Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7239

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.175.008
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet de rijbaan gebruiken. Het voertuig van de betrokkene stond met één wiel op het trottoir geparkeerd. 21 uur na oplegging van de eerste beschikking is de tweede, onderhavige beschikking opgelegd. Het voertuig is tussentijds niet verplaatst. Er is geen sprake van schending van Ne bis in idem. Gelet op de strekking van het onderhavige verkeersvoorschrift kan in beginsel op ieder tijdstip waarop wordt geconstateerd dat een motorrijtuig zich (gedeeltelijk) op het trottoir bevindt, een sanctie worden opgelegd. Bijzondere omstandigheden van het geval geven wel aanleiding de sanctie te matigen tot nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.175.008

22 augustus 2017

CJIB 174414661

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Tussenarrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 23 juni 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]
kantoorhoudende te [kantoorplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De bestreden beslissing is aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter. Het hof stelt vast dat daarin de naam is vermeld van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene heeft behandeld, doch dat het proces-verbaal niet is ondertekend door de kantonrechter. Het proces-verbaal is slechts ondertekend door de griffier. In het proces-verbaal is niet vermeld dat de kantonrechter buiten staat was dit (mede) te ondertekenen. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of dit gebrek van dien aard is dat daaraan een rechtsgevolg dient te worden verbonden.

2. Artikel 13, derde lid, in samenhang met artikel 13, tweede lid, van de WAHV schrijft voor dat de ter openbare zitting uitgesproken beslissing van de kantonrechter in het proces-verbaal der zitting wordt aangetekend, dat het de gronden bevat waarop de beslissing berust en dat een afschrift van de aantekening van de beslissing aan partijen wordt toegezonden.

3. In de WAHV is geen bepaling opgenomen waarin wordt voorgeschreven dat het proces-verbaal, waarin de beslissing van de kantonrechter is aangetekend, door de rechter die de beslissing gegeven heeft moet worden ondertekend. Artikel 8:77, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 365, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houden wel in dat de schriftelijke uitspraak door de rechter moet worden ondertekend. Artikel 378, tweede lid, Sv schrijft evenals voormelde bepalingen van de WAHV voor dat een mondelinge uitspraak in het proces-verbaal van de zitting wordt aangetekend. Dit proces-verbaal dient, gelet op artikel 327 Sv, door de rechter te worden ondertekend.

4. Ondertekening door de rechter dient het belang dat de rechter aldus bevestigt dat de weergegeven beslissing de zijne is. Het betreft hier een uit de beginselen van behoorlijke rechtspleging voortvloeiende eis. Gelet hierop dient ook het in artikel 13, derde lid, van de WAHV bedoelde proces-verbaal te worden ondertekend door de rechter die de daarin weergegeven beslissing heeft genomen.

5. Nu het proces-verbaal van de ter zitting uitgesproken beslissing niet is ondertekend door de kantonrechter en evenmin is vermeld dat hij buiten staat was het proces-verbaal mede te ondertekenen, moet de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd.

6. Vervolgens zal het hof doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken (bijv. laten stilstaan op een trottoir/voetpad etc.)”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 juli 2013 om 11:00 uur op de Van Marwijk Kooystraat te Duivendrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken].

8. De betrokkene ontkent de gedraging niet, maar stelt dat de sanctie ten onrechte is opgelegd, omdat hem voor dezelfde gedraging op dezelfde locatie reeds op 17 juli 2013 om 13:42 uur een sanctie is opgelegd. De betrokkene heeft zijn voertuig tussentijds niet verplaatst, zodat hij de gedraging slechts eenmaal heeft verricht. Aldus is de betrokkene tweemaal bestraft voor één en dezelfde gedraging, hetgeen in strijd is met het 'ne bis in idem'-beginsel. De betrokkene heeft van de eerste sanctie geen aankondiging van beschikking op zijn voertuig aangetroffen, zodat de situatie dat een eerder op het voertuig aangebrachte aankondiging van beschikking niet heeft kunnen bewerkstelligen dat de betrokkene een einde maakt aan de onwettige situatie, zich niet heeft voorgedaan. De gemachtigde van de betrokkene heeft voorts aangevoerd dat de gedraging dient te worden aangemerkt als een voortgezette handeling, die slechts eenmaal voor bestraffing in aanmerking komt.

