Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:719

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
200.195.488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz arbeidszaak

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond.

Ernstig verwijtbaar handelen van ambulanceverpleegkundige die aan collega chauffeurs op de ambulance enkele strips illegale medicijnen verstrekt én op cruciale momenten nalaat haar werkgeefster juist en volledig te informeren.

Geen transitievergoeding.

Het niet toekennen van de transitievergoeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0196
AR 2017/825

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.195.488

(zaaknummer rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Almelo 4924433)

beschikking van 2 februari 2017

inzake

[verzoekster] ,
wonende te [plaatsnaam] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster, verzoekster in het tegenverzoek,
hierna: [verzoekster] ,

advocaat: mr. S.M. Profijt,

tegen:

de stichting
[verweerster],
gevestigd te [plaatsnaam] ,

verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoekster, verweerster in het tegenverzoek,

hierna: [verweerster] ,

advocaat: mr. A.J.D. Bekius.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van
28 april 2016 die de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:
- het beroepschrift van [verzoekster] met producties en met de stukken van de eerste aanleg, ingekomen bij de griffie van het hof op 19 juli 2016;

- het bij schriftelijk bericht van 3 augustus 2016 namens [verzoekster] aan het hof gezonden proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep van [verweerster] met producties;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van [verzoekster] met producties;

- de bij schriftelijk bericht van 12 oktober 2016 namens [verzoekster] aan het hof gezonden productie 20;
- de bij schriftelijk bericht van 12 oktober 2016 namens [verzoekster] aan het hof gezonden productie (het hof begrijpt) 21;

- de op 21 oktober 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking nader bepaald op heden.

2.3

[verzoekster] verzoekt in het principaal hoger beroep dat het hof de bestreden beschikking van 28 april 2016 zal vernietigen en opnieuw recht doende, zo nodig onder wijziging of aanvulling van de gronden, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
A. herstel van de arbeidsovereenkomst op zo kort mogelijke termijn op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag;
B. bij wijze van voorziening [verweerster] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.380,90 per maand als loon voor elke maand vanaf 1 juni 2016 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst is hersteld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de vervaldata;

Subsidiair:
indien het hof oordeelt dat het verzoek van [verweerster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen maar het hof [verweerster] niet veroordeelt de arbeidsovereenkomst te herstellen:
C. betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van € 50.000,- bruto dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016;
Primair en subsidiair:
met veroordeling van [verweerster] in de kosten van deze procedure.

2.4

[verweerster] verzoekt in het incidenteel hoger beroep dat het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- zal oordelen dat de door [verweerster] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, naast een redelijke grond voor ontbinding, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW, tevens ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [verzoekster] oplevert, hetgeen een redelijke grond oplevert zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW;
- de bestreden beschikking wat betreft de veroordeling van [verweerster] om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 10.221,- bruto zal vernietigen en [verzoekster] zal veroordelen tot terugbetaling van het netto bedrag, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van algehele voldoening;
- [verzoekster] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3 De vaststaande feiten

3.1

[verweerster] richt zich als zorginstelling zonder winstoogmerk op ambulancezorg voor het werkgebied Twente en wordt gefinancierd uit algemene en premiemiddelen. Zij is hiertoe op grond van de Wet Ambulancevoorziening (tijdelijk) aangewezen door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het werkgebied bestaat uit 15 gemeenten. [verweerster] heeft ongeveer 240 zorgprofessionals in dienst.

3.2

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 1 februari 2009 in dienst getreden bij [verweerster] in de functie van ambulanceverpleegkundige. [verzoekster] was bij [verweerster] werkzaam gedurende 32 uur per week. Het laatstgenoten salaris bedroeg
€ 3.593,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en onregelmatigheidstoeslag.

3.3

In de zomer van 2015 heeft [verzoekster] aan haar leidinggevende de heer [persoon 1] (hierna: [persoon 1] in een informeel gesprek verteld dat haar partner als verdachte was aangehouden door de recherche op verdenking van betrokkenheid bij hennepteelt en dat er in hun woning een huiszoeking door de recherche was gedaan.

