Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7264

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
200.217.156/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid van verzoek om executeur bij wijze van voorlopige voorziening te laten schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0256

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.217.156/02

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 5593958,5594027, 5594058, 5594070, 5594087 en 5594188)

beschikking van 22 augustus 2017 op het verzoek tot schorsing

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,
verzoeker, verder te noemen: verzoeker,

advocaten: mr. G. Altena te Arnhem en mr. W.W.H. Timmermans te Berlijn (Duitsland),

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats verweerder] ,

verweerder, verder te noemen: verweerder/de executeur,

advocaat: mr. K. Croezen te Emmen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats belanghebbende] ,

verder te noemen: de belanghebbende/de zus.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 maart 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek een voorlopige voorziening te treffen

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift tevens houdende een verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van 3 maart 2017 met producties, ingekomen op 10 mei 2017;

- het verweerschrift voorlopige voorziening met producties;

- een journaalbericht van mr. Altena van 24 juli 2017 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Croezen van 2 augustus 2017 met bijlage;

- een journaalbericht van mr. Altena van 4 augustus 2017 met bijlagen.

2.2

Bij het beroepschrift heeft verzoeker, voor zover hier van belang, verzocht om de executeur ingevolge artikel 4:149 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) bij wijze van voorlopige voorziening hangende het onderzoek als executeur te schorsen en voor de duur van de schorsing een door het hof aan te wijzen notaris als waarnemend executeur te benoemen en deze nu voor alsdan toestemming tot het treffen van die maatregelen te verlenen teneinde de administratie te verkrijgen.

2.3

Verweerder verzoekt primair het verzoek van verzoeker af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van de procedure en subsidiair om als waarnemend executeur te benoemen [executeur] .

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 7 augustus 2017 plaatsgevonden. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. Timmermans. Verweerder is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ook is de belanghebbende verschenen.

2.4

Desgevraagd heeft mr. Timmermans ter mondelinge behandeling meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van het journaalbericht van mr. Croezen van 2 augustus 2017 met bijlage, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlage.

2.5

Desgevraagd heeft mr. Croezen ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van het journaalbericht mr. Timmermans van 4 augustus 2017 met bijlagen, aangezien zij deze, gelet op het tijdstip, niet met verweerder heeft kunnen bespreken. Het hof heeft daarop beslist dat op die bijlagen geen acht wordt geslagen, omdat deze omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden zijn, zonder noodzaak binnen de termijn van tien kalenderdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie van het hof en mr. Croezen in redelijkheid niet voldoende heeft kunnen kennisnemen van de bijlagen en zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Op [overlijdensdatum] is te [overlijdensplaats] overleden [erflater] , verder te noemen de erflater, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , laatstelijk gewoond hebbende te [plaats] .

3.2

De erflater heeft als erfgenamen van zijn nalatenschap achtergelaten partijen en de belanghebbende (broers en zus).

3.3

In zijn testament van 20 oktober 2008 heeft erflater verweerder tot executeur en bewindvoerder benoemd. Verweerder heeft deze benoemingen aanvaard.

3.4

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 15 december 2016, heeft verzoeker verzocht, voor zover hier van belang, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verweerder te ontslaan als executeur en bewindvoerder en verweerder ingevolge artikel 4:149 lid 2 BW bij wijze van voorlopige voorziening hangende het onderzoek als executeur te schorsen en voor de duur van de schorsing een door de rechtbank aan te wijzen notaris als waarnemende executeur te benoemen en deze nu voor alsdan toestemming te verlenen tot het treffen van die maatregelen die noodzakelijk zijn om de administratie onder zich te verkrijgen.

3.5

Bij de beschikking van 3 maart 2017 heeft de kantonrechter de verzoeken van verzoeker afgewezen en bepaald dat de executeur actief moet handelen om de thans onbekende legatarissen op te sporen en indien de adressen na twee weken na deze beschikking nog steeds onbekend zijn gebleven, dat de executeur verplicht is de legatarissen op dat moment onverwijld op te roepen met een advertentie in de Staatscourant om zich binnen drie weken na plaatsing van de advertentie bij hem te melden en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De motivering van de beslissing

Aan de orde is de vraag of verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek om verweerder als executeur bij wijze van voorlopige voorziening te laten schorsen. Het hof overweegt het volgende. Op grond van artikel 676a, aanhef en onder e, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, staat tegen beschikkingen inzake schorsing van een executeur (artikel 4:149 lid 2, tweede zin van het Burgerlijk Wetboek) geen andere voorziening dan cassatie in het belang der wet open. Een doorbrekingsgrond van dit appelverbod is gesteld noch gebleken. Naar het oordeel van het hof dient verzoeker daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en

M.H.H.A. Moes, bijgestaan door de griffier, en is op 22 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.