Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7419

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
29-08-2017
Zaaknummer
200.191.615/01 en 200.191.616/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie en Huwelijksvermogensrecht. Toepasselijk recht. Artikel 3 van het Haags Protocol in verbinding met artikel 5 van de Alimentatieverordening bevat een bijzondere regel voor onderhoudsverplichtingen tussen (ex)echtgenoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.191.615/01 & 200.191.616/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C18/134885/FA RK 12-1429)

beschikking van 22 augustus 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal appel,
verweerder in het voorwaardelijk incidenteel appel,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.S. Özsaran te Groningen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] (Turkije),

verweerster in het principaal appel,
verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel appel,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. T. Karasu te Apeldoorn.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 15 april 2014, 27 mei 2014 (herstelbeschikking), 9 september 2014, 24 maart 2015 en 16 februari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift tevens schorsingsverzoek met productie(s), ingekomen op 12 mei 2016;

- het verweerschrift tevens (voorwaardelijk) incidenteel appel met productie(s);

- een journaalbericht namens mr. Özsaran van 5 juli 2016 met productie(s);
- het verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel appel (voor beide zaaknummers);
- een journaalbericht van mr. Karasu van 15 maart 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Özsaran van 24 maart 2017 met productie(s).

2.2

Het hof laat de als productie 1 bij het journaalbericht van mr. Karasu van 15 maart 2017 gevoegde bonnetjes met het oog op de goede procesorde buiten beschouwing omdat die zijn voorzien van vertaling noch toelichting.

2.3

Het hof heeft op 9 augustus 2016 een beschikking gegeven op het schorsingsverzoek.

2.4

De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft op 27 maart 2017 plaatsgevonden. De man is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw heeft zich doen vertegenwoordigen door haar advocaat mr. Karasu.

Nagekomen stukken
2.5 Het hof heeft kennisgenomen van de met toestemming van het hof ingebrachte nagekomen stukken:

- een journaalbericht van mr. Özsaran van 30 maart 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Karasu van 4 april 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Özsaran van 21 april 2017 met productie(s).

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 2001 in Turkije met elkaar gehuwd en zij zijn meteen daarna in Nederland gaan wonen. De man heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. De vrouw heeft de Turkse nationaliteit. Partijen hebben destijds niet voor een bepaald rechtsstelsel gekozen.

3.2

Tijdens het huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, namelijk [C] , geboren te [D] [in] 2002 en [E] , geboren te [F] [in] 2003.

3.3

In de periode 2003/2004 hebben partijen een (casco) woning gekocht aan [de a-straat]
8 in [A] , waar zij gedurende het huwelijk samen met de ouders van de man hebben gewoond. De vrouw heeft begin 2010 dan wel 2011 de echtelijke woning verlaten en is naar Turkije teruggekeerd. De woning is op 3 maart 2011 geleverd aan de ouders van de man.

3.4

De man heeft op 3 juli 2012 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland waarin hij heeft verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. tussen partijen, die [in] 2001 in [B] (Turkije) zijn gehuwd, de
echtscheiding uit te spreken;
II. het hoofdverblijf van de beide minderjarige kinderen van partijen bij de man te
bepalen;

III. de man te belasten met het eenhoofdig gezag over de beide kinderen;

IV. kosten rechtens.

3.5

De vrouw heeft op 19 november 2012 een verweerschrift ingediend waarin zij heeft geconcludeerd tot toewijzing van het echtscheidingsverzoek en afwijzing van de verzoeken van de man betreffende het hoofdverblijf van de kinderen, het gezag en de proceskosten. Daarbij heeft de vrouw zelfstandige verzoeken geformuleerd om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen;

II. voor zover dit verzoek wordt afgewezen, een omgangsregeling tussen de vrouw en de
kinderen vast te stellen;

III. te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de
kinderen aan de vrouw een bedrag van € 223,50 per kind per maand dient te betalen;

IV. te bepalen dat het door de vrouw opgestelde ouderschapsplan onderdeel zal uitmaken
van de beschikking;

V. te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, bij
vooruitbetaling, een bedrag van € 995,- per maand aan de vrouw dient te voldoen;

VI. de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen op de wijze als door de
vrouw onder punt 18 van het verweerschrift verzocht, subsidiair de man te veroordelen
over te gaan tot verdeling van de huwelijksgemeenschap, met benoeming van een
notaris en onzijdig persoon als naar de wet;

VII. de kosten van de procedure te compenseren.

3.6

De man heeft op 14 januari 2013 een verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw ingediend en daarbij het zelfstandig verzoek gedaan partijen te veroordelen om met elkaar over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

3.7

In de bestreden beschikking van 15 april 2014, zoals verbeterd/aangevuld bij beschikking van 27 mei 2014, heeft de rechtbank als volgt beslist:

"spreekt de echtscheiding uit tussen partijen die [in] 2001 in [B] (Turkije) met elkaar huwden;

bepaalt dat het hoofdverblijf van de minderjarigen [C] , geboren [in] 2002 te
[D] , en [E] , geboren [in] 2003 te [D] , bij de man is;

bepaalt dat dat de man, met uitzondering van de vrouw, belast is met het gezag over voormelde
minderjarigen;

bepaalt dat de man de vrouw een keer per drie maanden dient te informeren over de gezondheid en de schoolresultaten
van de minderjarigen;

bepaalt dat de vrouw gerechtigd is om op regelmatige basis belcontact met de minderjarigen te hebben, alsmede
omgang op de momenten dat de minderjarigen op vakantie in Turkije zijn;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudende ten aanzien van de
echtscheiding;


houdt iedere overige beslissing aan;

verwijst de zaak naar de zitting van 13 mei 2014 op welke zitting partijen, onder opgave van
verhinderdata, een akte kunnen nemen als in overweging 2.2., 3.5 en 3.6 weergegeven. "

3.8

In de bestreden beschikking van 9 september 2014 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar een nadere zitting, partijen in de gelegenheid een nadere akte te nemen en iedere verdere beslissing aangehouden. Partijen hebben op 14 oktober 2014 een akte genomen en nadere stukken ingediend.

