het contact met de man beladen is voor de kinderen. Het vaststellen van een vastomlijnde regeling druist in tegen de wens van deze al wat oudere kinderen en is daarom waarschijnlijk niet haalbaar. De man overvraagt de kinderen mogelijk door drie weken met ze op vakantie te willen gaan, nu er de afgelopen tijd nauwelijks contact is geweest. Mogelijk kan een gesprek tussen de man en de kinderen onder begeleiding van een onafhankelijk persoon herstel brengen in de verstandhouding tussen de man en de kinderen.

5.6

Het hof is van oordeel dat het belangrijk is voor een evenwichtige ontwikkeling van de kinderen dat het contact met de man weer opgebouwd wordt. Dit zal een grote inspanning vergen van de ouders en de kinderen, maar het is niet te verwachten dat een vastomlijnde regeling zoals de man voorstaat hiertoe kan bijdragen. De kinderen die al dertien en zeventien jaar oud zijn, hebben uitdrukkelijk verklaard dat zij geen vastomlijnde regeling willen waarbij zij een heel weekend bij hun vader moeten verblijven. Daarbij komt dat de man bij zijn vader woont en geen zelfstandige woonruimte heeft. De man zal mede gelet op de leeftijd van de kinderen, goed rekening moeten houden met de gevoelens en wensen van de kinderen, indien hij het contact en de band met de kinderen wenst te verbeteren. De kinderen hebben ook verklaard dat zij een beter contact willen met hun vader, zonder dat daarbij familie en vrienden van hem aanwezig zijn.

Op grond van het vorenstaande, zal het hof de bestreden beschikking op het punt van de zorgregeling bekrachtigen. Het hof gaat ervan uit dat de ouders en de kinderen streven naar een volwaardig contact tussen de man en de kinderen, waarbij de kinderen naast bezoeken en uitjes met de vader ook wel eens een wat langere periode in het weekend of de vakanties bij hem zullen verblijven. Het is aan de ouders en de kinderen daarvoor in goed onderling overleg ruimte te scheppen.

De nevenvoorzieningen ten aanzien van de verdeling van de woning en de verrekening van het spaarloon

5.7

De rechter die, in een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vaststelt, dient daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en, indien dat aan de orde is, het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en behoeft hij niet - expliciet - in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd.

5.8

Naar het oordeel van het hof hebben partijen hun verzoeken omtrent de verdeling van de woning onvoldoende concreet gespecificeerd. De man wenst de woning toegedeeld te krijgen, maar heeft geen concreet voorstel gedaan voor de financiering daarvan, ofschoon hij daarvoor inmiddels ruim de tijd heeft gehad. De vrouw wil de echtelijke woning verkopen, eventueel onder afsplitsing van een aan haar toe te delen deel van het terrein bij de woning. Dit biedt de vrouw de mogelijkheid daarop zelf een eenvoudige woning te bouwen voor haarzelf en de kinderen. Ook de vrouw heeft geen concreet voorstel gedaan voor de financiering van deze afsplitsing en toedeling. Voorts hebben partijen nog geen overeenstemming over de waarde van de echtelijke woning. De man stelt dat de makelaar die de woning heeft getaxeerd geen rekening heeft gehouden met het feit dat asbest is verwerkt in de schuren. Hij wil de woning opnieuw laten taxeren en dan het gemiddelde van beide taxaties als uitgangspunt nemen.

5.9

Het hof is van oordeel dat met de belangen van de man enerzijds en de vrouw anderzijds naar billijkheid rekening wordt gehouden, indien de actuele waarde van de woning vrij van huur en gebruik wordt vastgesteld en de man in de gelegenheid wordt gesteld de woning tegen deze waarde toegedeeld te krijgen tegen vergoeding aan de vrouw van de helft van de (over)waarde. De man gebruikt de schuren behorend bij de echtelijke woning als bedrijfsruimte. De vrouw zal, anders dan nu het geval is, na verkoop van de echtelijke woning mogelijkheden hebben om elders woonruimte voor haar en de kinderen te vinden. Maakt de man van de gelegenheid om de woning toegedeeld te krijgen tegen de actuele waarde geen gebruik, dan dienen de partijen de netto opbrengst van de woning na verkoop te verdelen. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen op dit punt, de verzoeken van partijen afwijzen en bepalen dat de verdeling van de woning moet plaatsvinden ten overstaan van een van de notarissen werkzaam bij het door partijen tijdens de mondelinge behandeling genoemd notariskantoor [naam kantoor] .

5.10

Het hof zal de volgende wijze van verdeling gelasten:

  1. De uitvoering van deze verdeling, in het bijzonder de toedeling van de woning aan de man, dient plaats te vinden bij notariële akte binnen drie maanden na dagtekening van deze beschikking. De kosten van de tussenkomst van de notaris en de kosten van levering van de woning komen voor rekening van partijen samen.

