Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7463

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.176.163
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats. Is er sprake van parkeren of het laten stilstaan anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.176.163

29 augustus 2017

CJIB 175767729

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 24 juli 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 360,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met motorvoertuig op 2 wielen met geldige gehandicaptenparkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 september 2013 om 20.44 uur op de Stationssingel te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht omdat er geen sprake was van parkeren. De betrokkene erkent op de onder 1. genoemde plaats en tijd met zijn voertuig op een gehandicaptenparkeerplaats te hebben gestaan, maar geeft in hoger beroep aan dat hij daar stond om zijn vriend de gelegenheid te bieden om uit te stappen. De betrokkene heeft niet langer stilgestaan dan nodig was om de vriend uit te laten stappen en zijn spullen te laten pakken. De vriend had zijn spullen op de achterbank van de auto gelegd omdat dit praktischer en veiliger is dan de spullen op schoot te nemen. Op het moment dat de vriend de spullen van de achterbank wilde pakken kwam de opsporingsambtenaar.

3. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 26, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), inhoudende voor zover hier van belang:
"Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd: (…)
b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt, dan wel met het vervoer van een of meerdere personen die in een instelling verblijven, indien de kaart aan het bestuur van die instelling is verstrekt;"

4. Artikel 1 RVV 1990 definieert parkeren als volgt:
"Het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen."

5. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

6. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Bord E6. Ik zag dat het voornoemde voertuig geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbaar aangebracht een geldige gehandicaptenparkeerkaart.”

7. Verder bevat het dossier een op 24 november 2013 op ambtseed opgemaakt aanvullend proces-verbaal waarin de verbalisant onder meer verklaart:

"Op vrijdag 13 september 2013, omstreeks 20.44 uur, bevond ik mij in uniform gekleed en met handhaving belast op de openbare weg de Stationssingel te Rotterdam en constateerde aldaar de volgende gedraging: R420b - parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart. (...)

Ik zag namelijk dat op bovengenoemde datum en tijdstip een personenauto, van het merk Peugeot, kleur grijs en voorzien van het kenteken [kenteken] geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats met daarin niet zichtbaar een geldig gehandicaptenparkeerkaart. (…) Vanuit het Proveniersplein zag ik al het voertuig van betrokkene met erin betrokkene en haar passagier op de gehandicaptenparkeerplaats staan. Na diverse mensen te hebben aangesproken in verband met parkeerexcessen, kwam ik aan bij het voertuig van betrokkene. Ik zag dat op dat moment pas de laptop werd ingepakt en niet gepakt zoals betrokkene redeneert. (…)

Daar mijns inziens betrokkene niet alleen de passagier aan het uit laten stappen was, maar eerder nog een heel gesprek aan het voeren was, ben ik over gegaan tot het uitschrijven van de aankondiging van beschikking. Ik kan bij deze niet praten over een aantal minuten pardontijd, daar ik de aankondiging van beschikking heb geschreven aan de hand van mijn constateringen. Ik had het voertuig al zien staan toen ik op het Proveniersplein was, ik heb diverse mensen aan gesproken en pas toen ik ter plaatse was, en betrokkene had aangesproken stapte de passagier uit."

8. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake was van parkeren in de zin van artikel 1 van het RVV 1990. Het hof gaat hierbij uit van de verklaring van de verbalisant dat hij geen los- en laadactiviteiten heeft waargenomen gedurende de periode dat hij in de buurt van het voertuig was en de passagier pas uit het voertuig stapte toen de verbalisant de betrokkene aansprak. De tijd die aldus verstreken is, is langer dan de tijd die nodig is voor het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers, ook indien de passagier nog spullen uit de auto pakt. In hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de waarneming en de verklaring van de verbalisant op dit punt. De enkele stelling van de betrokkene, dat hij niet langer heeft stilgestaan dan nodig was om zijn passagier te laten uitstappen en zijn spullen van de achterbank te laten pakken, is daartoe onvoldoende.

9. Nu vaststaat dat sprake was van parkeren en de betrokkene niet ontkent dat zich in het voertuig geen zichtbare gehandicaptenparkeerkaart bevond, staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep terecht ongegrond verklaard door de kantonrechter. Het hof zal de bestreden beslissing daarom bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.