Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7201

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
200.189.341
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opdracht boekhoudkundige en accountantswerkzaamheden; tekortkomingen in verband met diverse belastingaangiften?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4692
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.189.341

(zaaknummer rechtbank Gelderland, kantonrechter, zittingsplaats Arnhem, 4516024)

arrest van 22 augustus 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.B.M. Nijhuis,

tegen:

[geïntimeerde] , handelend onder de naam: [Bedrijf X],

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. R. Bagasrawalla.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 6 januari 2006 (eindvonnis) dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, tussen partijen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 april 2016 met vermeerdering van eis en producties,

- de schriftelijke conclusie van eis,

- de memorie van antwoord met producties,

- een akte ter aanvulling van de uitgebrachte dagvaarding,

- een antwoordakte,

- de schriftelijke pleidooien, waarbij beide partijen nog producties hebben overgelegd.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

In opdracht van [geïntimeerde] en onder meer ten behoeve van zijn zakelijke activiteiten in de transportsector heeft [appellante] vanaf maart/april 2011 boekhoudkundige werkzaamheden (waaronder inboeken van facturen, verrichten van betalingen en beheer van debiteuren) alsmede accountantswerkzaamheden (waaronder verzorging van aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting alsmede samenstelling van de jaarrekening) verricht. Bij memo van 14 april 2011 (bijlagen 18 en 34 bij productie C bij de appeldagvaarding) heeft [appellante] aan [geïntimeerde] de gemaakte afspraken schriftelijk bevestigd. Eerder had [Bedrijf 1] dergelijke werkzaamheden voor [geïntimeerde] verricht.

3.2

In de loop van de tijd heeft de belastingdienst aan [geïntimeerde] (en diens echtgenote [echtgenote geïntimeerde] ) verzuimboeten opgelegd wegens te late aangiften van:

A. IB 2010 van [geïntimeerde] en [echtgenote geïntimeerde] : € 226 respectievelijk € 226 op 8 februari 2013,

B. IB 2011 van [geïntimeerde] en [echtgenote geïntimeerde] : € 49 respectievelijk € 49 op 5 september 2014,

C. IB 2013 van [geïntimeerde] en [echtgenote geïntimeerde] : € 226 respectievelijk € 49 (producties 7 bij inleidende dagvaarding),

D. belasting zware motorrijtuigen d.d. 29 november 2011 en 30 december 2011: € 254 respectievelijk € 254 (telkens inclusief een naheffingsaanslag van € 8; bijlagen 17 bij productie C bij appeldagvaarding) en

E. omzetbelasting: € 61 en, wegens niet-betaling een boete van € 50 d.d. 27 april 2011 (bijlage 19 bij productie C bij appeldagvaarding).

3.3

Verder heeft de belastingdienst aan [geïntimeerde] kosten in rekening gebracht ter incasso van de IB 2009 en 2010 ad in totaal € 1.305 (post F.; zie de kennisgeving van vervallen van uitstel van betaling d.d. 18 september 2014 in productie 7 bij inleidende dagvaarding).

3.4

[appellante] heeft ervan afgezien om voor [geïntimeerde] definitief een aanvraag te doen voor een zogenaamde subsidie schone auto, waardoor [geïntimeerde] naar zijn opvatting € 4.500 is misgelopen (post G.).

3.5

Op 26 juni 2014 hebben partijen de dienstverlening beëindigd met teruggave van alle financiële documenten aan [geïntimeerde] (zie productie 4 bij inleidende dagvaarding en bijlage 16 bij de appeldagvaarding). Daarna heeft [geïntimeerde] de werkzaamheden opgedragen aan [Bedrijf 2] (verder: [Bedrijf 2] ), die wegens herrekeningen en bezwaarschriftprocedures aan hem € 860 plus BTW plus PM in rekening heeft gebracht (post H., zie de declaraties van [Bedrijf 2] onder productie 2 bij memorie van antwoord).

