Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7457

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
200.207.116/01 en 200.207.108/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag moeder en stiefvader, naamswijziging, omgangsregeling en informatieverplichting. De belangen van het gezin van de moeder en stiefvader worden in het belang van de kinderen afgewogen tegen de belangen van de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.207.116/01 en 200.207.108/01
(zaaknummers rechtbank Overijssel C/08/176534 / FA RK 15-2254 en C/08/180097 / FA RK 15-2961)

beschikking van 10 augustus 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep in beide zaken,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. D.A.J. Spierings te Apeldoorn,

voorheen: mr. M. De Jonge te Apeldoorn,

en

[verweerster] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep in beide zaken,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Cupido te [B] ,

en

[verweerder],

wonende op een geheim adres,

verweerder in hoger beroep in de zaak met nummer 200.207.116/01,

belanghebbende in hoger beroep in de zaak met nummer 200.207.108/01,

verder te noemen: de stiefvader,

advocaat: mr. M. Cupido te [B] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de gezamenlijke tussenbeschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 26 januari 2016 en de afzonderlijke eindbeschikkingen van 3 oktober 2016, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

zaaknummer 200.207.116/01

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 3 januari 2017;
- het verweerschrift met productie(s);
- een journaalbericht van mr. De Jonge van 30 januari 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Spierings van 16 februari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Spierings van 27 juni 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Cupido van 4 juli 2017 met productie(s).

zaaknummer 200.207.108/01

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 3 januari 2017;
- het verweerschrift met productie(s);
- een journaalbericht van mr. De Jonge van 31 januari 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Spierings van 16 februari 2017 met productie(s);
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van

21 maart 2017 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Spierings van 27 juni 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Cupido van 4 juli 2017 met productie(s).

beide zaaknummers

2.2

De minderjarige [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2003 te [B] , heeft op 20 juni 2017 het "Formulier bij kindgesprek" ingevuld, ingekomen bij het hof op 29 juni 2017, en daarbij verwezen naar het vorige door hem ingevulde formulier. Naar aanleiding daarvan heeft het hof, zoals ook aan [de minderjarige1] is bericht, zijn in de tussenbeschikking van de rechtbank van 26 januari 2016 genoemde brief, door de rechtbank ontvangen op 23 oktober 2015, opgevraagd bij de rechtbank. [de minderjarige1] heeft geen gebruik gemaakt van de hem ook nog opnieuw geboden gelegenheid om zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot de verzoeken.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 14 juli 2017 plaatsgevonden te Zwolle.

De vader, de moeder en de stiefvader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is mevrouw [C] verschenen. Mr. Cupido heeft pleitnotities overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de vader en de moeder is [in] 2007 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] voornoemd, en

- [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2005 te [B] , over wie de moeder tot de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking alleen het gezag uitoefende.

3.3

Bij beschikking van de toenmalige rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, van

17 november 2008, is het gezamenlijk gezag van de vader en de moeder gewijzigd in het eenhoofdig gezag van de moeder en is het recht van de vader op omgang met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gedurende een periode van twee jaren geschorst.

3.4

De moeder heeft sinds 2007 een relatie met de stiefvader. Vanaf september 2010 wonen zij samen. Zij zijn de ouders van:

- [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2011, overleden [in] 2011, en

- [de minderjarige4] (hierna: [de minderjarige4] ), geboren [in] 2013.

3.5

De vader heeft sinds medio 2007 geen contact met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] meer gehad.

4 De omvang van het geschil

zaaknummer 200.207.116/01

4.1

De rechtbank heeft bij beschikking van 3 oktober 2016 het verzoek van de moeder en de stiefvader tot - kort gezegd - stiefouderadoptie afgewezen, het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gewijzigd en de moeder en de stiefvader gezamenlijk met gezag over hen belast alsmede de geslachtsnaam van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gewijzigd in die van de moeder, zodat de geslachtsnaam van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voortaan " [D] " zal zijn. De rechtbank heeft deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

3 oktober 2016. Grief één ziet op het gezag en grief twee op de geslachtsnaam. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de stiefouderadoptie, en opnieuw rechtdoende zijn verzoek alsnog toe te wijzen (het hof begrijpt: de verzoeken van de moeder en de stiefvader alsnog af te wijzen).

zaaknummer 200.207.108/01

4.3

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] afgewezen.

4.4

De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

3 oktober 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] alsnog toe te wijzen en daarnaast te bepalen dat een informatieregeling wordt vastgesteld.