3.4

In een e-mail van 10 juni 2015 van [verzoekster] aan collega’s (productie 2 verweerschrift in eerste aanleg) is onder andere het volgende vermeld:
“Om jullie alvast op de hoogte te brengen van hetgeen ons vanmorgen is overkomen, stuur ik deze mail! Ook om zo geen gekke verhalen in de wereld te krijgen die een eigen leven gaan leiden, dan vertel ik het liever zelf! dan kan een ieder voor zich bedenken om er alsnog een mooier verhaal van te maken;-)
vanmorgen rond 06.15 stonden er mannen in onze achtertuin, [partner van verzoekster] is uit bed gesprongen en naar buiten gegaan om te kijken wie dit waren, en alsof we in een ongelooflijke slechte film terecht waren gekomen, legitimeerden deze mannen zich en waren ze van de recherche! (…)
[partner van verzoekster] is aangehouden op een aantal strafbare feiten die in de krant staan
vol ongeloof heb ik dit gelezen, ook zijn collega’s!
hij moet 3 dagen blijven en zal verhoord worden
ik kom net van zijn werk af en gepraat met zijn leidinggevenden!
(…)
want iedereen wil natuurlijk weten wat er gebeurt is en sterker nog, “is het waar wat ze schrijven??”dit kan ik me ook heel goed voorstellen, logisch!

gelukkig kennen [partner van verzoekster] zijn collega’s, vrienden/familie hem erg goed en staan ze achter hem en zijn ze er voor mij bij alles wat ik nodig heb!! vooralsnog ben ik nix nodig en zal ik ook gewoon werken!

ik vind het prima om vragen te beantwoorden voor zover ik hier uberhaupt antwoord op kan geven! Maar ik word nu volledig plat gebeld door alles en iedereen, dus soms ff geen vragen zal ook fijn

zijn; -)”

3.5

Bij brief van 8 december 2015 (productie 3 verweerschrift in eerste aanleg) heeft het Arrondissementsparket Oost-Nederland een afschrift van een aan [verzoekster] nog te betekenen dagvaarding gezonden. In de brief is meegedeeld dat [verzoekster] zal worden gedagvaard voor de politierechter op 19 februari 2016 en dat haar wordt geadviseerd een advocaat te raadplegen.

3.6

In een brief van 24 februari 2016 van [verweerster] aan [verzoekster] (productie 2 verzoekschrift in eerste aanleg) is het volgende opgenomen:
“Gisteren hebben we met elkaar gesproken (zie hiertoe ook het bijgevoegde verslag). Ik heb je in dit gesprek meegedeeld dat ik een disciplinaire maatregel tegen je tref in de vorm van het op non actief stellen met onmiddellijke ingang van 23 februari 2016.
De aanleiding van deze maatregel is het krantenartikel in dagblad [naam dagblad] van 24 februari 2016. In dat artikel wordt u onder noemer van de naam [verzoekster] ambulancemedewerkster vermeld als persoon die nep viagra aan collega’s hebt uitgedeeld.

In eerdere instantie bent u open geweest over dit voorval en hebt u mij en [persoon 1] (uw direct leidinggevende) op de hoogte gesteld van het gebeuren.

Echter, nu uw handelen in de openbaarheid is gekomen, zie ik mij genoodzaakt de maatregel te nemen, in afwachting van de gerechtelijke uitspraak. (…) Zodra een gerechtelijke uitspraak bekend is over uw situatie zal ik opnieuw bezien hoe verder.”
3.7 In het bij de brief van 24 februari 2016 gevoegde verslag van het gesprek op

23 februari 2016 (productie 2a verzoekschrift in eerste aanleg) staat:
“ [persoon 2] (hof: mevrouw [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), manager Ambulancezorg bij [verweerster] ) zegt dat [verzoekster] (hof: [verzoekster] ) waarschijnlijk wel vermoed dat de boodschap niet prettig zal zijn. Ze kondigt aan dat ze [verzoekster] voorlopig op non-actief zet. Aanleiding is het krantenartikel van afgelopen zaterdag (20-2) in [naam dagblad] waarin [verzoekster] met haar volledige voornaam en functie wordt vermeld. In het artikel wordt verhaald dat [verzoekster] nep-viagra pillen heeft verstrekt aan collega’s. De officier stelt dat [verzoekster] beter had moeten weten als

ambulancemedewerkster, aldus het bewuste krantenartikel.

Het openbaar worden van het gebeuren is voor [persoon 2] reden om nu de maatregel te nemen om [verzoekster] tijdelijk op non-actief te zetten in afwachting van de uitspraak van de rechter. [persoon 2] vindt dat ze naar aanleiding van het openbaar worden als werkgever moet handelen. Of het krantenartikel waar of niet waar is, is voor haar niet belangrijk. Ze wil de uitspraak van de rechter op 4 maart afwachten en dan beoordelen hoe ze verder zal handelen als werkgever.