3.6

Bij e-mailberichten en brieven van 3 juni 2014, 18 maart 2015, 26 juni 2015 en 7 augustus 2015 heeft (DAS namens) [geïntimeerde] [appellante] ter zake van deze schadeposten in gebreke gesteld (productie 5 bij inleidende dagvaarding). [appellante] heeft geen schade vergoed.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] met een beroep op diverse tekortkomingen van [appellante] vergoeding gevorderd van de hiervoor opgenomen financiële posten A. tot en met H. van in totaal € 8.189 plus PM, vermeerderd met de wettelijke rente alsmede buitengerechtelijke, proces- en nakosten. Nadat aan [appellante] uitstel was verleend van antwoord en zij desondanks niet had geantwoord, heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 6 januari 2016 het gevorderde toegewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

5 De beoordeling van de grieven en de vorderingen

5.1

niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken van grieven?

In haar appeldagvaarding heeft [appellante] voor de gronden voor het hoger beroep verwezen naar een daarbij als productie C gevoegde brief met als onderwerp: beroepsprocedure en vergezeld van 41 bijlagen. Klaarblijkelijk is deze gang van zaken veroorzaakt door de aanvankelijke, onjuiste, opvatting van [appellante] dat zij moest appelleren door middel van een beroepschrift. Aan [geïntimeerde] moet worden toegegeven dat de verwijzing in de appeldagvaarding naar de gronden in productie C zeker geen schoonheidsprijs verdient. Dit neemt echter niet weg dat [appellante] haar bezwaren tegen de bestreden uitspraak en haar appelgronden voldoende duidelijk voor het hof en voor [geïntimeerde] naar voren heeft gebracht. Hierbij moet worden bedacht dat in de eerste aanleg alleen [geïntimeerde] zijn standpunt, overigens tamelijk summier, in zijn inleidende dagvaarding had uiteengezet en dat [appellante] daarop toen nog niet had geantwoord, zodat zij haar verweer pas kon ontvouwen bij haar grieven. In zijn memorie van antwoord (onder 3. sub A. tot en met H.) heeft [geïntimeerde] uitvoerig inhoudelijk gereageerd op het verweer van [appellante] tegen de door hem geclaimde schadeposten, zodat hem redelijkerwijs niet kan zijn ontgaan welke gronden [appellante] aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd. Vermeulens beroep op niet-ontvankelijkverklaring van [appellante] in haar hoger beroep wordt daarom verworpen.

5.2

criterium

Ingevolge artikel 7:401 BW moet een opdrachtnemer, hier een boekhouder c.q. accountant, bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen, dat wil zeggen handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot.

5.3

post A IB 2010

Naar tussen partijen vaststaat, heeft [appellante] op 28 juni 2011 voor [geïntimeerde] en [echtgenote geïntimeerde] een uitstelverzoek voor het belastingjaar 2010 gedaan (bijlagen 6 en 28 bij productie C) en heeft zij op 24 juni 2013 zogenaamde papieren aangiften voor het belastingjaar 2010 gedaan (bijlagen 7 en 29 bij productie C), gevolgd door digitale ondertekening op 2 juli 2013 (bijlagen 8 en 30 bij productie C). [appellante] heeft naar voren gebracht dat zij gelet op de problematiek inzake IB/PVV 2009 in overleg met de belastingdienst heeft afgesproken om de aangifte 2010 in een later stadium in te dienen. Dat valt in het geheel niet te lezen in haar brief van 24 juni 2013 aan de belastingdienst. Het is ook onvoldoende. Het had op haar weg gelegen om concreet uiteen te zetten wanneer en met welk resultaat de belastingdienst daarop heeft beslist, tot wanneer eventueel uitstel zou zijn verleend en of zij in het zicht van zo’n eindtermijn nog actie heeft ondernomen. Dit wordt niet anders doordat er volgens [appellante] grote problemen bij de belastingdienst zouden zijn geweest. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat [appellante] de uitsteltermijn heeft laten verlopen, terwijl zij deze op grond van de uit haar opdracht voortvloeiende verplichtingen had behoren te bewaken. Blijkens de uitspraak op bezwaar van 6 februari 2014 (bijlage 7 bij inleidende dagvaarding) heeft de inspecteur het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn ontvangen en daarom niet-ontvankelijk verklaard. Hoewel dat van haar mocht worden verwacht, heeft [appellante] ook hierover geen uitsluitsel gegeven. [appellante] , die niet heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] te laat of geen gegevens zou hebben aangeleverd, is derhalve tekortgeschoten in haar uit de opdracht voortvloeiende verplichting de uitsteltermijnen te bewaken en moet daarom de daardoor onweersproken veroorzaakte verzuimboeten ad € 226 en € 226 aan [geïntimeerde] vergoeden.