5 De motivering van de beslissing


zaaknummer 200.207.116/01

Het gezag
5.1 Ingevolge artikel 1:253t lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank, indien het gezag over een kind bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.

Uit lid 2 van genoemd artikel volgt dat in het geval dat het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder dat het verzoek slechts wordt toegewezen, indien:

a. de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en

b. de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

Het verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd (lid 3).

5.2

Niet ter discussie staat dat de stiefvader in een nauwe persoonlijke betrekking tot [de minderjarige1] en [de minderjarige2] staat en evenmin dat is voldaan aan de formele voorwaarden van artikel 1:253t lid 2 BW.

5.3

Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of, mede in het licht van de belangen van de vader, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek van de moeder en de stiefvader tot gezamenlijk gezag, de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zouden worden verwaarloosd. Daarvoor is in het bijzonder het volgende van belang.

5.4

De relatiebreuk tussen de vader en de moeder dateert van medio 2006. Op hun gemeenschappelijk verzoek is bij beschikking van 13 december 2006 de echtscheiding uitgesproken. Overeenkomstig het door de vader en de moeder op 20 november 2006 opgemaakte convenant is daarbij tevens een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vastgesteld. De moeder heeft de omgang tussen de vader en de kinderen medio 2007 stopgezet.

5.5

Bij onherroepelijk strafvonnis van 7 mei 2008 heeft de rechtbank de vader wegens belediging, mishandeling (van de moeder (in juni 2006 en augustus 2007)), belaging en computercriminaliteit veroordeeld tot 120 uur werkstraf en vier weken voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde een contactverbod van twee jaar met de familie van de moeder. De vader heeft altijd ontkend genoemde feiten te hebben gepleegd. Hij heeft om hem moverende redenen echter geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

5.6

Op verzoek van de moeder heeft de rechtbank bij beschikking van 17 november 2008 beslist als hiervoor vermeld onder 3.3. Na ommekomst van genoemde schorsingstermijn is geen hernieuwd contact tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tot stand gekomen. Zowel de vader als de moeder hebben hiertoe geen actie ondernomen.

5.7

De moeder en de stiefvader hebben op 18 september 2015 het onderhavige verzoek bij de rechtbank ingediend. De vader heeft zich hier op 11 december 2015 tegen verweerd.

De vader heeft op dezelfde datum het hierna te beoordelen verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de rechtbank ingediend (zaaknummer 200.207.108/01).

5.8

Vaststaat dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] nog bijzonder jong waren toen de stiefvader in hun leven kwam. Zij waren zeven respectievelijk vijf jaar toen zij in gezinsverband met (de moeder en) de stiefvader zijn gaan samenleven. Het gezin is vervolgens nog uitgebreid met twee (half)broertjes.

5.9

Vanaf dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] 3,5 respectievelijk 1,5 jaar waren, heeft de vader (feitelijk) geen deel meer uitgemaakt van hun leven. Naar zijn zeggen was het verzoek van de moeder en de stiefvader een "wake-up call" voor de vader. Hij stelt als gevolg van een ongeval in 2002 te kampen met chronische pijnen. Daarbij is hij na de schorsing van de omgang in 2008 in een depressie beland. De vader stelt onder invloed van hernieuwde behandelingen sinds 2014 zowel fysiek als mentaal te zijn opgekrabbeld. Vanuit die situatie wil hij weer een rol in het leven van zijn kinderen spelen.

5.10

De raad concludeerde in zijn rapport van 18 mei 2016 dat het passend is voor de moeder, de stiefvader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke en de moeder en de stiefvader gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te belasten. De stiefvader krijgt daarmee in juridische zin zeggenschap over en verantwoordelijkheid voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , die te kennen hebben gegeven dat ook te willen, aldus de raad op 18 mei 2016. Ter zitting van de rechtbank van 6 september 2016 heeft de raad daaraan toegevoegd dat toewijzing van het verzoek van de moeder en de stiefvader om hen gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te belasten de kinderen rust en veiligheid geeft. Wellicht geeft dat op termijn ruimte om de vader een plek in hun leven te geven, aldus de raad op 6 september 2016.

5.11

De rechtbank heeft het advies van de raad overgenomen en zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Nadien hebben zich met name rondom [de minderjarige1] forse problemen voorgedaan. Vanwege zorgelijk gedrag was [de minderjarige1] reeds sinds juli 2016 - op verwijzing van de huisarts - in behandeling bij [E] .

