Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7486

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
200.184.731
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling en informatieverplichting. Ontbreken ouderschapsplan, ambtshalve vaststelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.184.731/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 166551)

beschikking van 29 augustus 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. J Engels te Vroomshoop,

thans mr. P.H.K. Ruding te Enschede,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats verweerder] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I. Mercanoğlu te Enschede.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

mevrouw [curator],

kantoorhoudend te [plaats] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 21 juli 2016 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

1.2

In voormelde tussenbeschikking heeft het hof in de zaak met zaaknummer 200.184.731/01 de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 19 oktober 2015 bekrachtigd, voor zover daarbij een beslissing is genomen over de hoofdverblijfplaats van [kind 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , [kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] , en [kind 3] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats] , en, alvorens verder te beslissen over de zorgregeling, de bijzondere curator verzocht haar taken zoals omschreven in de benoemingsbeschikking van 12 april 2016 voort te zetten en verder te onderzoeken welke zorg- en contactregeling in het belang van de kinderen moet worden geacht en daaromtrent uiterlijk op 1 mei 2017 te rapporteren. Voorts is bepaald dat partijen en de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken na ontvangst van het rapport van de bijzondere curator daarop schriftelijk te reageren.

1.3

Ingevolge voormelde tussenbeschikking heeft de bijzondere curator op 22 maart 2017 een rapport uitgebracht, dat aan partijen is toegezonden.

1.4

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Mercanoğlu van 10 april 2017 met een productie;

- een brief van de raad ingekomen op 11 april 2017;

- een journaalbericht van mr. Ruding van 7 april 2017 met een productie;

- een brief van de bijzondere curator, ingekomen op 19 juli 2017, dat zij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zal zijn.

1.5

Op 20 juli 2017 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker raad] verschenen.

2 De verdere motivering van de beslissing

2.1

Uit het rapport van de bijzondere curator van 22 maart 2017 komt onder meer het volgende naar voren. De moeder heeft na haar vertrek uit de echtelijke woning en enkele contacten met de kinderen in 2014 tot op heden niet de mogelijkheid gekregen om weer contact op te bouwen met de kinderen. De vader weigert ieder contact met de moeder. De kinderen wijzen, zoals zij voorheen ook deden, ieder contact met hun moeder af. Ook begeleid contact wordt door de kinderen afgewezen. De situatie is daarmee onveranderd en een omgangsregeling lijkt op dit moment weinig kans van slagen te hebben. Gedwongen omgang zal in deze situatie opnieuw leiden tot onrust en loyaliteitsconflicten bij de kinderen. De bijzondere curator concludeert in haar advies dat het starten van een omgangsregeling in de huidige situatie niet haalbaar lijkt.

2.3

De raad heeft zich ter mondelinge behandeling aangesloten bij de overwegingen en het advies van de bijzondere curator.

2.4

Het hof neemt de bevindingen van de bijzondere curator over, maakt deze tot de zijne en overweegt, gelezen het gehoord de adviezen van de bijzondere curator en de raad, als volgt. Ondanks vele pogingen daartoe van de moeder en van verschillende instanties is het niet gelukt om het contact tussen de moeder en de kinderen te herstellen. Op dit moment is er geen enkele ruimte bij de kinderen voor contact met hun moeder. Het hof acht in deze situatie een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de ouders (anderszins) in strijd met het belang van de kinderen. Het hof zal om die reden het verzoek van de moeder tot vaststelling van een regeling inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] , afwijzen. Niettemin wijst het hof erop dat het in het algemeen belang van kinderen is dat zij contact hebben met hun beide ouders en dat het in hun belang is dat zij daarvoor van hun beide ouders de ruimte krijgen. Op grond van artikel 1:247 lid 2 BW omvat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Het handelen van de vader is hiermee vooralsnog in strijd. Van de vader mag verwacht worden dat hij het gesprek met de moeder aangaat om (voorwaarden te scheppen om) contact tussen haar en de kinderen mogelijk te maken. Het is in dat kader bedroevend dat de vader tot op heden ieder contact met de moeder weigert. Het hof spreekt dan ook met de raad de hoop uit dat op korte termijn gesprekken tussen de vader en de moeder op gang zullen komen waardoor er alsnog een mogelijkheid zal kunnen ontstaan voor contact tussen de moeder en de kinderen. Nu de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben is het de vader die zich hiervoor dient in te spannen. Daarnaast wijst het hof de vader op het in het rapport van de bijzondere curator gesignaleerde belang van onderzoek naar de achtergrond van de (extreme) angst die bij [kind 1] optreedt wanneer haar moeder ter sprake komt. De vader heeft tot op heden geen medewerking verleend aan een dergelijk onderzoek, stellende dat hij bang is dat haar angst daardoor verder zal toenemen. Het hof doet een beroep op de vader zijn standpunt in heroverweging te nemen met het oog op de mogelijkheid van contactherstel tussen [kind 1] en de moeder in de toekomst.

2.5

Het hof acht het van belang dat de moeder, nu er geen enkel contact tussen haar en de kinderen is, door de vader over hen wordt geïnformeerd. Voorop staat dat de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft en dat die ouder deze ouder raadpleegt. Op grond van art. 1:253a lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen omtrent de wijze waarop de informatie verstrekt dient te worden aan de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft en de wijze waarop deze ouder geraadpleegd wordt. De moeder heeft een dergelijk verzoek niet gedaan. Het hof zal niettemin ambtshalve een dergelijke regeling vaststellen. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.
Op grond van de wet dient een verzoek tot echtscheiding een ouderschapsplan als bedoeld in artikel 815, tweede en derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te bevatten. In het ouderschapsplan worden in ieder geval afspraken opgenomen over, voor zover hier van belang, de wijze waarop de ouders de zorg- en opvoedingstaken vormgeven – waarover de onder 2.4 opgenomen overwegingen van het hof gaan – en de wijze waarop de ouders elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen. De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 15 januari 2015 bepaald dat voldoende gebleken is dat partijen op dusdanig gespannen voet met elkaar leven en daardoor niet met elkaar kunnen communiceren over hun kinderen dat van hen redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij alsnog een ouderschapsplan overleggen. Nu er geen ouderschapsplan is opgemaakt en niet op andere wijze is voorzien in een afspraak over de wijze waarop de ouders elkaar, kort gezegd, informeren, ziet het hof aanleiding om ambtshalve een regeling vast te stellen inzake de informatieverstrekking ten aanzien van de kinderen door de vader aan de moeder. Het hof acht een dergelijke regeling in het belang van de kinderen en verwijst in dat kader voorts naar het bepaalde in artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Het hof rekent het in dit verband tot de taak van de vader om ervoor te zorgen dat de moeder minimaal vier keer per jaar (en in het bijzondere geval ook tussentijds) de nodige informatie over [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] krijgt en mede met behulp van telkens recente foto's en schoolrapporten van de kinderen op de hoogte wordt gehouden van hun gezondheid en ontwikkeling, zodat de moeder, zolang persoonlijk contact ontbreekt, zich een beeld kan vormen van hun opgroeien.

3 De slotsom

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en aan de vader de navolgende informatieplicht opleggen.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 19 oktober 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

legt aan de vader de plicht op om de moeder minimaal vier keer per jaar (en in het bijzondere geval ook tussentijds) informatie over [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] te verstrekken en haar mede met behulp van telkens recente foto's en schoolrapporten van de kinderen op de hoogte te houden van hun gezondheid en ontwikkeling.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, R. Feunekes en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Feunekes, en is op 29 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.