5.4

post B IB 2011

Naar tussen partijen vaststaat, heeft [appellante] in ieder geval uitstel verkregen tot 1 mei 2013 (bijlage 11 bij productie C) en heeft zij op 26 juni 2013 de aangiften gedaan (bijlage 13 bij productie C). Volgens [appellante] had zij in overleg met de belastingdienst nader uitstel gekregen tot 1 juli 2013, hetgeen echter niet valt te lezen in haar brief van 24 juni 2013 aan de belastingdienst en door [geïntimeerde] gemotiveerd wordt betwist, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Wegens schending van een zelfde verplichting als hiervoor onder A. is [appellante] derhalve gehouden tot schadevergoeding van de verzuimboeten ad € 49 en € 49.

5.5

post C IB 2013

Hier staat tussen partijen vast dat [appellante] bij brief van 9 juli 2014 aan de belastingdienst (bijlage 15 bij productie C) een bevestiging heeft gevraagd van een uitstel tot 1 september 2014, zoals zij eerder had aangevraagd op 24 maart 2014 (bijlage 14 bij productie C). [appellante] voert aan dat zij zodanig uitstel heeft verkregen, hetgeen [geïntimeerde] gemotiveerd bestrijdt, zodat daarvan ook hier niet kan worden uitgegaan. Uit het standpunt van [appellante] volgt dat zij deze aangiften niet meer heeft gedaan. Zij wijst er echter op dat de periode vanaf de overdracht van alle financiële bescheiden d.d. 26 juni 2014 tot de uitsteldatum van 1 september 2014 voldoende was voor de nieuwe intermediair [Bedrijf 2] om aangifte te doen of nader uitstel te verzoeken. Naar het oordeel van het hof van miskent dit verweer echter dat niet vaststaat dat eerder uitstel was verleend tot 1 september 2014 en gaat het daarom niet op. Ook hier is [appellante] m.m. gehouden tot schadevergoeding van € 226 en € 49.

5.6

post D motorrijtuigenbelasting

Naar tussen partijen vaststaat, heeft de belastingdienst aan V.O.F. [geïntimeerde] Transport, waarvan [geïntimeerde] destijds vennoot was, bij beschikkingen van 29 november en 30 december 2011 telkens een naheffingsaanslag van € 8 en een boete van € 246 opgelegd omdat eerder met een zwaar motorrijtuig werd gereden terwijl de verschuldigde belasting (een eurovignet van € 8 per dag) niet, niet tijdig dan wel niet geheel was betaald (zie bijlage 17 bij productie C). Naar [appellante] onweersproken heeft aangevoerd, moest [geïntimeerde] zelf het initiatief nemen om wel (in geval van overschrijding van de maximummassa van 12.000 kg) of niet bij een van de aangiftepunten langs de snelweg een dagkaart te kopen, afhankelijk van het per dag verschillende gewicht van de te vervoeren lading. Hiertegenover heeft [geïntimeerde] in strijd met zijn stelplicht niet uiteengezet of en zo ja waarom [appellante] daarvoor moest zorgen en hoe dit dan praktisch in zijn werk zou moeten gaan. Daarom valt niet in te zien dat [appellante] gehouden zou zijn tot vergoeding van de boeten, laat staan van de naheffingsaanslagen, zodat deze vordering alsnog zal worden afgewezen.