3.9

De echtscheidingsbeschikking is op 8 december 2014 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

3.10

In de bestreden beschikking van 24 maart 2015 heeft de rechtbank andermaal de zaak verwezen naar een nadere zitting, partijen in de gelegenheid een nadere akte te nemen en iedere verdere beslissing aangehouden. Partijen hebben een akte genomen en nadere stukken ingediend.

3.11

In de bestreden beschikking van 16 februari 2016 heeft de rechtbank als volgt beslist:

"bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw per 1 januari 2015 een bedrag van
€ 569,-- per maand aan de vrouw dient te voldoen;


bepaalt dat de man met betrekking tot de verschillende gouden sieraden van de vrouw een bedrag van € 27.759,86 aan
de vrouw dient te voldoen;


bepaalt dat de man zo spoedig mogelijk de bruidsschat aan de vrouw dient af te geven dan wel (doen) afgeven;

bepaalt dat de man in verband met de spaarpolis en de spaargelden een bedrag van € 11.750,-- aan de vrouw dient te
voldoen;


compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;


verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


wijst af het meer of anders verzochte."

3.12

De man heeft, nadat hij in Nederland het echtscheidingsverzoek had ingediend, ook in Turkije een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Tot de stukken behoort in dit verband onder meer een beschikking van de rechtbank in Malkara van 9 oktober 2012 waaruit blijkt dat de echtscheidingsprocedure op 8 oktober 2012 aldaar aanhangig is gemaakt. Tot de stukken behoort voorts een proces-verbaal van een zitting op
3 november 2015 bij de rechtbank in Malkara waarin beslissingen zijn opgenomen in het kader van de echtscheidingsprocedure. De vrouw heeft toegelicht dat daartegen geen hoger beroep is ingesteld.

3.13

Het hof heeft in de beschikking van 9 augustus 2016 ter zake van het schorsingsverzoek in dit verband onder meer het volgende overwogen:

"Op verzoek van de man van 3 juli 2012 is bij beschikking van rechtbank Noord-Nederland van 15 april 2014 tussen
partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 19 november 2012 heeft de vrouw in een tegenverzoek onder meer om
vaststelling van een door de man te betalen partneralimentatie verzocht. Blijkens de stukken is later ook in Turkije
verzocht om echtscheiding en om vaststelling van een partneralimentatie. Blijkens een proces-verbaal van de zitting
van 3 november 2015 van de rechtbank in Malkara in Turkije heeft zij onder meer besloten de echtscheiding tussen
partijen uit te spreken en een partneralimentatie vastgesteld met ingang van 20 december 2013 waarbij elke maand 500
TL (het hof begrijpt: Turkse lira) bij de man wordt geïnd en aan de vrouw wordt voldaan. Partijen zijn het er over eens
dat 500 TL thans € 155,64 bedraagt. Ter zitting van het hof is gebleken dat de vrouw ter uitvoering van de bestreden
beschikking (in Nederland) loonbeslag heeft gelegd via de werkgever van de man, alsmede dat de vrouw aan de man
inmiddels een bevel tot betaling van de in de uitspraak van de rechtbank in Malkara vastgestelde alimentatie heeft laten
betekenen op het adres van zijn ouders in Turkije waar hij ook ingeschreven staat. Daaruit spreekt de intentie van de
vrouw om zowel de bestreden beschikking als de Turkse uitspraak met betrekking tot de alimentatie ten uitvoer te
leggen. Ter zitting heeft (de advocaat van) de vrouw deze gevolgtrekking niet kunnen weerleggen, terwijl de vrouw
onweersproken eerder heeft toegezegd de Turkse uitspraak niet te executeren. Tussen partijen is niet in geschil dat het
niet de bedoeling is dat de man zowel de partneralimentatie van € 569,- per maand als die van
€ 155,64 per maand betaalt.
De man heeft gesteld dat er bij tenuitvoerlegging van de Nederlandse beschikking naast de Turkse uitspraak een
financiële noodtoestand bij hem ontstaat. Het hof constateert dat de rechtbank heeft berekend dat de man na betaling
van de kosten van de kinderen een draagkracht voor partneralimentatie heeft van € 569,- per maand, inclusief fiscaal
voordeel. Voor zover de man stelt dat het bedrag van € 569,- per maand te hoog is, de behoefte van de vrouw onjuist is
vastgesteld en zijn draagkracht onjuist is berekend, overweegt het hof dat bij de onder (ii) genoemde belangenafweging
moet worden uitgegaan van de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag liggende oordelen; een inhoudelijke
beoordeling van de onderhoudsverplichting van de man zal in de bodemprocedure plaatsvinden. Wanneer echter de
vrouw (daarnaast) in Turkije het bedrag van € 155,64 per maand van de man probeert te innen wordt daarmee de door
de rechtbank vastgestelde draagkracht van de man overschreden en is zulks niet in overeenstemming met de bedoeling
van partijen. Het hof ziet onder deze omstandigheden aanleiding het belang van de man bij tenuitvoerlegging van in
totaal maximaal € 569,- per maand totdat op het hoger beroep is beslist, te laten prevaleren boven het belang van de
vrouw bij (volledige voortzetting van) de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking. Het hof zal daarom het
verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking tot de grens
van € 155,64 per maand toewijzen en dat bedrag in mindering brengen op het bedrag dat de man ingevolge de
bestreden beschikking dient te betalen. Voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een verdere
schorsing rechtvaardigen."

4 De omvang van het geschil

4.1

De man heeft in zijn beroepschrift vijf grieven geformuleerd. Hij verzoekt het hof in het petitum om de voormelde beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland van 15 april 2014, 27 mei 2014, 9 september 2014, 24 maart 2015 en 16 februari 2016, voor zover nodig te vernietigen en, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de gronden, het verzoek van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.2

De vrouw heeft in haar verweerschrift de grieven van de man bestreden en heeft zelf een voorwaardelijke incidentele grief opgeworpen tegen de beschikking van 16 februari 2016. Zij verzoekt het hof om het principaal appel van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen en in het (voorwaardelijk) incidenteel appel verzoekt de vrouw:
- voor wat betreft het oordeel van de rechtbank dat aan de vrouw ten aanzien van de
woning aan [de a-straat] 8 te [A] geen bedrag toekomt, de beschikking van 16
februari 2016 te vernietigen en met inachtneming van hetgeen in dit verweerschrift is
aangevoerd te bepalen dat de man aan de vrouw zal dienen te voldoen de helft van de
daadwerkelijke opbrengst van de woning;
- voor het overige de beschikking van 16 februari 2016 te bekrachtigen.