[verzoekster] geeft aan dat deze actie haar verrast. Ze is vanaf het begin af aan eerlijk geweest naar [persoon 1] en naar [persoon 2] . Ze heeft verteld dat ze kamagra aan een collega heeft gegeven. Bij een huiszoeking door de politie is haar telefoon in beslag genomen. Aanleiding voor de huiszoeking is de verdenking van haar partner die een rol in de hennepteelt zou hebben. In de woning zijn xtc, cocaine en illegale nep-viagrapillen gevonden.
[verzoekster] is open en eerlijk geweest in het verstrekken van de kamagra aan de collega. Ze heeft deze niet verkocht, maar om niet verstrekt. Ten tijde dat ze dit heeft verteld aan [persoon 1] en [persoon 2] was er geen reden om haar op non-actief te stellen. Ze begrijpt niet goed waarom dit nu wel aan de orde is. Het krantenartikel is een onjuiste weergave van de werkelijkheid. Het is een eenzijdige weergave van de situatie en [verzoekster] geeft aan zich hiertegen niet te kunnen verdedigen.
(…)
Ze heeft haar collega willen helpen en hem kamagra gegeven, niet verkocht. Ze wilde hem alleen maar helpen.
(…)

Op de vraag van [verzoekster] in hoeverre de situatie van [partner van verzoekster] van invloed is op haar positie antwoorden [persoon 2] en [persoon 1] dat dit van geen enkel belang is. [verzoekster] is in dienst bij [verweerster] , niet [partner van verzoekster] .
Feit is echter dat het mogelijk handelen van [verzoekster] publiekelijk is geworden door de publicatie in de krant. En, nogmaals, [persoon 2] vindt nu dat ze moet handelen. Ze wil rust in de organisatie.

(…)
[verzoekster] vraagt aan [persoon 2] of haar handelen reden is voor [persoon 2] haar te ontslaan? [persoon 2] geeft terug dat ze niets heeft tegen de persoon [verzoekster] , maar ze wil e.a. wel juridisch laten onderzoeken hoe een werkgever zou kunnen/moeten handelen wanneer sprake is van een veroordeling door de rechter.
Na 4 maart wil ze de zaak opnieuw bekijken. Ze doet nu ook niet de toezegging dat alles goed komt na 4 maart. [verzoekster] vraagt of het raadzaam is een advocaat in de arm te nemen. [persoon 2] en [persoon 3] (hof: mevrouw [persoon 3] , P&O adviseur bij [verweerster] ) geven aan dit niet te weten en hierin geen advies te kunnen geven. Het is ongewis hoe van werkgeverszijde na 4 maart gehandeld gaat worden. Hierover worden bij voorbaat geen uitspraken en beloftes gedaan. De gerechtelijke uitspraak zal een feit vormen op basis waarvan opnieuw beoordeeld en gehandeld gaat worden van werkgeverszijde.”
3.8 [verzoekster] heeft in een e-mail van 25 februari 2016 aan [persoon 2] (productie 3 verzoekschrift in eerste aanleg) bezwaar gemaakt tegen haar op non-actiefstelling:
“Zoals ik tevens in het gesprek heb aangegeven, kan ik mij niet vinden in de non-actiefstelling en protesteer ik hiertegen.
(…)
Ik begrijp, achteraf gezien, dat het niet handig en verstandig van mij is geweest de betreffende collega’s kamagra te geven. Dit is echter met enkel en alleen goede bedoelingen geweest en betrof een eenmalige actie die anderhalf/2 jaar geleden plaatsvond. Hoewel ik dus snap dat ik dit beter niet had kunnen doen, vormt het volgens mij geen aanleiding over te gaan tot een zwaar middel als non-actiefstelling. (…)
Ik begrijp dat jullie, als werkgever, de eer en goede naam van [verweerster] moeten beschermen. De berichtgeving in de media is echter aan te merken als stemmingmakerij en het betreft vooral beschuldigingen die niets met mij persoonlijk te maken hebben waarvoor ik dus ook niet zou worden moeten worden gestraft, mijns inziens. Voor mijn gevoel word ik op dit moment echter al veroordeeld, door tot non-actiefstelling over te gaan. Op collega’s komt dit ook niet goed over en ik word ten onrechte in een kwaad daglicht gezet. In elk geval lijkt het door deze handelswijze alsof er veel meer aan de hand is dan daadwerkelijk het geval is geweest. Ik ben ongeveer vier weken geleden naar jullie toe gekomen en heb toen verteld dat ik eenmalig gratis 1x een strip kamagra aan twee collega’s had verstrekt en verder zelf niet betrokken ben bij de strafbare feiten die ter zitting centraal stonden. Ik ben open en eerlijk geweest en jullie hebben toen aangegeven het niet slim te vinden dat ik dat gedaan had, maar vonden het toen zelf ook geen aanleiding om mij op non-actief te stellen. Dat nu door de berichtgeving in de media wel tot deze maatregel wordt overgegaan, vind ik onterecht en overtrokken.”

