Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7243

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.181.295
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid van de advocaat-generaal tot indiening van verweerschrift. Mandaatconstructie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.181.295

22 augustus 2017

CJIB 175337525

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 22 oktober 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],

kantoorhoudende te [kantoorplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal heeft een reactie gegeven op de nadere toelichting op het beroep.

Beoordeling

1. Uit het zaakoverzicht blijkt – kort gezegd – dat aan de betrokkene een administratieve sanctie is opgelegd door een wachtmeester van de Koninklijke marechaussee.

2. De gemachtigde is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter dat de inleidende beschikking bevoegd is opgelegd door de Koninklijke marechaussee. De gemachtigde voert hiertoe aan dat de verbalisant niet heeft aangegeven met welke politietaak hij bezig was. Hetgeen de verbalisant hierover heeft verklaard, bevat geen feitelijke informatie over de feitelijke bezigheden ten tijde van de gedraging welke kwalificeren als politietaak. Nu de wet bepaalt dat de ambtenaar zich, anders dan in het kader van een politietaak, van optreden dient te onthouden en van het handelen in het kader van een politietaak niet is gebleken, is de inleidende beschikking onbevoegd opgelegd. De gemachtigde heeft de nodige informatie opgevraagd omtrent de bevoegdheid van de verbalisant. Bij de ontvangen stukken bevindt zich voorts geen verklaring van de commandant dat de verbalisant geschikt en bekwaam zou zijn om strafbare feiten op te sporen. Naar aanleiding van het ingediende verweerschrift stelt de gemachtigde zich tevens op het standpunt dat het verweerschrift onbevoegdelijk is ingediend, omdat een machtiging waaruit de bevoegdheid om namens de advocaat-generaal op te treden, ontbreekt.

3. De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van de stelling dat het verweerschrift onbevoegdelijk is ingediend, een mandaatbesluit en een ondermandaatbesluit overgelegd. Uit het mandaatbesluit van 1 september 2013 blijkt dat de landelijk hoofdadvocaat-generaal de bevoegdheid om op te treden in zaken waarin op grond van de WAHV hoger beroep is ingesteld, heeft gemandateerd aan de hoofdofficier van justitie van de CVOM en tevens toestemt deze bevoegdheid in ondermandaat op te dragen aan medewerkers van de CVOM. Blijkens het ondermandaatbesluit van 1 januari 2015 heeft de hoofdofficier van justitie van de CVOM onder andere ondermandaat verleend aan de medewerkers van de appelunit om op te treden als procesdeelnemer en processuele handelingen te verrichten in zaken waarin hoger beroep is ingesteld op grond van de WAHV. Het hof wijst hierbij op zijn arrest van 21 december 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:10324) waarin is bepaald dat de door het openbaar ministerie gebruikte mandaatconstructie in overeenstemming is met het bepaalde in de artikelen 10:3 en 10:9 Awb. Gelet op het voorgaande is het verweerschrift bevoegdelijk ingediend.

4. In hoger beroep wordt de gedraging niet ontkend, zodat het hof slechts te beoordelen heeft of de sanctie door een daartoe bevoegde persoon is opgelegd.

5. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 zijn de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee bedoeld in artikel 141, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering belast met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de WAHV. Zodanige ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van sancties.

6. Artikel 141, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat met de opsporing van strafbare feiten zijn belast de door de Minister van Veiligheid en Justitie in overeenstemming met de Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee.

7. Artikel 4 van de Politiewet 2012 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Aan de Koninklijke marechaussee, die onder het beheer van Onze Minister van Defensie staat, zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:

a. het waken over de veiligheid van de leden van het koninklijk huis, in samenwerking met andere daartoe aangewezen organen;

b. de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen;

c. de uitvoering van de politietaak op de luchthaven Schiphol en op de andere door Onze Minister en Onze Minister van Defensie aangewezen luchtvaartterreinen, alsmede de beveiliging van de burgerluchtvaart;

d. de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit;

e. de uitvoering van de politietaak op plaatsen onder beheer van Onze Minister van Defensie, op verboden plaatsen die krachtens de Wet bescherming staatsgeheimen ten behoeve van de landsverdediging zijn aangewezen, alsmede op het terrein van de ambtswoning van Onze Minister-President;

f. de uitvoering van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, waaronder begrepen de bediening van de daartoe door Onze Minister voor Immigratie en Asiel aangewezen doorlaatposten en het, voor zover in dat verband noodzakelijk, uitvoeren van de politietaak op en nabij deze doorlaatposten, alsmede het verlenen van medewerking bij de aanhouding of voorgeleiding van een verdachte of veroordeelde;

g. de bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reis- en identiteitsdocumenten;

h. het in opdracht van Onze Minister en Onze Minister van Defensie ten behoeve van De Nederlandsche Bank N.V. verrichten van beveiligingswerkzaamheden.

(…)

4. Hoewel bevoegd tot de opsporing van alle strafbare feiten, onthoudt de militair van de Koninklijke marechaussee die is aangewezen krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, zich van optreden anders dan in het kader van de uitvoering van zijn politietaken, bedoeld in het eerste lid.

8. Uit de memorie van toelichting op de Politiewet 2012 volgt dat is beoogd om de Koninklijke marechaussee wat betreft haar opsporingsbevoegdheid in dezelfde positie te brengen als de politie. Het tweede deel van het vierde lid van voornoemd artikel houdt dan ook niet meer in dan een instructienorm. De rechtmatigheid van het optreden van een militair van de Koninklijke marechaussee kan niet met een beroep op deze bepaling worden aangevochten.

9. De stelling van de gemachtigde dat de verklaring van een militair van de Koninklijke marechaussee informatie over de feitelijke bezigheden ten tijde van de gedraging welke kwalificeren als politietaak moet bevatten, vindt geen steun in het recht.

10. Ten aanzien van de stelling dat niet is gebleken dat de verbalisant geschikt en bekwaam is beoordeeld om strafbare feiten op te sporen, overweegt het hof als volgt.

11. Artikel 1 van de Aanwijzingsregeling algemeen opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee bepaalt dat de officieren en onderofficieren der Koninklijke marechaussee, voor zover zij door de Commandant van de Koninklijke marechaussee geschikt en bekwaam zijn geoordeeld, met de opsporing van strafbare feiten zijn belast.

12. Het hof kan de stelling van de gemachtigde niet volgen, nu de gemachtigde het diploma van de verbalisant heeft overgelegd. Hieruit blijkt dat de Commandant Landelijk Opleidings- en Kenniscentrum Koninklijke Marechaussee heeft verklaard dat de verbalisant heeft voldaan aan de eisen van de opleiding tot algemeen opsporingsambtenaar. Dit diploma weergeeft aldus dat de Commandant van de Koninklijke marechaussee de verbalisant geschikt en bekwaam heeft geoordeeld voor de opsporing van strafbare feiten.

13. Gelet op het voorgaande staat vast dat de verbalisant bevoegd was tot de opsporing van strafbare feiten. Het verweer van de gemachtigde treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

14. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.