In verband met zijn vroege jeugdervaringen is aldaar op enig moment een preverbale traumabehandeling middels EMDR gestart. Eind december 2016 is vanuit [F] ingezet vanwege escalatiegedrag van [de minderjarige1] en onmacht van de moeder en de stiefvader om hiermee om te gaan. [de minderjarige1] had (toenemende) woedeuitbarstingen en was dan nauwelijks tot niet bereikbaar voor de moeder en de stiefvader. Hij maakte dingen kapot en deed zichzelf pijn. [G] concludeert op 9 juni 2017 dat bij [de minderjarige1] vermoedelijk sprake is van PTSS. Of er bijkomend sprake is van andere problematiek (hechtingsproblematiek of misschien autisme spectrum problematiek) zal na de behandeling van de PTSS bekeken kunnen worden, aldus [G] . Daarbij lijken er ook bij zowel de moeder als de stiefvader (en mogelijk ook [de minderjarige2] en [de minderjarige4] ) trauma's aanwezig te zijn, die de klachten en moeilijke gezinssituatie in stand houden. [G] adviseert een traumabehandeling voor het hele gezin. Deze zal naar verwachting in oktober 2017 starten. Tot die tijd verleent [F] het gezin overbruggingszorg met als doel zoveel mogelijk rust te behouden en escalaties te voorkomen.

5.12

De meest recente informatie over [de minderjarige1] baart het hof grote zorgen. Uit het dossier ontstaat een beeld van een ongelukkige jongen van net 14 jaar die erg met zichzelf in de knoop zit en zijn omgeving probeert buiten te sluiten. De medewerkster van de raad heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat niet uit te sluiten is dat [de minderjarige1] dermate veel last heeft van de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden tijdens en kort na het huwelijk van de vader en de moeder, ook al was hij toen nog bijzonder jong, dat hij (contact met) de vader geheel afwijst. Dit geldt temeer nu van [de minderjarige1] de indruk ontstaat dat hij een gevoelig kind is. Vervolgens gaat het erom hoe de ingeschakelde hulpverlening en in dit geval ook de moeder daarmee zijn omgegaan, aldus de raad. Daarbij komt dat zich in het huidige gezin van de moeder een (nieuw) trauma heeft voorgedaan door het overlijden van [de minderjarige3] . De bij [de minderjarige1] mogelijk aanwezige trauma's hoeven dus niet enkel betrekking te hebben op zijn vroege jeugdervaringen met de vader. Opgelopen trauma's kunnen in bepaalde fases van een mensenleven worden geactiveerd. De puberteit is zo'n fase. Dit verklaart waarom [de minderjarige1] juist nu zulke heftige reacties laat zien. [de minderjarige2] loopt ditzelfde risico. Daarom moet ook [de minderjarige2] worden betrokken in de gezinstraumabehandeling, aldus nog steeds de raad. De raad adviseert om in die behandeling te betrekken in hoeverre contact met de vader een positieve uitwerking kan hebben op het gezinssysteem. Voor [de minderjarige1] zou het heel fijn zijn om te zien dat de vader ook gewoon zijn vader is. Opleggen van omgang is volgens de raad niet de aangewezen weg om de vader een plek te geven in het leven van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , maar vanuit de hulpverlening moet daarvoor zeker aandacht zijn. De raad heeft zijn advies om de moeder en de stiefvader gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te belasten gehandhaafd.

5.13

Gebleken is dat de stiefvader al jarenlang samen met de moeder de rol van hoofdopvoeder van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vervult. Gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] waarop de stiefvader in hun leven kwam, is hij voor hen een vaderfiguur. De raad heeft geadviseerd de juridische situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke. Het hof ziet daar ook het belang van in. De vader heeft al bijna 10 jaar niets meer van doen met ook maar enige beslissing in het leven van de kinderen. Hoewel de moeder sinds 2008 formeel alleen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft, heeft zij de afgelopen tien jaar de belangrijke beslissingen over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] feitelijk steeds in gezamenlijkheid met de stiefvader genomen.