3.9

In een brief van 26 februari 2016 van de directeur van [verweerster] aan [verzoekster] (productie 4 verzoekschrift in eerste aanleg) als antwoord op de onder 3.8 vermelde e-mail van [verzoekster] is onder andere het volgende vermeld:
“We hebben je aangegeven dat we je voorlopig op non-actief zetten in afwachting van de uitspraak in de strafzaak. Dit mede omdat je [verweerster] in diskrediet hebt gebracht en door je handelwijze het vertrouwen in jou als verpleegkundige is geschaad.

Al jaren doen wij er alles aan om de bekwaamheid van onze medewerkers te borgen en de patiënt veiligheid te garanderen. Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat wij verantwoorde ambulancezorg leveren en ons kwaliteitsmanagementsysteem moet er op ingericht zijn dat we risico’s in zicht te hebben en er alles aan doen om fouten te voorkomen.
Als verpleegkundige kun je bij allerlei medicatie komen, tot opiaten aan toe en dient daar zeer zorgvuldig mee om te gaan. Het feit dat je er toe over bent gegaan om een collega medicijnen te verstrekken die illegaal zijn en niet mogen worden verhandeld, rekenen we je zeer zwaar aan in relatie met je dagelijkse verantwoordelijkheid als ambulanceverpleegkundige om uitstekende en veilige ambulancezorg te verlenen. Dat laatste doe je namens [verweerster] ! Naast je eigen verantwoordelijkheid als BIG geregistreerd verpleegkundige heb je ook de naam van [verweerster] beschaamd.
(…)
Wat tevens het vertrouwen in jou geen goed doet, is dat jij in je reactie weinig zelfreflectie en schuldbesef toont. Het feit dat jouw reactie richting ons er tot op heden met name op is gericht om de verstrekking van de illegale medicatie aan een collega te relativeren door te benadrukken dat het meer gebruikt wordt en in Nederland gewoon wordt verhandeld, geeft aan dat je deze misstap weinig serieus neemt. Je heb het lang verzwegen en pas toen het proces dreigde rond jouw vriend en dit in de openbaarheid dreigde te komen, heb je dit alsnog met ons gedeeld. Het feit dat het in de publiciteit is gekomen en dat je aangeklaagd bent en mogelijk wordt veroordeeld, geeft aan dat het mogelijk gaat om een serieus strafbaar feit. Dit mag je niet afdoen als een luchtige misstap.

We hebben aangegeven de uitspraak af te wachten en deze mee te wegen in een definitief oordeel over je arbeidsrelatie.
We stellen het op prijs dat je middels je brief iets meer laat blijken van zelfreflectie maar opnieuw valt op dat je de schuld met name buiten je zelf zoekt en [verweerster] verwijten maakt.”
3.10 In een e-mail van 1 maart 2016 (productie 5 verzoekschrift in eerste aanleg) heeft [verzoekster] aan de directeur van [verweerster] onder andere het volgende geschreven:
Onderwerp: Brief ontvangen
Goedemorgen
Ik wil u laten weten dat ik de brief in goede orde heb ontvangen!

Ik begrijp uw standpunt!
we wachten vrijdag af en dan hoop ik zo spoedig mogelijk een gesprek te hebben met jullie!”