4.3

De man heeft het verzoek van de vrouw in het voorwaardelijk incidenteel appel bestreden en verzoekt het hof de vrouw daarin niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dat te verwerpen.

De voorwaarde voor het incidenteel appel

4.4

Het incidenteel appel van de vrouw is eerst aan de orde indien en voor zover de beschikking van de rechtbank van 16 februari 2016 in verband met de daartegen door de man in principaal appel opgeworpen grieven niet in stand blijft in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing


De rechtsmacht van de Nederlandse rechter
5.1 Gelet op het internationale karakter van de zaak dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Ambtshalve toetsing door het hof leidt niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De Nederlandse rechter is bevoegd. Nu hierover geen specifieke grieven zijn opgeworpen kan dit hier verder onbesproken blijven met verwijzing naar de desbetreffende overwegingen van de rechtbank.

De ontvankelijkheid van de man in het principaal appel

5.2

Op grond van art. 358 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen een eindbeschikking in beginsel gedurende drie maanden vanaf de dag van uitspraak hoger beroep open (leden 1 en 2), terwijl van een tussenbeschikking in beginsel slechts hoger beroep kan worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking (lid 4).

5.3

Volgens vaste rechtspraak is onder een eindbeschikking te verstaan een beschikking waarin door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geding wordt gemaakt. Een tussenbeschikking is iedere beschikking die geen eindbeschikking is. Voor een deelbeschikking, dat wil zeggen een beschikking in het dictum waarvan op een deel van het verzochte definitief wordt beslist en op een ander deel niet, betekent dit dat van de eindbeschikkingscomponent de appeltermijn direct begint te lopen en daarvan derhalve binnen die termijn moet worden geappelleerd, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het hof is in dit verband dan ook van oordeel dat de man ook ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de tussenbeschikkingen nu daarin in de dicta op het punt van de onderhoudsverplichting en verdeling geen definitieve beslissingen zijn gegeven. De man is daarom terecht tegelijk met de eindbeschikking daarvan in hoger beroep gekomen. Het lot ervan is echter afhankelijk van dat van de eindbeschikking nu geen specifieke grieven zijn aangevoerd tegen de tussenbeschikkingen.


De uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw
Het toepasselijk recht

5.4

Op 18 juni 2011 is de Europese Alimentatieverordening van toepassing geworden (nr. 4/2009, PbEU 2009, L7/1). Voor het bepalen van het toepasselijke alimentatierecht verwijst deze verordening naar het Haags Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (PbEU 2009, L331/19). In principe worden de onderhoudsverplichtingen tussen partijen beheerst door het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde op grond van art. 3 van het Haags Protocol (jo. art. 15 van de Alimentatieverordening). Art. 5 van het Protocol bevat echter een bijzondere regel voor onderhoudsverplichtingen tussen (ex)echtgenoten.

5.5

De eerste grief van de man is in dit verband gericht tegen de overwegingen onder 2.2 in de beschikking van de rechtbank van 15 april 2014:

"Aangezien de vrouw haar gewone verblijfplaats heeft in Turkije is op grond van art. 3 van het Haags Alimentatieprotocol van 23 november 2007 in beginsel het recht van dat land van toepassing op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

In art. 5 van voornoemd protocol is bepaald dat in het geval een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere staat, in het bijzonder de staat van de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer met het huwelijk is verbonden. In dat geval is het recht van die andere staat van toepassing.

De vrouw heeft uitdrukkelijk gekozen voor toepassing van Nederlands in plaats van Turks recht. De rechtbank trekt uit het feit dat partijen gedurende hun huwelijk altijd in Nederland hebben gewoond, de man gedurende het huwelijk in Nederland zijn inkomen heeft verdiend, en de kinderen van partijen in Nederland zijn geboren, de conclusie dat het huwelijk van partijen nauwer is verbonden met het Nederlandse recht dan met het Turkse recht. De rechtbank zal daarom het Nederlandse recht toepassen op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie."

5.6

De man betoogt in de toelichting bij deze eerste grief dat de rechtbank ten onrechte de partneralimentatie heeft beoordeeld naar Nederlands recht en dat daarop Turks recht had dienen te worden toegepast gelet op art. 3 van het Protocol nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Turkije heeft. Art. 5 van het Protocol leidt volgens de man niet tot toepassing van een ander dan het Turkse rechtsstelsel. Redengevend daarvoor is dat de vrouw zich niet heeft verzet tegen toepassing van het Turks recht, hetgeen onder andere blijkt uit het feit dat zij in Turkije heeft verzocht om op grond van het Turks recht partneralimentatie vastgesteld te krijgen. Dat heeft erin geresulteerd dat de rechtbank in Malkara in de uitspraak van 3 november 2015 heeft vastgelegd dat de man een bijdrage van vijfhonderd Turkse Lira (TL) per maand aan de vrouw dient te voldoen met ingang van 20 december 2013.

5.7

De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht Nederlands recht heeft toegepast op de partneralimentatie omdat zij daar om heeft verzocht, zij zich heeft verzet tegen toepassing van Turks recht en het huwelijk van partijen nauwer is verbonden met het Nederlandse rechtsstelsel dan met het Turkse rechtsstelsel.

