Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7430

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
200.215.072/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag. Minderjarige kampt met loyaliteitsconflict tussen ouders en pleegouders, waardoor zij ernstig in haar eigen (identiteits)ontwikkeling wordt belemmerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.215.072/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/168008 / FA RK 16-1584)

beschikking van 22 augustus 2017

inzake

1 [verzoeker] ,

verder te noemen: de vader,

2. [verzoekster] ,

verder te noemen: de moeder,

beiden wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. W.G. ten Have te Winschoten,

en

de raad voor de kinderbescherming, regio Noord Nederland,

kantoorhoudend te Groningen,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudend te Amsterdam,

verder te noemen: de GI,

2. [de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 24 januari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 23 april 2017;

- het verweerschrift van de raad;

- een journaalbericht van 1 juni 2017 namens mr. Ten Have met productie(s).

2.2

Op 20 juli 2017 is [de minderjarige] , geboren [in] 2002 (verder te noemen: [de minderjarige] ) verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen en belanghebbenden door het hof is gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 25 juli 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn de ouders, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is [C] verschenen. Namens de GI is [D] verschenen. Ter zitting heeft mr. Ten Have mede het woord gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren [de jong-meerderjarige] , [in] 1998 (verder te noemen: [de jong-meerderjarige] ) en [de minderjarige] .

3.2

[de jong-meerderjarige] en [de minderjarige] zijn in juli 2010 onder toezicht gesteld van de GI.

3.3

[de minderjarige] verblijft sinds april/mei 2012 op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders.

3.4

[de jong-meerderjarige] woont sinds februari 2016 weer bij de ouders, nadat hij gedurende enkele jaren op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing op de fasegroep van [E] (begeleid zelfstandig wonen) had verbleven.

3.5

[de minderjarige] heeft een weekend per veertien dagen en delen van schoolvakanties omgang met de ouders.

3.6

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd en de GI tot voogdes benoemd.

4 De omvang van het geschil

4.1

De ouders zijn met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 januari 2017. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de ouders over [de minderjarige] af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Naar het oordeel van het hof is het in het belang van [de minderjarige] de stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de ouders te beëindigen. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

5.4

Vanaf 2004 is er in de thuissituatie intensieve hulpverlening ingezet, omdat er vele zorgen in het gezin waren. Er was sprake van verwaarlozing, onderstimulering en mishandeling. [de minderjarige] en [de jong-meerderjarige] vertoonden gedragsproblemen. De kinderen overstijgen de ouders cognitief en de ouders waren - mede door hun eigen problematiek - niet in staat aan te sluiten bij de behoeften van [de minderjarige] en [de jong-meerderjarige] . De ingezette hulpverlening, zowel in vrijwillig kader als vanuit de ondertoezichtstelling, heeft tot onvoldoende verandering geleid in deze situatie, zodat [de minderjarige] en [de jong-meerderjarige] in 2012 uit huis zijn geplaatst. [F] heeft in 2014 een perspectiefonderzoek gedaan en geconcludeerd dat er bij de ouders onvoldoende opvoedingsvaardigheden aanwezig zijn vooral voor [de minderjarige] . Dit in verband met het karakter van [de minderjarige] en haar (ADHD-)problematiek. Ook zijn ouders grillig en wantrouwend naar hulpverlening.

5.5

[de minderjarige] woont inmiddels vijf jaar bij de pleegouders. Haar voornoemde belang bij continuïteit en duidelijkheid moet voorop staan en maakt dat deze plaatsing niet moet worden doorbroken. Vast is komen te staan dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij de ouders maar in het pleeggezin ligt. Nu er geen zicht meer is op terugplaatsing bij de ouders is de maatregel van ondertoezichtstelling, die immers gericht is op thuisplaatsing, niet langer geschikt. De aanvaardbare termijn als bedoeld in artikel 1:266 BW is al sedert lange tijd verstreken. Tijdens het kindgesprek heeft [de minderjarige] verklaard dat zij bij haar ouders teruggeplaatst wil worden. Het hof is van oordeel dat het des te meer in het belang van [de minderjarige] is - mede gelet op haar problematiek en belaste verleden - dat zij nu duidelijkheid krijgt over haar opgroeien bij de pleegouders. Dat [de jong-meerderjarige] wel is teruggeplaatst bij de ouders, betekent niet dat [de minderjarige] ook teruggeplaatst kan worden. [de minderjarige] is gezien haar voorgeschiedenis, haar karakter en haar beperkingen, waaronder ADHD-problematiek, een heel kwetsbaar en gevoelig meisje, dat bovengemiddeld behoefte heeft aan duidelijkheid, structuur en begrenzing en gebaat is bij een stabiele en voorspelbare opvoedsituatie. Dit vraag extra veel opvoedvaardigheden van haar opvoeders.

Het hof stelt vast [de minderjarige] veel onrust heeft ervaren door de onduidelijkheid over de voortzetting van haar plaatsing bij de pleegouders. Deze onrust en onduidelijkheid is mede veroorzaakt doordat de ouders strijd voeren over onder meer de (uitvoering van de) uithuisplaatsing en [de minderjarige] belasten met hun wens om haar weer thuis te laten wonen. [de minderjarige] voegt zich hierdoor naar haar omgeving, kan haar emoties niet ervaren en uiten en kampt met een loyaliteitsconflict tussen de ouders en de pleegouders. Hierdoor is [de minderjarige] ernstig belemmerd in haar eigen (identiteits)ontwikkeling. Dit vormt naar het oordeel van het hof op dit moment een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] .

Gebleken is dat de pleegouders haar wel voornoemde opvoedsituatie kunnen bieden en dat [de minderjarige] zich inmiddels positief begint te ontwikkelen en dat er voorzichtig sprake is van een vorm van hechting aan de pleegouders. Het hof is van oordeel dat duidelijkheid over de plaatsing bij de pleegouders en de beëindiging van het gezag van de ouders [de minderjarige] de kans zal geven om zichzelf verder te gaan ontwikkelen, haar persoonlijkheid te versterken en haar eigen identiteit te vormen.

5.6

Het hof spreekt de hoop uit dat er met de onderhavige beslissing rust komt voor [de minderjarige] , dat de ouders zullen accepteren dat [de minderjarige] bij de pleegouders opgroeit en dat de beslissingen over [de minderjarige] door de voogdes worden genomen.

5.7

Voor zover [de minderjarige] en/of de ouders het hof verzocht hebben de buurvrouw van de ouders te horen in deze zaak, zal het hof dit verzoek afwijzen nu dit - los van de vraag wat de buurvrouw zal verklaren - gelet op voornoemd belang van [de minderjarige] bij duidelijkheid, niet kan leiden tot een andere beslissing.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 24 januari 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, J.G. Idsardi en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 22 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.