3.11

Bij uitspraak van 4 maart 2016 (productie 6 verzoekschrift in eerste aanleg) heeft de meervoudige kamer voor strafzaken in de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo bewezen geacht dat [verzoekster] in de periode van 1 december 2013 tot en met 10 juni 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, te weten Kamagra, zijnde een middel bevattende sildenafil (als citraat), in voorraad heeft gehad, heeft verkocht , afgeleverd en ter hand gesteld. Dit feit levert het misdrijf, medeplegen van een overtreding van artikel 40 van de Geneesmiddelenwet, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten op. [verzoekster] is veroordeeld tot betaling van en geldboete van € 500,-.
De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen:
“Verdachte heeft zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan het verspreiden van Kamagrapillen. Door Kamagrapillen, die via het illegale circuit worden verkregen, aan derden te verspreiden heeft verdachte risico’s genomen met betrekking tot de gezondheid van anderen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Zij had, zeker gezien haar achtergrond als ambulanceverpleegkundige, bovendien beter moeten weten.”
In het proces-verbaal van de behandeling van de strafzaak tegen [verzoekster] op 19 februari 2016 (productie 16 bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep) is onder ander het volgende vermeld:
“Ik wist absoluut niet wat er in het kistje zat. De kamagrapillen lagen in losse strips bij ons in de kledingkast. Ik heb een aantal personen kamagrapillen gegeven, ik heb twee collega’s een strip gegeven. Ik wist niet hoeveel pillen er in huis waren. Het kistje is ook een tijdje bij mijn schoonouders geweest. Ik wilde een keer kamagra uit het kistje halen, maar toen was het kistje er niet.
(…)
Ik heb me niet gerealiseerd dat de kamagrapillen illegaal waren. Ik zag het bezwaar niet. De pillen kunnen van invloed zijn op het welbevinden. De hartslag wordt erdoor verhoogd. Gebruik van de pillen kan gevaarlijk zijn in combinatie met autorijden.”

[verzoekster] heeft hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde uitspraak. Ten tijde van de mondelinge behandeling bij het hof was nog niet op dit hoger beroep beslist.

3.12

[verweerster] heeft in een gesprek op 8 maart 2016 met [verzoekster] meegedeeld het dienstverband met haar te willen beëindigen.

3.13

In een e-mail van 9 maart 2016 (productie 8 verzoekschrift in eerste aanleg) heeft [verzoekster] het volgende aan de directeur van [verweerster] geschreven:
“Ik ben namelijk altijd eerlijk en open geweest over wat er is gebeurd en ik heb [persoon 1] regelmatig op de hoogte gehouden van de gehele situatie door mijn goede band met hem!
Het verbaast mij ook dat u heeft gezegd dat ik pas aan de bel heb getrokken nadat deze situatie aan het licht is gekomen. Dit is namelijk niet waar! Ik heb [persoon 1] al na mijn verhoor 2 juli 2015 door de recherche geïnformeerd en ook in december 2015 toen ik de dagvaarding had gekregen om te verschijnen bij de politierechter. Niemand had (juridisch en/of strafrechtelijk) gedacht dat ik ook moest voorkomen.
Toen ik in januari 2016 hoorde dat ik net als [partner van verzoekster] voor de meervoudige kamer moest verschijnen omdat alles samen werd behandeld heb ik dit ook onmiddellijk verteld aan [persoon 1] . Diezelfde dag hebben wij het besproken met Mevr. [persoon 2] . Niemand was op dat moment van mening dat ik mijn werkzaamheden niet meer zou kunnen verrichten! Ik heb Mevr. [persoon 2] verteld dat ik voor moest komen voor het 2x verstrekken van kamagra in 2014 en pas één maand later, toen het in de pers kwam, is besloten om mij op nonactief te stellen! En nu is besloten dat ik niet langer in dienst zou kunnen blijven! Ik kan en wil dit niet accepteren.”