De stiefvader heeft de kinderen al die jaren verzorgd en opgevoed als waren het zijn eigen kinderen. Hij is ook gemotiveerd om deel te nemen aan de in oktober 2017 te starten gezinstraumabehandeling. Dat het in het gezin van de moeder en de stiefvader door alles wat zij hebben meegemaakt niet altijd makkelijk is, hetgeen de laatste tijd met name (weer) actueel is door de toegenomen problemen rondom [de minderjarige1] , acht het hof geen reden om te oordelen dat gegronde vrees bestaat dat de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zouden worden verwaarloosd bij instandhouding van het reeds van kracht zijnde gezamenlijk gezag van de moeder en de stiefvader. Dat de verhouding tussen de stiefvader en [de minderjarige1] daarbij ook onder druk is komen te staan, hetgeen in de puberteit, nog los van al het overige, op zichzelf niet vreemd is, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. Vanuit het oogpunt van stabiliteit acht het hof het juist ook in het belang van [de minderjarige1] dat de huidige situatie blijft zoals deze is. Aldus kan hij ook de door hem zo gewenste en in het dagelijks verkeer reeds gebruikte achternaam " [D] " behouden zoals hierna zal worden overwogen.

Bovendien schijnt het sinds [de minderjarige1] zijn EMDR-therapie onlangs vroegtijdig heeft beëindigd (thuis) weer wat beter met hem te gaan. Tussen [de minderjarige1] en de stiefvader doen zich inmiddels ook minder conflicten voor.

Tegenover het vorenstaande staat echter het gerechtvaardigde belang van de vader om, nu hij zich daar inmiddels geestelijk en fysiek weer toe in staat acht, enige rol van betekenis in het leven van de kinderen te spelen. Het risico van gezamenlijk gezag van de moeder en de stiefvader is immers dat de vader nog verder verwijderd raakt van de kinderen. Het hof begrijpt de angst van de vader in deze. De moeder wenst, zoals zij ter zitting ook heeft toegegeven, de vader namelijk het liefst geheel buiten de deur te houden totdat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zelf om contact met of informatie over de vader gaan vragen. Een stimulerende rol valt van haar, zo is ook de afgelopen jaren gebleken, dan ook geenszins te verwachten.

Alles afwegende is het hof, overigens na rijp beraad, conform het advies van de raad van oordeel dat de belangen van de vader in het kader van de hulpverlening, in concreto de in oktober 2017 te starten gezinstraumabehandeling, in ogenschouw moeten worden genomen en dat deze aan instandhouding van het gezamenlijk gezag van de moeder en de stiefvader, mede ook gezien de afzienbare periode tot aan volwassenheid van in ieder geval bij [de minderjarige1] , niet in de weg staan. Het is nu vooral zaak de rust in het gezin van de moeder en de stiefvader, dat al genoeg onder druk staat, zoveel mogelijk te bewaren. Het gezin heeft

nog een intensief behandelingstraject voor de boeg.

5.14

De vader heeft nog aangevoerd dat het onderzoek van de raad niet deugdelijk is uitgevoerd en dat daarbij te veel naar het verleden in plaats van naar het heden is gekeken, maar dat is grotendeels aan hem zelf te wijten. Ondanks dat daarnaar is gevraagd, heeft hij immers geen informanten opgegeven die de raad had kunnen raadplegen over zijn actuele situatie. Het door de vader ter zitting gedane aanbod om thans alsnog zijn psycholoog te laten horen, schuift hof als tardief terzijde. Bovendien acht het hof zich, getuige al het vorenstaande, voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over het gezag. Daarbij komt dat een aanhouding van deze zaak, gelet op de gewenste duidelijkheid, niet in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is.

De naamswijziging

5.15

Artikel 1:253t lid 5 BW bepaalt dat een verzoek als bedoeld in het eerste lid vergezeld kan gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen indien:
a. het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;

b. het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of

c. het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.

5.16

Het hof leest in de grief van de vader op dit punt en de daarop door en namens hem gegeven toelichting geen andere relevante stellingen dan hij in eerste aanleg heeft aangevoerd en die de kinderrechter gemotiveerd en, uitgaande van de situatie van gezamenlijk gezag van de moeder en de stiefvader, op inhoudelijk goede gronden en overeenkomstig het advies van de raad heeft verworpen. Nu het hof het gezamenlijk gezag van de moeder en de stiefvader in stand laat, neemt het hof die motivering - na eigen onderzoek - over en maakt die tot de zijne.

zaaknummer 200.207.108/01

De omgangsregeling

5.17

De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Ingevolge 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.18

De raad concludeerde in zijn rapport van 18 mei 2016 dat werken aan herstel van

het contact tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met de vader op dat moment niet in hun belang was.