5.8

Voor zover de man heeft betoogd dat de vrouw zich niet heeft verzet tegen toepassing van het recht van haar gewone verblijfplaats (Turkije) verwerpt het hof dat betoog. Indien één van de partijen verzoekt dat het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde niet dient te worden toegepast omdat het recht van een ander land nauwer is betrokken bij het huwelijk, dan volgt daaruit naar het oordeel van het hof dat diegene zich verzet tegen toepassing van het andere rechtsstelsel en dat dient te worden vastgesteld of het huwelijk inderdaad nauwer met een ander rechtsstelsel is verbonden. De vrouw heeft in de onderhavige procedure uitdrukkelijk verzocht om toepassing van Nederlands recht zodat beoordeeld dient te worden of het Nederlandse rechtsstelsel al dan niet nauwer is betrokken bij het huwelijk van partijen dan het Turkse rechtsstelsel. Dat de vrouw zekerheidshalve ook in de door de man in Turkije begonnen echtscheidingsprocedure om veroordeling van de man tot betaling van partneralimentatie en tenuitvoerlegging van de desbetreffende uitspraak heeft verzocht, maakt dat naar het oordeel van het hof niet anders. Overigens is niet vast komen te staan dat sprake is van 'dubbele executie' door de vrouw van de Turkse en de Nederlandse alimentatiebeslissingen nu ter zitting is gebleken dat ook sprake was van achterstand in betalingen van alimentatietermijnen.

5.9

De vraag of het Nederlandse rechtsstelsel nauwer is betrokken bij het huwelijk van partijen dan het Turkse rechtsstelsel, beantwoordt het hof evenals de rechtbank bevestigend. Bij de toepassing van art. 5 van het Protocol dient in dit verband vooral te worden gedacht aan de laatste gemeenschappelijke woonplaats van de echtelieden. Vast staat in dit verband dat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt bij het sluiten van het huwelijk en tevens dat partijen na het sluiten van het huwelijk vrijwel direct in Nederland zijn gaan wonen. De huwelijkse periode heeft zich, met uitzondering van een korte periode waarin de vrouw de relatie was 'ontvlucht' geheel in Nederland afgespeeld. Partijen hadden hier een koopwoning, de man had hier een baan en de vrouw was thuis voor de kinderen. In die omstandigheden is het huwelijk naar het oordeel van het hof nauwer verbonden met het Nederlandse rechtsstelsel dan met het Turkse rechtsstelsel. De man heeft ook eerst in Nederland de echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt en daarna om hem moverende redenen - hij wilde naar eigen zeggen overal zo snel mogelijk vanaf zijn - ook in Turkije.

De inhoudelijke beoordeling van de partneralimentatie
5.10 Het hof zal de inhoudelijke beoordeling van de partneralimentatie aanhouden omdat het hof in het kader van de verdeling bewijsopdrachten zal geven en de beslissing over de verdeling op die beoordeling van invloed kan zijn.

De verdeling van het huwelijksvermogen

Het toepasselijk recht

5.11

Partijen zijn het erover eens dat Turks recht van toepassing is op de verdeling. Het hof sluit zich daar na ambtshalve toetsing bij aan.

5.12

Partijen zijn [in] 2001 in Turkije gehuwd. In het Turkse recht was er tot 1 januari 2002 sprake van een algehele scheiding van goederen en vanaf 1 januari 2002 geldt als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe Turkse Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW) een huwelijksgoederenregime dat wel wordt getypeerd als een regime van ‘verwervingsdeelneming’. Dat nieuwe regime van verwervingsdeelneming is slechts dan niet van toepassing indien de echtelieden daar uitdrukkelijk voor hebben gekozen. Als echtgenoten niets hebben gedaan, zoals hier, dan geldt vanaf 1 januari 2002 ook in reeds bestaande huwelijken het nieuwe regime. Dat heeft als gevolg dat goederen tot 1 januari 2002 gescheiden blijven, terwijl goederen die vanaf 1 januari 2002 zijn verkregen door het nieuwe regime van verwervingsdeelneming worden bestreken (vgl. Rb. Haarlem
3 mei 2005, LJN AT6861 en Rb. Alkmaar 13 februari 2003 NIPR 2003/80). Het systeem van verwervingsdeelneming in het TBW laat zich als volgt beschrijven.

5.13

Op grond van artikel 218 TBW omvat het regime van verwervingsdeelneming de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder der echtgenoten. Hieruit volgt dat er als het ware vier deelvermogens zijn en dat telkens moet worden gekeken of de eigendom als verwerving dan wel als persoonlijk vermogen moet worden gekwalificeerd.

5.14

Het TBW maakt onderscheid in persoonlijk vermogen op grond van overeenkomst tussen de echtgenoten en persoonlijk vermogen op grond van de wet. Artikel 220 TBW bepaalt dat tot het persoonlijk vermogen op grond van de wet behoort:
1. Het goed dat alleen voor persoonlijk gebruik door een der echtgenoten bestemd is,
2. Vermogensbestanddelen die bij aanvang van het huwelijksgoederenregime aan een der
echtgenoten toebehoren of later door een van hen uit een erfenis of op een enige
andere wijze om niet zijn verkregen,
3. Vorderingen uit immateriële schade,
4. Vermogenswaarden die persoonlijk vermogen vervangen.

5.15

Hieruit volgt onder meer dat alle vermogensbestanddelen van vóór de huwelijkssluiting tot ieders persoonlijk vermogen van de echtgenoten blijven behoren en voorts dat als één van de echtgenoten van de ander gedurende het huwelijk sieraden krijgt geschonken die dan ook behoren tot het persoonlijk vermogen.

5.16

Verwervingen zijn op grond van art. 219 TBW de vermogensbestanddelen die iedere echtgenoot gedurende dit regime onder bezwarende titel heeft verkregen, in het bijzonder:
1. Zijn inkomsten uit arbeid,
2. De betalingen door instanties voor sociale zekerheid, instellingen voor hulp aan
personeel en soortgelijke instanties,
3. De vergoedingen wegens verlies van zijn vermogen om arbeid te verrichten,
4. De inkomsten uit zijn persoonlijk vermogen,
5. De vermogenswaarden die verwervingen vervangen.

5.17

De partij die beweert dat een bepaald vermogensbestanddeel aan een der echtgenoten toebehoort, is verplicht zijn of haar bewering te bewijzen. Vermogensbestanddelen waarvan niet bewezen kan worden aan welke echtgenoot zij toebehoren, worden geacht hun mede-eigendom te zijn. Alle vermogensbestanddelen van een echtgenoot worden geacht verwerving te zijn totdat het tegendeel is bewezen (art. 222 TBW).