  2. Partijen dienen binnen een maand weken na dagtekening van deze beschikking allereerst de actuele waarde vrij van huur en gebruik van de woning te laten bepalen door een Register Makelaar Taxateur Wonen aan te wijzen door partijen samen en bij gebreke van overeenstemming door de notaris.

  3. Binnen een maand weken nadat de uitkomst van de taxatie door de notaris aan partijen is bekend gemaakt, dient de man door tussenkomst van de notaris aan de vrouw mee te delen of hij toedeling van de woning tegen de getaxeerde waarde en betaling aan de vrouw van de helft van de (over)waarde wenst onder overneming van de hypothecaire schuld bij de ING van € 314.000,- en de schuld aan zijn vader van

€ 105.000,-.

De man dient in dat geval tevens door tussenkomst van de notaris aan haar te overleggen: een onvoorwaardelijke offerte van de ING Bank of een andere financier waaruit blijkt dat hij in staat is de toedeling te financieren alsmede een brief van de huidige hypothecaire schuldeiser(s) en een brief van zijn vader waaruit blijkt van onvoorwaardelijk bereidheid de vrouw ter gelegenheid van de toedeling van de woning aan de man en de overneming door hem van de hypothecaire schuld en de schuld aan zijn vader te ontslaan uit haar hoofdelijk verbondenheid voor deze schulden of van onvoorwaardelijke bereidheid toestemming te geven voor overneming van deze schulden door de man.

Of de man in staat zal zijn de toedeling te financieren hangt uiteraard af van de waarde die de makelaar/taxateur zal bepalen en de financiële situatie en kredietwaardigheid van de man.

Indien de man deze toedeling wenst, zal het hof bepalen dat partijen vervolgens binnen een maand daarna bij notariële akte dienen over te gaan tot de toedeling van de woning aan de man; de man dient ter gelegenheid daarvan aan de vrouw de helft van de (over)waarde te betalen via de kwaliteitsrekening van de notaris.

Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen toedeling aan de man plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, dienen partijen de woning op de kortst mogelijke termijn te verkopen en de netto opbrengst bij helfte te verdelen door:

a. gezamenlijk opdracht te geven aan de door hen of - bij gebreke van overeenstemming door de notaris - te benoemen makelaar om de woning aan een derde te verkopen.

b. opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar;

c. al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen;

d. mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht;

e. medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de makelaarscourtage;

f. gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht van de woning opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst bij helfte te verdelen.

5.11

Het hof zal het verzoek van de man een gebruiksvergoeding vast te stellen vanaf het moment dat de man de echtelijke woning in eigendom heeft verkregen, eveneens afwijzen, omdat niet vast staat dat de vrouw op dat moment nog in die woning woont en de man op dat moment enig de eigenaar van die woning is. Hij heeft daarom onvoldoende belang bij zijn verzoek.

Dit laat onverlet dat partijen te zijner tijd hierover in onderling overleg afspraken kunnen maken.

5.12

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissingen omtrent de verdeling van de woning vernietigen en beslissen als na te melden.

5.13

Het hof zal het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw aan hem stukken moet overleggen ten aanzien van de spaarloonregeling en aan haar de helft van dit saldo te betalen afwijzen. De grondslag voor dit verzoek is kennelijk dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding dat zij in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen. Indien dat juist is, moeten partijen op de voet van artikel 1:141 BW alsnog overgaan tot verrekening en vaststellen of en in hoeverre de een nog gehouden is de ander in dat kader een bedrag te betalen. Dat bedrag is afhankelijk van de omvang van de te verrekenen vermogens van de man enerzijds en de vrouw anderzijds. Gesteld noch gebleken is dat dit bedrag gelijk is aan de helft van het spaarloon van de vrouw. Bovendien betwist de vrouw dat de spaarloon rekening nog bestaat. Het hof geeft partijen in overweging de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ten overstaan van de hiervoor genoemde notaris te bespreken en vast te leggen.

De kinderalimentatie

de behoefte

5.14

Partijen verschillen van inzicht over de hoogte van de behoefte van de kinderen. Het hof zal bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uitgaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving en op basis daarvan de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen vaststellen.

5.15

De vrouw heeft in haar eerste grief aangevoerd dat ten onrechte is uitgegaan van het gemiddelde resultaat van de onderneming van de man over 2012, 2013 en 2014. Volgens haar is 2012 niet representatief, omdat de man in 2011 een ernstig ongeluk heeft gehad en hij in 2012 veel werk heeft uitbesteed. In haar tweede grief voert zij aan dat het resultaat over 2014 ten onrechte niet is gecorrigeerd. De privéonttrekkingen bedroegen in 2014 € 26.160,- en zijn besteed aan het gezin. Een dergelijk bedrag is in lijn met de winst over de voorliggende jaren.