9. De onderhavige gedraging betreft overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hierin is bepaald, voor zover hier van belang, dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

10. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

11. De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, houdt zakelijk weergegeven onder meer in dat hij heeft geconstateerd dat op voormelde datum, tijd en plaats het bepaalde in artikel 10, eerste lid, van het RVV 1990 is geschonden met het voertuig met bovenvermeld kenteken.

12. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet ontkent dat zijn voertuig op voormelde datum, tijd en plaats met een wiel op het trottoir stond geparkeerd, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of sprake is van omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel matiging van die sanctie rechtvaardigen.

13. Namens de betrokkene is beroep gedaan op het 'ne bis in idem'-beginsel. Het hof heeft ook ter zake van administratiefrechtelijke sancties die ingevolge de WAHV worden opgelegd aanvaard dat niemand tweemaal behoort te worden gesanctioneerd voor dezelfde gedraging. Het beroep op het 'ne bis in idem'-beginsel slaagt echter niet. Uit de stukken blijkt dat aan de betrokkene naast de onderhavige sanctie tevens een sanctie is opgelegd ter zake van “Als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken” met hetzelfde voertuig en op dezelfde locatie, maar dan op 17 juli 2013 om 13:42 uur, dus ruim 21 uur eerder. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat sprake is van één en dezelfde gedraging, maar van twee afzonderlijke gedragingen. Gelet op de strekking van het onderhavige verkeersvoorschrift kan in beginsel op ieder tijdstip waarop wordt geconstateerd dat een motorrijtuig zich (gedeeltelijk) op het trottoir bevindt, een sanctie worden opgelegd. De opvatting dat voor een volgende gedraging pas een sanctie mag worden opgelegd, nadat er van de eerdere gedraging een aankondiging van de beschikking op het voertuig is achtergelaten en aldus voor de betrokkene de gelegenheid heeft bestaan om de met de wet strijdige situatie te beëindigen, vindt geen steun in het recht.

14. Nog daargelaten de vraag of de onderhavige situatie moet worden aangemerkt als een voortgezette handeling, waarin - op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, WAHV - grond kan worden gevonden voor het oordeel dat de gedraging heeft plaatsgevonden onder zodanige omstandigheden dat oplegging van een sanctie voor die gedraging niet billijk is, is het hof van oordeel in het onderhavige geval sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat aanleiding is om het bedrag van de sanctie te matigen. De stelling van de betrokkene dat hij tussen het moment dat hij zijn voertuig op
17 juli 2013 met één wiel op het trottoir parkeerde en het constateren van de onderhavige gedraging op 18 juli 2013 zijn voertuig niet heeft verplaatst en hij van de eerste sanctie geen aankondiging van beschikking op zijn voertuig heeft aangetroffen, is door de advocaat-generaal niet weersproken en zal door het hof als vaststaand worden aangenomen. Het hof ziet hierin aanleiding om in dit specifieke geval het bedrag van de sanctie te matigen tot nihil.

15. Het hof acht in beginsel termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van proceskosten, bestaande uit de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In beginsel kunnen dergelijke kosten - in het onderhavige geval voor de procedure in administratief beroep, bij de kantonrechter en in hoger beroep - voor vergoeding in aanmerking komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Echter, om vast te kunnen stellen dat er sprake is geweest van het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand dient het hof onder meer te beoordelen of die werkzaamheden een vast onderdeel vormen van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening. Het hof acht het noodzakelijk dat de gemachtigde daaromtrent schriftelijk en met overlegging van bewijsstukken (waarbij te denken valt aan de jaarstukken) informatie aan het hof verstrekt. De gemachtigde dient voorts opgave te doen van de door hem genoten, al dan niet afgeronde, opleiding(en), waaruit zijn deskundigheid kan blijken, zoals die vereist is voor het kunnen verlenen van rechtsbijstand. De gemachtigde zal in de gelegenheid worden gesteld deze informatie te verstrekken, binnen vier weken na dagtekening van dit arrest.

16. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

Beslissing

Het gerechtshof:

stelt de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid om binnen vier weken na dagtekening van dit arrest bovengenoemde informatie te verstrekken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit tussenarrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.