5.18

Indien door de rechter is beslist tot beëindiging van het huwelijk wegens echtscheiding, eindigt het huwelijksgoederenregime op het tijdstip waarop de rechtszaak aanvangt (art. 225 TBW). Het persoonlijk vermogen en de verwervingen worden gescheiden naar de staat daarvan op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime (art. 228 TBW). De op het tijdstip van de beëindiging van het huwelijksgoederenregime aanwezige verwervingen worden naar de waarde van het tijdstip van de vereffening in de verrekening betrokken (art. 235 TBW).

5.19

Bij echtscheiding vindt een financiële afrekening plaats voor wat betreft hetgeen tijdens het huwelijk is verworven. Iedere echtgenoot is rechthebbende op de helft van de aan de andere echtgenoot toebehorende nettowaarde van diens verwervingen (art. 236 TBW). Vorderingen worden verrekend. De nettowaarde is de waarde die overblijft nadat de totale waarde van de verwervingen van elk der echtgenoten is verminderd met de op deze goederen rustende schulden (art. 231 TBW).

5.20

Waardevermindering of een negatief saldo wordt niet in beschouwing genomen.

Tevens wordt nagegaan of eventueel een echtgenoot op de andere echtgenoot een vordering heeft vanwege investering in een goed van die ander die heeft plaatsgevonden zonder enige of zonder passende vergoeding (de zgn. bijdragevordering). Is dit vermogensbestanddeel bij echtscheiding in waarde gestegen, dan verkrijgt de echtgenoot die heeft bijgedragen voor het bijgedragen deel een vorderingsrecht op de ten tijde van de vereffening bij dit goed vastgestelde vermeerderde waarde. Is de waarde ten opzichte van de beginwaarde van de bijdrage gedaald, dan verkrijgt hij het geïnvesteerde bedrag (art. 227 TBW).

5.21

Al deze vorderingen worden uiteindelijk tegenover elkaar gezet en in voorkomend geval verrekend. Het persoonlijk vermogen wordt hierbij in beginsel niet betrokken.

Verder geldt dat iedere echtgenoot met zijn hele vermogen aansprakelijk is voor zijn schulden (art. 224 TBW). Bij de beëindiging van het regime moet worden vastgesteld welke schulden er zijn, zowel onderlinge schulden als de schulden jegens derden. Vervolgens wordt een schuld toegerekend aan het deelvermogen waarop zij rust (art. 230 tweede volzin TBW). Is zulks niet mogelijk, dan wordt zij toegerekend aan de verwervingen.

De te verdelen/verrekenen goederen

5.22

In de bestreden beschikking van 16 februari 2016 heeft de rechtbank de volgende te verdelen vermogensbestanddelen onderscheiden:
- de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning, spaarpolis bij
[G] B.V. met nummer [00000] , spaargelden, en diverse schulden en
leningen;
- gouden sieraden van de vrouw;
- ter gelegenheid van het huwelijk verkregen gouden sieraden van de vrouw
- de bruidsschat;
- persoonlijke eigendommen van de vrouw in [A] en Turkije;

- onroerend goed in Turkije.

5.23

Het hof zal de hiertegen opgeworpen grieven hierna per onderwerp bespreken en voor het overige met partijen uitgaan van de in hoger beroep niet bestreden rechtsoordelen in de bestreden beschikking.

* de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning, spaarpolis bij [G] B.V. met nummer [00000] , spaargelden, en diverse schulden en leningen

5.24

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 16 februari 2016 onder meer het volgende overwogen:

"De vrouw maakt tenslotte aanspraak op de helft van de waarde van de spaarpolis bij [G] met polisnummer [00000] , een bedrag van € 9.668,50, alsmede de helft van de spaargelden van partijen een bedrag van € 2.081,50, in totaal € 11.750,-. De man stelt dat partijen grote sommen geld van zijn ouders hebben geleend en dat de waarde van de spaarpolis en de spaargelden zijn gebruikt om deze schuld af te lossen. Zoals hiervoor onder 3.2. sub c overwogen heeft de man het bestaan van de schuld aan zijn ouders onvoldoende aangetoond. Daarbij komt dat mocht de man al schulden zijn aangegaan, deze schuld krachtens Turks huwelijksvermogensrecht toekomt aan de partij aan wiens zijde de schuld is opgekomen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de man het door de vrouw gestelde bedrag van € 11.750,-- aan de vrouw te voldoen."

5.25

De man stelt in zijn vierde grief dat er geen grond was te bepalen dat hij een bedrag van € 11.750,- aan de vrouw diende te voldoen. Primair omdat er bij de koop van de woning aan [de a-straat] 8 in [A] gezamenlijk door partijen geld is geleend dat na verkoop van de woning is terugbetaald aan de ouders van de man. Subsidiair omdat de man zijn privévermogen heeft aangewend voor de aanschaf van de woning en hij bij verkoop (voor zover mogelijk) het gedeelte van zijn privévermogen terug heeft ontvangen, waarmee hij de schuld op zijn privévermogen heeft ingelost en zodoende er geen rechtsgrond tot betaling aan de vrouw bestaat. De man heeft toegelicht dat partijen bij de aanschaf van de echtelijke woning een hypotheek konden krijgen van € 155.000,- terwijl de woning € 185.000,- v.o.n. kostte. Het verschil van € 30.000,- is volgens de man zoals uit de stukken in eerste aanleg blijkt, door partijen geleend van de ouders van de man. Bij de verkoop van de woning is hetgeen middels de spaarpolis en bankrekening is uitgekeerd, afgelost op de lening van partijen aan de ouders van de man. Dat betekent dat er niets meer te verrekenen valt tussen partijen. In zijn vijfde grief voegt de man hieraan toe dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man het bestaan van de schuld aan zijn ouders onvoldoende heeft aangetoond. Primair is de man van mening dat sprake is van een gezamenlijke schuld van partijen aan zijn ouders die verdeeld moet worden. Subsidiair stelt de man dat hij zelfstandig deze schuld is aangegaan en deze daarom behoort tot zijn privévermogen, dat hij de gelden heeft aangewend ter verbetering van de woning en dat hem op basis daarvan een vergoedingsrecht toekomt. De man biedt aan te bewijzen aan welke verbouwingen en verbeteringen van de woning welke geleende gelden zijn besteed. De ouders en oudere zus van de man zouden hierover volgens de man als getuige kunnen worden gehoord. Dat er ('zwart') verbouwingen hebben plaatsgevonden na de aankoop van de woning kan volgens de man uit de stukken worden afgeleid waaronder de bouwtekeningen en het taxatierapport (productie 41). Daaruit blijkt dat een serre is aangebouwd en dat twee slaapkamers op zolder zijn gerealiseerd.