De man betwist dat het slechte resultaat over 2012 een gevolg is van het ongeluk dat hij heeft gehad in 2011. Volgens hem is een aanzienlijk deel van het bedrag dat als privéonttrekking wordt genoemd, besteed aan de reparatie van een dak van een loods, aan de bouw van een geitenschuur en nieuwe ramen en aan dubbele beglazing van de echtelijke woning.

5.16

Tussen partijen staat niet ter discussie dat het resultaat van de onderneming van de man volgens de jaarstukken als volgt was:

- 2006 29.193

- 2007 28.407

- 2008 28.535

- 2009 28.407

- 2010 29.320

- 2011 35.820

- 2012 3.601

- 2013 44.780

- 2014 14.315

- 2015 32.275

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat de jaarstukken 2016 nog niet gereed zijn, maar dat het resultaat in 2016 waarschijnlijk gelijkwaardig zal zijn aan 2015. Het hof gaat daarom voor 2016 ook uit van een resultaat van € 32.275,-.

5.17

Partijen zijn in april 2015 uiteen gegaan. Nu de behoefte van de kinderen gebaseerd wordt op de mate van welstand van het gezin gedurende het huwelijk, is het gebruikelijk om te rekenen met een gemiddeld resultaat gedurende de laatste drie jaar van huwelijk. Nu in de onderhavige situatie 2012 en 2014 aanzienlijk afwijken van de overige jaren, maar de jaren daarvoor (2006 tot en met 2011) wel een constant beeld laten zien, ziet het hof aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Het gemiddelde resultaat over de jaren 2006 tot en met 2016 bedraagt € 27.903,-. Het hof zal niet rekenen met een gemiddeld resultaat van € 20.899,- zoals de rechtbank heeft gedaan, maar met een gemiddeld resultaat van de onderneming van de man van € 27.900,-. Dat is in elk geval ook in lijn met de jaren 2006-2011.

5.18

De overige uitgangspunten die de rechtbank heeft gehanteerd bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen hebben partijen niet bestreden, zodat het hof deze ook zal hanteren. De man heeft dan een besteedbaar inkomen van € 2.082,-. Het besteedbaar inkomen van de vrouw heeft de rechtbank reeds berekend op € 1.955,-.

Het hof ziet aanleiding om deze inkomens niet te verhogen met het kindgebonden budget zoals de rechtbank heeft gedaan. Het gaat thans om het bepalen van de mate van welstand van partijen gedurende het huwelijk. Partijen hadden ten tijde van het uiteengaan recht op een kindgebonden budget van € 55,- omdat partijen op dat moment ook een lager inkomen genoten gelet op het lagere resultaat van de onderneming van de man.

Het gezinsinkomen waarop de behoefte wordt gebaseerd bedraagt dan in totaal € 4.037,- netto per maand. Op basis van dat inkomen en de leeftijd van de kinderen bedraagt het eigen aandeel van de ouders voor de kinderen op basis van de tabel 2015 in totaal € 924,-, ofwel € 462,- per kind per maand.

5.19

Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.

berekening van de draagkracht van de man

5.20

Voor de bepaling van de draagkracht van de man zal het hof zijn huidige gemiddelde netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Nu partijen geen grieven hebben aangevoerd tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum, te weten de datum van de bestreden beschikking, 14 oktober 2016, zal het hof daarbij de tarieven 2016 hanteren.

5.21

Als algemeen uitgangspunt hanteert het hof dat de draagkracht moet worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)] Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 860,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.22

In het verlengde van hetgeen de vrouw reeds naar voren heeft gebracht in het kader van het resultaat van de onderneming van de man in 2014 in het kader van de behoefte, is de vrouw van oordeel dat 2014 niet representatief is en moet worden gecorrigeerd naar € 26.160,- en dat een gemiddeld inkomen over de laatste vier jaar moet worden berekend. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

Het hof is van oordeel dat op basis van de resultaten van de onderneming sedert 2006 en gelet op het feit dat de man heeft verklaard dat zijn onderneming op dit moment stabiel is en de resultaten over 2016 en 2017 vergelijkbaar zullen zijn met het resultaat in 2015 van € 32.275,-, in redelijkheid voor het bepalen van zijn draagkracht uitgegaan moet worden van een resultaat van gemiddeld € 31.000,- per jaar. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensheffing leidt dit tot een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.310,-.

5.23

De vrouw heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen de stelling van de man dat de werkelijke last die de man voldoet ter zake de echtelijke woning moeten worden meegenomen in de hiervoor genoemde formule in plaats van het forfaitaire bedrag. Voorts stelt de vrouw in hoger beroep dat de rechtbank het fiscaal voordeel dat de man heeft in verband met het deel van de hypotheeklast dat hij voldoet onjuist heeft berekend en daarom rekening heeft gehouden met een netto hypotheeklast waarvan de hoogte niet klopt.