5.7

post E omzetbelasting

Tussen partijen staat vast dat de aangifte en betaling omzetbelasting over de eerste twee maanden van 2011 uiterlijk moesten worden gedaan op 31 maart 2011 en dat [appellante] de omzetbelasting over februari 2011 op 6 april 2011 heeft aangegeven (bijlage 43a bij pleitnota namens [appellante] ) en op 14 april 2011 ten laste van [geïntimeerde] heeft betaald (zie het memo in bijlage 18 bij productie C). Deze kwestie speelde al direct bij aanvang van opdracht. Voor de aangifte en de betaling had [appellante] het wachtwoord en de toegangscode van de belastingdienst en van Rabobank nodig. Volgens [geïntimeerde] beschikte [appellante] daarover tijdig vóór 31 maart 2011, hetgeen [appellante] bestrijdt. Reeds in de e-mail van 7 april 2011 (bijlage 43c bij de pleitnota namens [appellante] ) had ( [persoon 1] van) [appellante] aan [geïntimeerde] bericht dat zij eergisteren, dus op 5 april 2011, van [persoon 2] de bankpas had ontvangen en dat zij de aangifte pas kon verzorgen zodra zij het wachtwoord en de gebruikersnaam (kennelijk van de belastingdienst) had ontvangen. In het memo heeft [appellante] opgenomen dat de toegangscode en het wachtwoord van de belastingdienst op 8 april 2011 door [persoon 1] zijn aangeleverd en dat de betaalpas van Rabobank op 5 april 2011 door [persoon 2] ( [geïntimeerde] ) op kantoor is aangeleverd. Daartegenover had [geïntimeerde] concreet behoren te stellen wanneer en op welke wijze hij vóór 1 april 2011 de toegangsgegevens bij de belastingdienst en Rabobank aan [appellante] zou hebben verstrekt. De door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheid dat [appellante] vanaf de aanvang van haar werkzaamheden een DigiD code heeft aangemaakt voor [geïntimeerde] en zijn vrouw is daartoe niet voldoende omdat enkel daarmee nog geen toegang kan worden verkregen bij de belastingdienst, laat staan bij Rabobank. [geïntimeerde] is derhalve op dit punt in zijn stelplicht tekortgeschoten. Bij pleidooi heeft [geïntimeerde] nog aangevoerd dat [appellante] aan de belastingdienst voor de aangifte en de betaling van de omzetbelasting uitstel had moeten vragen en/of aan [geïntimeerde] had kunnen adviseren om de betaling in verband met spoedeisendheid zelf te verzorgen en/of met spoed zelf had moeten zorgen voor de benodigde codes van de belastingdienst. Dit betreft echter nieuwe stellingen die wegens de twee conclusieregel buiten beschouwing moeten blijven. De conclusie is dat deze vordering alsnog zal worden afgewezen.

5.8

post F.

Deze ziet op openstaande kosten over aanslagen IB/PVV 2009 en 2010. Uit de kennisgeving van 18 september 2014 (bijlage 7 bij inleidende dagvaarding) blijkt niet en evenmin is gesteld of gebleken wanneer en op welke grond deze kosten over de openstaande aanslagen voor het eerst in rekening werden gebracht. [geïntimeerde] voert aan dat [appellante] de aangiften kennelijk te laat heeft ingediend op grond waarvan er incassokosten in rekening zijn gebracht. Daartegenover heeft [appellante] er terecht op gewezen dat niet zij maar haar voorganger [Bedrijf 1] de aangiften over 2009 op 10 maart 2011 heeft gedaan (bijlage 20 bij productie C). Wat betreft de aangiften over 2010 heeft [appellante] enkel verwezen naar haar standpunt onder post A., dat hiervoor werd verworpen. Daarom zal zij de openstaande kosten over de aangiften 2010 ad € 722 en € 164 als schade aan [geïntimeerde] moeten vergoeden. Voor het overige zal deze vordering alsnog worden afgewezen.

5.9

post G.