5.26

De vrouw betwist dat sprake was van een gezamenlijke schuld van partijen aan de ouders van de man voor de woning. Zij is van mening dat de man het bestaan van de schuld aan zijn ouders onvoldoende heeft onderbouwd nu hij enkel handgeschreven briefjes, onbegrijpelijke facturen en bankafschriften heeft overgelegd maar daaruit blijkt volgens de vrouw geenszins dat sprake is van een schuld aan de ouders van de man. Voor zover de man zelf schulden heeft gemaakt geldt op grond van het Turkse recht dat die volledig aan hem worden toegerekend en dat hij daarvoor met zijn gehele vermogen aansprakelijk is. Bovendien heeft de man de woning aan zijn ouders verkocht waardoor een eventuele schuld al zal zijn afgelost. De verkoop van de woning aan de ouders van de man heeft volgens de vrouw plaatsgevonden voor een bedrag ver onder de marktwaarde zodat - in zoverre het betreft het verschil tussen de verkoopprijs en de marktwaarde - sprake is geweest van een schenking aan de ouders van de man en opzettelijke benadeling van de vrouw. Uit een taxatierapport van 8 februari 2011 (productie 30) blijkt in dit verband volgens de vrouw dat de woning een waarde heeft van € 225.000,- terwijl de woning is verkocht voor een bedrag van € 155.000,-. Het valt de vrouw daarbij op dat de verkoopprijs precies gelijk is aan de hypotheekschuld. De vrouw betwist verder dat de man privévermogen heeft aangewend ter verbetering van de woning. Ook die stelling heeft de man volgens de vrouw niet onderbouwd. Met betrekking tot het bewijsaanbod dat de man in dit kader heeft gedaan merkt de vrouw op dat het dient te worden gepasseerd omdat aan de verklaringen van de ouders van de man en zijn zus geen waarde kan worden toegekend nu die zich allen tegen haar hebben gekeerd. De vrouw weet zich nog te herinneren dat in het jaar van de aankoop van de woning in 2004 alleen een carport en een bijkeuken zijn aangebouwd. De kosten daarvan bedroegen niet meer dan € 10.000,- en zijn voldaan uit het spaargeld van partijen en inkomen van de man. Voor zover het hof aanleiding ziet voor een correctie op de bestreden beschikking (op het punt van de verdeling) voert de vrouw in incidenteel appel aan dat de rechtbank ten onrechte in de bestreden beschikking heeft overwogen dat aan haar geen bedrag toekomt ten aanzien van de verkoop van de voormalige echtelijke woning [de a-straat] 8 in [A] . Zij herhaalt in dit verband haar stelling dat in het kader van de verkoop van de voormalige echtelijke woning sprake is geweest van misbruik van omstandigheden en benadeling. De man heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de vrouw geen vordering toekomt ter zake van de verkoop van de woning, ten eerste omdat die is verjaard en daarnaast om de redenen die de rechtbank heeft genoemd in de bestreden beschikking, die erop neerkomen dat geen sprake is geweest van misbruik van omstandigheden.

5.27

Ter zitting van het hof is hier nader met partijen over gesproken. De man heeft ter zitting met betrekking tot de woning en de gestelde schuld aan zijn ouders toegelicht dat de woning in 2003 casco is gekocht en dat er nog veel aan moest gebeuren. Op een gegeven moment is de man de hypotheekbesprekingen begonnen en toen bleek dat de man voor het casco € 36.000,- tekort kwam. De ouders van de man hebben toen dat bedrag aan partijen geleend en zijn daarna gelden blijven verstrekken voor het afbouwen van de woning. Het was volgens de man een gezamenlijke lening van partijen want het huis stond op beider naam. De ouders hadden er geen moeite mee om dergelijke grote bedragen te lenen aan partijen omdat de man tot vorig jaar april keurig iedere maand daarop afloste. Inmiddels heeft de man echter al een jaar lang niet meer kunnen aflossen op de lening(en). In totaal is er voor ongeveer € 130.000,- geleend van zijn ouders. De man heeft nog een bedrag openstaan bij zijn ouders van circa € 100.000,-. In 2010 hebben partijen gesproken over de verkoop van de woning. Dat was toen de vrouw een paar maanden na haar vertrek in maart 2010 weer een poos in Nederland was. De man is daarop naar een makelaar gegaan en nog vóórdat het bord in de tuin stond belde de makelaar, de heer [H] , dat het huis verkocht was. De makelaar heeft toen niet gezegd wat de vraagprijs was en de man heeft daar ook niet naar gevraagd. De oorspronkelijke vraagprijs was € 225.000,-. Bij de notaris kwam de man er pas achter dat het huis verkocht was voor € 155.000,- en dat zijn ouders het huis hadden gekocht. De man heeft daar niet bij stilgestaan. Hij heeft wel een conceptakte gezien maar hij heeft alleen naar de datum gekeken en de conceptakte verder niet gelezen. De man weet zich niet meer te herinneren of hij de conceptakte ook aan de vrouw heeft laten zien. De koopovereenkomst heeft hij wel op iedere bladzijde geparafeerd maar de man heeft niet gelezen waarvoor hij tekende. De vrouw was aanwezig bij de overdracht van de woning. Ze sprak volgens de man dermate goed Nederlands dat daar geen tolk bij nodig was. Namens de vrouw is ter zitting herhaald dat zij door de man is benadeeld in het kader van de verkoop van de woning. Zij vindt de toelichting van de man op de gang van zaken ongeloofwaardig en merkt op dat zij weliswaar bij de overdracht van de woning is geweest maar zij begreep daar niet alles van en zij is vrijwel direct daarna naar Turkije gebracht. Vervolgens heeft de man de goederen van partijen in Turkije ook op naam van zijn ouders laten zetten.