Het hof is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat de situatie als bedoeld in het tremarapport 2016 onder 7.2.2 met name bedoeld is voor onderhoudsplichtigen die te maken hebben met dubbele woonlasten, omdat zij de lasten verbonden aan de echtelijke woning voldoen en daarnaast een last voor eigen woonruimte hebben. In de onderhavige situatie verblijft de man bij zijn vader en is hij voornemens terug te keren in de echtelijke woning. Daarom ziet het hof geen redenen om af te wijken van de algemene uitgangspunten en zal het hof uitsluitend rekening houden met de forfaitaire woonlast. Daarmee komt het hof niet meer toe aan een bespreking van de wijze waarop de rechtbank het fiscale voordeel heeft berekend en wordt tevens voorbijgegaan aan de stelling van de vrouw omtrent het in aanmerking nemen van de gemiddelde basishuur.

5.24

Voorts heeft de man als grief aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met zijn kosten woon- werkverkeer van € 255,- per maand, omdat hij minstens tien keer per week de afstand van 31 kilometer van het huis van zijn vader naar de echtelijke woning aflegt. Daarbij is hij uitgegaan van negentien cent per kilometer. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat de man deze reiskosten tegen negentien cent per kilometer al ten laste van zijn winst brengt. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling hierop gereageerd en gesteld dat de werkelijke kosten hoger zijn dan het bedrag dat hij ten laste van de winst kan brengen. Het hof ziet in de stellingen van de man geen redenen om af te wijken van de richtlijnen van de Expertgroep alimentatienormen (de in 5.21 vermelde formule), nu de man de daadwerkelijke kosten onvoldoende nader heeft onderbouwd en een deel van de kosten waarop de man doelt ook privéuitgaven betreffen.

5.25

Aan de hand van de draagkrachttabel 2016 stelt het hof de draagkracht van de man bij een netto besteedbaar inkomen van € 2.310,- vast op € 508,- per maand, ofwel € 254,- per kind per maand.

De draagkracht van de vrouw

5.26

Het hof zal de berekening van de draagkracht van de vrouw baseren op dezelfde formule als hiervoor vermeld. De door de rechtbank gehanteerde uitgangspunten zijn door partijen niet bestreden, met dien verstande dat de vrouw in haar grieven heeft aangevoerd dat de rechtbank geen rekening had moeten houden met een kindgebonden budget van € 4.747,- per jaar omdat zij in werkelijkheid aanspraak heeft kunnen maken op slechts € 94,- per maand. Het hof is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met het daadwerkelijke kindgebonden budget waarop de vrouw recht heeft en zal daarom de berekening van de draagkracht van de vrouw uitsluitend op dit punt corrigeren.

Rekening houdend met een bruto arbeidsinkomen inclusief vakantiegeld van € 36.456, een pensioenpremie van € 3.578,- per jaar, een premie lijfrente van € 774,-, het feitelijke kindgebonden budget van € 1.128,- per jaar, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensheffing, bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 2.149,- per maand.

5.27

Onder de gegeven omstandigheden bedraagt de draagkracht van de vrouw € 430,- per maand, ofwel € 215,- per kind per maand.

Draagkrachtvergelijking

5.28

De behoefte van de kinderen bedraagt € 462,- per kind per maand. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen bezien, hebben zij voldoende om in de behoefte te voorzien. Ieders draagkracht vergeleken, dienen de man en de vrouw van hun draagkracht € 500,- respectievelijk € 424,- aan te wenden voor een bijdrage in het eigen aandeel van de kosten van kinderen.

5.29

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Gelet op de hierna vast te stellen regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken acht het hof het redelijk om het laagste percentage van 15% in aanmerking nemen. Het bedrag van de zorgkorting, zijnde € 69,- per kind per maand, wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding. Het voorgaande leidt ertoe dat de man een bedrag van € 181,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen als kinderalimentatie met ingang van 14 oktober 2016.

5.30

Het hof zal daarom de bestreden beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie vernietigen en beslissen als na te melden.

5.31

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man en de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen zal aan deze beschikking worden gehecht en maakt daarvan deel uit.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 oktober 2016, ten aanzien van de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 oktober 2016, ten aanzien van de verdeling van de woning en de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:

gelast partijen over te gaan tot verdeling van de woning als hiervoor in rechtsoverweging 5.10 is bepaald;

bepaalt dat de verdeling van de woning ten overstaan van een van de notarissen werkzaam bij [naam kantoor] , dient te geschieden;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 14 oktober 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 181,- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, T. ter Brugge en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door de griffier, en is op 29 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.