3.14

In een brief van 11 maart 2016 van [verweerster] aan [verzoekster] (productie 9 verzoekschrift in eerste aanleg) is onder andere het volgende vermeld:
“Ten aanzien van je argumenten dat je altijd open en eerlijk bent geweest, lijkt nu een situatie te ontstaan over feiten rondom tijdstippen en wat wel en niet is gezegd. Voor de goede orde geven wij nog eens aan dat je bekentenis, op welk tijdstip dan ook, pas is geweest op het moment dat er een strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld. Dat lijkt de suggestie in te houden dat je het daarvoor blijkbaar niet als een probleem zag. In onze overtuiging, in later stadium in elk geval in het bijzijn van meerdere mensen opgetekend, is de omvang van jouw bekentenis steeds groter geworden. Het begon met een pilletje aan een collega, het werden twee strips aan twee collega’s. De rechter heeft in haar vonnis de exacte omvang niet meer geduid, maar nogmaals wel bevestigd dat er een voorraad is aangetroffen en er sprake is van meermalen verkopen, afleveren en ter hand stellen van de illegale medicijnen.”
3.15 In een e-mail 14 maart 2016 van de advocaat van [verzoekster] aan de directeur van [verweerster] (productie 10 verzoekschrift in eerste aanleg) is onder andere het volgende vermeld:
“Zij heeft, toen een collega haar vertelde dat hij impotentie problemen had en zich hiervoor schaamde - en dus niet naar een arts wilde - gezegd dat zij nog wel Kamagra in huis had liggen. Zij zag geen enkel probleem om dit te geven aangezien Kamagra ook verkrijgbaar is bij winkels zoals bijvoorbeeld bol.com. Zij heeft bijna twee jaar geleden twee keer een strip weggegeven, niets meer en niets minder. Toen ook haar telefoon is uitgelezen na de inval in de echtelijke woning kwam dit aan het licht. Ook cliënte is in juli 2015 gehoord door de politie en heeft dit besproken met haar teamleider, de heer [persoon 1] . Het feit dat zij Kamagra heeft weggeven aan een collega heeft zij verteld en was op dat moment geen aanleiding voor werkgever om actie te ondernemen,
Tot verbazing van cliënte ontving zij in december 2015 een dagvaarding om te verschijnen voor de Politierechter omdat zij Kamagra had weggegeven aan haar collega. Ook dit heeft zij aan de heer [persoon 1] verteld. De heer [persoon 1] vond blijkbaar nog steeds dat er geen enkele aanleiding was om arbeidsrechtelijke stappen te ondernemen. Sancties werden niet opgelegd. Toen cliënte in januari 2016, na telefonisch contact met het Parket, te horen kreeg dat de behandeling van haar zaak was gevoegd met de behandeling van de zaak van haar partner, en zij dus voor de Meervoudige Kamer moest verschijnen, heeft zij wederom onmiddellijk contact opgenomen met de heer [persoon 1] . Diezelfde dag, namelijk op 19 januari 2016, heeft een gesprek plaatsgevonden met mevrouw [persoon 2] . Mevrouw [persoon 2] kon niet begrijpen dat cliënte “voor twee stripjes voor de Meervoudige Kamer moet komen.” Cliënte heeft dit uitgelegd en de vraag of dit consequenties zou hebben voor het werk werd door mevrouw [persoon 2] zelfs ontkennend beantwoord.
Kort en goed, op diverse momenten waren zowel haar leidinggevende als de manager ambulancezorg beide van mening dat er geen aanleiding was om arbeidsrechtelijke consequenties te verbinden aan het feit dat cliënte twee strips Kamagra aan een collega had gegeven. Het was stom maar niet zo erg dat maatregelen moesten worden genomen.

Pas na de behandeling van de strafzaak en de hiermee gepaard gaande media-aandacht moest cliënte op gesprek komen op 23 februari 2016.”

3.16

Een niet gedateerde schriftelijke verklaring van [persoon 1] (productie 1 bij verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep van [verweerster] ) met als titel “Chronologie [verzoekster] ” luidt als volgt:
“Zomer 2015 werd ik gebeld door [verzoekster] met de mededeling dat er door de rijksrecherche

’s morgens vroeg een huiszoeking was gedaan in hun woning. (…) Ze hadden het hele huis op de kop gezet op zoek naar bewijs omdat [partner van verzoekster] verdacht werd van handel in verdovende middelen en hennep. [partner van verzoekster] was opgepakt en vastgezet in afwachting van, de opsluiting zou van korte duur zijn. Uiteindelijk heeft [partner van verzoekster] enkele maanden vastgezeten,
[verzoekster] vertelde me dat ze in opperste verbazing is achtergebleven (…) en dat ze er niets van begreep, er zou niets aan de hand zijn en sprake van een grote vergissing. Ze staat vol achter [partner van verzoekster] . [partner van verzoekster] zou ook zo weer thuis zijn.
In de periode daarna heb ik regelmatig contact gehad met [verzoekster] over hoe het met haar gaat en of ze het op het werk vol hield met een man in de cel en twee kinderen thuis en de roddels die over hen gaan in het dorp. Ze hield het vol met up’s en down’s. In deze periode kwam niet meer nieuws naar buiten dan dat [verzoekster] een enkele keer op bezoek mocht bij [partner van verzoekster] . In alle verhoren had [partner van verzoekster] gezwegen als het graf. Zelf zou [verzoekster] ook een paar keer ondervraagd zijn door de rijksrecherche. Ze had zelf het idee dat de rijksrecherche haar aan het observeren was en dat ze thuis werd afgeluisterd.
Na geruime tijd werd duidelijk waar [partner van verzoekster] van verdacht werd en wat hem ten laste werd gelegd. Er verschijnen krantenartikelen waar [verzoekster] op reageert met de woorden: “allemaal leugens”. De advocaat van [partner van verzoekster] is ook van mening dat het allemaal op drijfzand is gebaseerd. Voor mij is [verzoekster] onschuldig tot het tegendeel is bewezen. [verzoekster] weet dat ik er zo in zit.