Beide kinderen hadden onomwonden tegen de raadsonderzoeker gezegd daar niets voor te voelen en beide jongens hadden verwoord bang te zijn voor de mogelijke gevolgen van contactherstel met de vader, zoals bijvoorbeeld slechte schoolprestaties. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dwingen tot herstel van contact met de vader achtte de raad op 18 mei 2016 niet in hun belang.

De raad concludeerde destijds wel al dat het voor de emotionele ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wenselijk zou zijn als zij met een minder negatief beeld van de vader zouden opgroeien dan zij op dat moment deden. De raad heeft zijn advies in hoger beroep gehandhaafd.

De raad heeft ter zitting toegelicht in dit geval geen voorstander te zijn van het opleggen van een omgangsregeling, gelet op de leeftijd van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (net 14 respectievelijk bijna 12 jaar), hun tijdens het raadsonderzoek geuite weerstand tegen (contact met) de vader en de kwetsbaarheid van deze kinderen, met name van [de minderjarige1] .

5.19

Mede gezien hetgeen hiervoor in de zaak met nummer 200.207.116/01 is overwogen, kan het hof zich verenigen met de conclusie van de raad over de omgang en neemt het advies van de raad dienaangaande over. Het hof acht het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de gegeven omstandigheden, mede gelet op de in oktober 2017 nog te starten gezinstraumabehandeling, in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof acht het aannemelijk dat gedwongen contact tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op dit moment een negatieve weerslag op hen zal hebben.

Zoals ook de raad ter zitting nogmaals nadrukkelijk heeft aangegeven, acht ook het hof het van het grootste belang dat de vader in het kader van de hulpverlening, meer dan tot nu het geval lijkt te zijn geweest, positief wordt neergezet. Dat is goed voor de identiteitsontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Er moet vanuit de hulpverlening meer aandacht komen voor de mogelijk belemmerende werking van de loyaliteit van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] richting de moeder wat betreft hun eventuele wens tot contact met, althans nieuwsgierigheid naar de vader. De vader heeft daarover terecht zijn zorgen geuit. Een juridisch afgedwongen omgangsregeling is daarvoor echter niet de aangewezen weg. Dat zal de in het gezin van de moeder en de stiefvader op dit moment reeds aanwezige stress naar verwachting enkel vergroten en mogelijk zelfs ontwrichtend werken, hetgeen allesbehalve in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (en [de minderjarige4] ) is. Voor nu is (eerst) de hulpverlening aan zet.

5.20

Wat betreft de bezwaren van de vader tegen het raadsonderzoek verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 5.14 is overwogen.

De informatieregeling
5.21 Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter daaromtrent een regeling vaststellen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de rechter zowel op het verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft indien het belang van het kind zulks vereist.

5.22

Het hof rekent het tot de taak van de moeder (en de stiefvader) om er voor te zorgen dat de vader minimaal drie keer per jaar - rond 1 januari, 1 mei en 1 september (te beginnen rond 1 september 2017) (en in het bijzondere geval ook tussentijds) -, zo nodig door tussenkomst van derden, korte informatie over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] krijgt wat betreft school, sport en gezondheid alsmede eenmaal per jaar - rond 1 september (te beginnen in 2017) - een recente foto van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , zodat de vader nog enigszins op de hoogte blijft van hun gezondheid en ontwikkeling en hij zich een beeld kan vormen van hun opgroeien.

Het hof is niet gebleken van contra-indicaties voor een dergelijke - op de wet gebaseerde - regeling. Het hof zal deze (marginale) informatieregeling daarom vaststellen.

Overigens in het vertrouwen dat de vader op geen enkele wijze zelf contact gaat zoeken met de kinderen, de moeder en/of de stiefvader.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als hierna zal worden vermeld.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu de vader en de moeder gewezen echtgenoten zijn en de procedures de uit die relatie geboren kinderen betreffen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

zaaknummer 200.207.116/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 3 oktober 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

zaaknummer 200.207.108/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 3 oktober 2016;

stelt vast als informatieregeling dat de moeder (en de stiefvader) de vader minimaal drie keer per jaar - rond 1 januari, 1 mei en 1 september (te beginnen rond 1 september 2017) (en in een bijzonder geval ook tussentijds) -, zo nodig door tussenkomst van derden, korte informatie over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verschaft (verschaffen) wat betreft school, sport en gezondheid alsmede eenmaal per jaar - rond 1 september (te beginnen in 2017) - een recente foto van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, A. Smeeïng-van Hees en

Z.J. Oosting, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 10 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.