Hier staat tussen partijen vast dat er een nieuwe vrachtwagen is aangeschaft die op 29 november 2013 op naam van [geïntimeerde] is gesteld (bijlage 31 bij productie C), dat [geïntimeerde] op 21 februari 2014 kopieën van de vereiste documenten aan [appellante] heeft verstrekt en dat [appellante] op 24 februari 2014 de subsidieaanvraag voor een EURO-VI voertuig via het eLoket in concept heeft ingediend maar nooit definitief heeft gemaakt. De aanvraag moest vóór 31 maart 2014 zijn ingediend (zie het overzicht en de e-mail van 20 mei 2014 onder productie 3 bij inleidende dagvaarding). Volgens [appellante] heeft zij de aanvraag niet afgerond omdat [geïntimeerde] geen geldige vervoersvergunning had en heeft zij daarom op 24 februari 2014 [geïntimeerde] verzocht zelf de definitieve aanvraag te verzorgen. [geïntimeerde] bestrijdt dat hij over zo’n vergunning moest beschikken en ook dat [appellante] hem zou hebben verzocht de aanvraag zelf te verzorgen. Naar het oordeel van het hof rusten de stelplicht en bewijslast met betrekking tot het verzoek de aanvraag alsnog zelf te verzorgen op [appellante] . Zij heeft echter geen daarop toegespitst bewijs aangeboden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat zij niet voor zo’n overdracht heeft zorggedragen, hetgeen in strijd was met de door haar aanvankelijk aanvaarde opdracht. Dat deze tekortkoming een schadepost heeft veroorzaakt van € 4.500 heeft [appellante] in die zin betwist dat [geïntimeerde] niet over een vervoersvergunning beschikte, zodat hij voor zo’n subsidie toch niet in aanmerking kwam, waartegenover [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat geen vervoersvergunning was vereist. Naar het oordeel van het hof is het verweer van [appellante] dat een vergunning nodig was zeker in het licht van productie 1 bij memorie van antwoord onvoldoende onderbouwd, zodat dit verweer wordt verworpen. Bij gebreke van verder verweer is deze vordering dus terecht toegewezen.

5.10

post H.

Tegen de hier geclaimde herstelkosten heeft [appellante] in productie C (op pagina 7) per post gemotiveerd verweer gevoerd, waarop [geïntimeerde] vervolgens niet inhoudelijk en verdiepend heeft gereageerd. De door hem overgelegde declaraties van [Bedrijf 2] van 2 december 2014 en 14 oktober 2015 zijn op zichzelf onvoldoende gespecificeerd om daar nader op in te gaan. Dit betekent dat [geïntimeerde] deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zij alsnog moet worden afgewezen.

5.11

misbruik van recht?

[appellante] heeft nog tegen diverse posten aangevoerd dat [geïntimeerde] zijn recht misbruikt om deze posten in te vorderen maar dit verweer gaat niet op omdat [appellante] daaraan geen feiten en/of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 lid 2 BW opleveren.

5.12

reconventie?

Bij haar appeldagvaarding (sub 10) heeft [appellante] veroordeling gevorderd van [geïntimeerde] tot betaling van € 14.900 met wettelijke rente wegens € 3.000 aan advocaatkosten en € 11.900 in verband met niet eerder gedeclareerde werkzaamheden, alles volgens bijlage 41 bij productie C (p. 8-10). Ingevolge artikel 353 lid 1 Rv kan een vordering in reconventie echter niet voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld. Daarom zal [appellante] in deze vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.13

bewijsaanbiedingen

Partijen hebben geen feiten en/of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden leiden. Daarom wordt aan ieders bewijsaanbod voorbijgegaan.

6 De slotsom

6.1

Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk, zodat het bestreden eindvonnis zal worden vernietigd. De vordering van [geïntimeerde] is slechts toewijsbaar voor de hoofdsom van (€ 226 + € 226 + € 49 + € 49 + € 226 + € 49 + € 722 + € 164 + € 4.500 =) € 6.211, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de onweersproken ingangsdatum 10 juli 2015 en met de onweersproken buitengerechtelijke kosten van € 784,45.

6.2

[appellante] zal in haar vordering sub 5.12 niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.3

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 82,63

- griffierecht € 221,00

subtotaal verschotten € 303,63

- salaris advocaat € 225,00 (1 punt Salarissen in rolzaken kanton)

totaal € 528,63.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 314

subtotaal verschotten € 314

- salaris advocaat € 1.264 (2 punten x appeltarief I)

totaal € 1.578.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 6 januari 2016 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 6.211, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 juli 2015 tot de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 784,45;

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar vordering sub 5.12;

veroordeelt [appellante] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 303,63 voor verschotten en op € 225 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 314 voor verschotten en op € 1.264 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.M. Croes en S.M. Evers, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2017.