5.28

Het hof acht gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting voorshands bewezen dat geld is geleend tijdens het huwelijk van de ouders van de man ten behoeve van de woning. Het hof neemt in aanmerking dat de woning en daaraan gekoppelde hypothecaire lening op naam van beide partijen stond en voorts heeft de vrouw de toelichting van de man dat de hypothecaire lening onvoldoende was voor de woning niet (voldoende) betwist. De man heeft verder handgeschreven verklaringen overgelegd met betrekking tot de leningen van zijn ouders en daarnaast heeft hij door middel van de bankafschriften tot op zekere hoogte onderbouwd dat er flinke bedragen zijn opgenomen van de gezamenlijke en/of rekening van partijen bij ABN-AMRO in de periode vanaf de koop van de woning en dat op die rekening ook grote bedragen zijn gestort binnen de familie. Tevens heeft de man recentere bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij geregeld maandelijks bedragen van circa € 1.250,- heeft overgemaakt naar een tegenrekening op naam van [I] . Nu zowel de woning als de hypotheek als de bankrekening waarop de bedragen zijn gestort en opgenomen op naam van beide partijen stond is, naast het bestaan van de leningen, tevens voorshands aannemelijk dat die lening voor beide partijen was verstrekt. Gelet hierop oordeelt het hof de stellingen van de man met betrekking tot de schuld aan zijn ouders voorshands bewezen en zal het hof de vrouw in de gelegenheid stellen de stellingen van de man daaromtrent te ontzenuwen door het leveren van tegenbewijs.

5.29

Het hof vindt anderzijds de toelichting van de man op de gang van zaken rondom de verkoop van de woning van dien aard dat benadeling van de vrouw bij die verkoop voorshands bewezen wordt geacht. Het hof neemt in aanmerking dat de woning is verkocht voor een prijs die € 80.000,- beneden de marktwaarde lag en voorts dat de verklaring van de man dat hij zich daarvan niet bewust was weinig geloofwaardig is mede gezien de overige verklaringen die de man over de gang van zaken heeft afgelegd ter zitting, waaronder dat de makelaar [H] hem niet heeft geïnformeerd over de verkoopprijs en hij daar niet naar heeft gevraagd en dat hij de verschillende aktes wel heeft getekend maar niet heeft gelezen. Ook is erg onaannemelijk dat de man niet wist dat zijn ouders de kopers van de woning waren, gelet op de nauwe (in elk geval: financiële) banden die tussen hen en de man/partijen bestaan. Vast staat wel dat de vrouw aanwezig is geweest bij de overdracht van de woning. De omstandigheden waaronder die overdracht heeft plaatsgevonden roepen dan ook vragen op, mede gelet op de respectieve zorgplichten van de betrokken notaris ( [J] notarissen te [A] ) en makelaar ( [H] in [A] ) in het kader van respectievelijk de overdracht van de woning en verkoopopdracht ervan. Het hof zal de man toelaten tot tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte stelling van de vrouw dat zij door de man in dit kader opzettelijk is benadeeld.

* de sieraden, bruidsschat en het Turkse onroerend goed

5.30

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat de sieraden tot het privévermogen van de vrouw dienen te worden gerekend en heeft in dit verband het volgende overwogen:

"Door de vrouw is gesteld dat zij vóór het huwelijk van partijen diverse gouden sieraden bezat en dat zij daarnaast op het bruiloftsfeest meerdere gouden sieraden geschonken heeft gekregen. De vrouw stelt dat de sieraden die zij voor het huwelijk reeds bezat nog steeds bij de man dan wel zijn ouders zijn. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man deze sieraden aan haar dient af te geven dan wel te bepalen dat de man de waarde van de sieraden aan haar dient te vergoeden. De vrouw stelt dat de waarde van de sieraden thans € 21.090,14 bedraagt. Met betrekking tot de sieraden die op de bruiloft zijn ontvangen stelt de vrouw dat deze zijn verkocht in verband met de bouw van een winkel in Turkije. Ook de waarde van deze sieraden, door de vrouw begroot op een bedrag van thans € 6.669,72, dient de man aan haar te vergoeden.

De man betwist dat hij nog sieraden van de vrouw in zijn bezit heeft. De sieraden die er waren zijn verkocht ter financiering van de goederen in Turkije.

Op grond van het hierboven geschetste Turkse recht blijven de persoonlijke vermogensbestanddelen buiten de gemeenschap en vallen deze buiten een verrekening. Door de man is niet betwist dat de gouden sieraden die de vrouw voor het huwelijk reeds bezat, eigendom zijn van de vrouw, zodat de man de sieraden aan haar dient af te geven dan wel de waarde daarvan aan de vrouw dient te vergoeden. Aangezien de man heeft betwist dat hij deze sieraden nog in zijn bezit heeft en hij deze dus niet kan afgeven aan de vrouw, dient hij de waarde van de sieraden aan de vrouw te vergoeden.

Met betrekking tot de sieraden die de vrouw op de bruiloft heeft gekregen, is tussen partijen niet in geschil dat deze zijn verkocht teneinde (onroerend) goed in Turkije te kunnen kopen. Partijen zijn het er over eens dat dit onroerend goed niet meer in bezit van partijen is.

Nu de vrouw uit haar privévermogen heeft bijgedragen aan de aankoop van het onroerend goed, zonder dat zij daarvoor een vergoeding heeft ontvangen, dient zij de waarde van het door haar geïnvesteerde bedrag te ontvangen.

De man heeft de door de vrouw gestelde waarde van de sieraden niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank van deze waarde zal uitgaan en zal bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van (in totaal) € 27.759,86 dient te voldoen."

5.31

De man betwist in hoger beroep (alsnog) de door de vrouw gegeven opsomming van de sieraden, evenals de door de vrouw gestelde waarde ervan. Nergens blijkt volgens de man uit dat er sieraden zijn die tot het privévermogen van de vrouw moeten worden gerekend en hij heeft ook geen sieraden van de vrouw onder zich. De rechtbank had volgens de man het verzoek van de vrouw dienaangaande moeten afwijzen en moeten oordelen dat geen inzicht is gegeven door de vrouw in de exacte omvang en samenstelling van het goud voor het huwelijk.

5.32

De vrouw heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat zij voldoende heeft gesteld met betrekking tot de sieraden en dat de grief van de man moet worden verworpen. Zij is het eens met de beslissing van de rechtbank op dit punt in de bestreden beschikking.

5.33

Ter zitting van het hof is hierover nader gesproken en is van de zijde van de man onder meer toegelicht dat de bruidsschat dient te worden onderscheiden van de bruidskist. De bruidsschat betreft sieraden die in het kader van de huwelijksceremonie zijn geschonken en de bruidskist bevat alleen zaken met emotionele- en culturele waarde. Van de bruidskist heeft de man steeds gezegd dat de vrouw die bij hem kan komen ophalen bij de ouderlijke woning. Hiervan dienen dan weer te worden onderscheiden de sieraden die tijdens het huwelijk zijn verworven. Namens de vrouw is deze toelichting van de man ter zitting tot zover als juist erkend. De standpunten van partijen over de hoeveelheid sieraden die er waren en hoe die in de verdeling moeten worden betrokken lopen echter ook ter zitting nog sterk uiteen. Van de zijde van de vrouw is in dit verband opgemerkt dat de sieraden die tijdens de huwelijksceremonie aan haar zijn geschonken tijdens het huwelijk bij de overige sieraden lagen in de voormalige gezamenlijke woning. Voorts heeft de vrouw ter zitting bevestigd dat de bruidsschat is verkocht ten behoeve van 'het Turkse avontuur' c.q. de aankoop van onroerend goed door partijen tijdens het huwelijk in Turkije maar daarbij is door de vrouw benadrukt dat nog altijd onduidelijk is hoe het is afgelopen met het Turkse onroerend goed. Volgens de vrouw heeft de man daarover ook tegenstrijdige verklaringen afgelegd door eerst te stellen (in onder meer de brief van zijn advocaat van 17 februari 2014) dat het onroerend goed in het kader van zijn faillissement in Turkije in 2010 verloren is gegaan en later te stellen dat het van de hand is gedaan en dat daarbij 'quitte' is gespeeld zodat er niets te verrekenen valt. Verder is namens de vrouw benadrukt dat de vrouw tijdens het huwelijk geen zeggenschap had over dit soort aangelegenheden.

5.34

Het hof stelt voorop dat de bewijslast met betrekking tot de bruidsschat en de sieraden in beginsel bij de vrouw ligt nu zij degene is die zich erop beroept dat die tot haar persoonlijke vermogen behoren en stelt dat zij, voor zover het gaat om de sieraden die zijn verkocht ten behoeve van de aankoop van onroerend goed in Turkije, een vordering heeft op de man tot vergoeding daarvan. Dit mede gelet op het bepaalde daaromtrent in artikel 222 TBW. Het hof is echter van oordeel dat de man de stellingen van de vrouw op dit punt onvoldoende heeft betwist. Zo staat tussen partijen vast dat het deel van de sieraden dat aangemerkt moet worden als bruidsschat is gebruikt voor de aankoop van onroerend goed in Turkije en voorts heeft de man niet voldoende betwist dat er (andere) sieraden van de vrouw bij hem in de woning zijn geweest. Het hof acht de stellingen van de vrouw met betrekking tot de bruidsschat en sieraden daarom voorshands bewezen en zal de man in de gelegenheid stellen tot het leveren van tegenbewijs, waaronder mede begrepen inzicht in hetgeen er met de Turkse onroerende zaken is gebeurd.

5.35.

In afwachting van de voldoening aan de bewijsopdrachten zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

7
7. De beslissing

Het hof:

- laat de vrouw toe tot tegenbewijs van de voorshands bewezen verklaarde stelling van de man dat partijen € 130.000,-- hebben geleend van de ouders van de man voor de voormalige echtelijke woning;

-bepaalt dat, indien de vrouw uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken uiterlijk op 1 november 2017 in het geding dient brengen;

-bepaalt dat, indien de vrouw dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.D.S.L. Bosch, die daartoe zitting zal houden op een nader te bepalen dag en tijdstip;

- laat de man toe tot tegenbewijs van de voorshands bewezen verklaarde stellingen van de vrouw met betrekking tot de bruidsschat en sieraden te weten:

 dat zij recht heeft op afgifte dan wel de waarde van gouden sieraden ter waarde van thans € 21.090,14 die zij deels voor het huwelijk van partijen bezat en deels tijdens het bruiloftsfeest en tijdens het huwelijk geschonken heeft gekregen welke sieraden bij de man zijn achtergebleven na het vertrek van de vrouw;

 dat de vrouw als bruidsschat gouden sieraden ter waarde van thans € 6.669,72 heeft gekregen en dat zij een vordering op de man heeft ter waarde van dat bedrag nu deze sieraden door partijen zijn gebruikt voor de aankoop van onroerend goed in Turkije;

- laat de man toe tot tegenbewijs van de voorshands bewezen verklaarde stelling van de vrouw dat de man de vrouw opzettelijk heeft benadeeld door de verkoop van de echtelijke woning voor een prijs € 80.000,-- beneden de marktwaarde;

- bepaalt dat, indien de man uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken uiterlijk op 1 november 2017 in het geding dient brengen;

- bepaalt dat, indien de man dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.D.S.L. Bosch, die daartoe zitting zal houden op een nader te bepalen dag en tijdstip;

- bepaalt dat de partijen het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen, dienen op te geven uiterlijk op
1 november 2017, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

- bepaalt dat partijen overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven en voorts dat de man daarbij tevens de gegevens van de betrokken notaris en makelaar zal verstrekken;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, J.G. Idsardi en A.R. van der Winkel en is op 22 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. A.T. Harkema, griffier.