(…)
December 2015
[partner van verzoekster] is intussen uit voorlopige hechtenis en er wordt duidelijk wanneer de zaak voorkomt. [verzoekster] vertelde mij ook dat zij moet voorkomen bij de meervoudige strafkamer in het kader van de zaak tegen [partner van verzoekster] . Er is niet gesproken over een eigen zaak tegen [verzoekster] . Heb hier ook niet naar gevraagd want het was in mijn ogen logisch. Hoe kan ik vragen naar iets dat ik niet weet.

Tot op dit moment heb ik altijd geloofd in haar onschuld.
Januari 2016
[verzoekster] komt bij me met de mededeling dat ze moet verschijnen voor de meervoudige strafkamer op

20 februari 2016 omdat zij verdacht wordt van handel in Kamarga. Het betreft een eigen zaak tegen haar. Ik laat haar weten dat dit wel even wat anders is dan verschijnen in het kader van de zaak van [partner van verzoekster] .

We gaan contact zoeken met [persoon 2] om dit officieel met haar te bespreken omdat dit van een andere orde is. Tot op dit gesprek heb ik nog nooit gehoord van Kamarga laat staan van het bestaan hiervan.
Gesprek met [verzoekster] en [persoon 2]
We hebben [verzoekster] laten weten dat dit wel heel ander licht werpt op de zaak, en, als het waar is, het wel heel dom is van [verzoekster] , helemaal als ambulance verpleegkundige. [verzoekster] geeft toe dat ze één pilletje heeft gegeven aan een chauffeur binnen de dienst. De naam van deze chauffeur zal ze nooit onthullen. Wel verteld ze ons dat deze chauffeur ook verhoord is geweest door de recherche.
Besluit: we wachten de behandeling van de zaak af en zullen daarna besluiten over de gevolgen voor haar werk. Het gaat ons niet om de feiten tegen [partner van verzoekster] maar wel die van haar.
Behandeling zaak op 19 februari 2016
Helaas kon ik niet aanwezig zijn door privéomstandigheden maar de verdenkingen tegen [partner van verzoekster] en [verzoekster] logen er niet om. [verzoekster] wordt verdacht van handel in, en verstrekken van Kamarga.
Na het bekend worden van deze feiten besluiten we om [verzoekster] voorlopig op non-actief te zetten.

Na de uitspraak van de rechter (4 maart 2016) zullen we verder kijken.
(…)
Gesprek met [verzoekster] ,(…) [persoon 2] (…)
In dit gesprek wordt [verzoekster] medegedeeld dat haar ontslag wordt aangezegd. In dit gesprek beschuldigt [verzoekster] mij van het feit dat ik al veel langer zou weten dat er sprake was van het verstrekken van Kamarga door [verzoekster] . Zoals al gezegd heb ik niet eerder van Kamarga gehoord en dan ook nog in een eigen strafzaak.

Het heeft mij diep geraakt en ben het vertrouwen in [verzoekster] volledig kwijtgeraakt. Telkens als de waarheid onthuld dreigt te worden komt er een stukje door [verzoekster] naar buiten. Hoe zo altijd eerlijk geweest?
Er zou thuis nooit wat gevonden zijn, intussen weten we wel beter……
Eerst is er sprake van één pilletje, later van één of meer stripjes……
Natuurlijk heb ik als teammanager er voor willen zorgen dat ze binnenboord zou blijven want op haar functioneren als ambulanceverpleegkundige is niets aan te merken maar met de wetenschap van nu…..?”

3.17

In een niet gedateerde schriftelijke verklaring van [persoon 2] (productie 1 bij verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger) staat het volgende:
“Vanaf de zomer 2015 t/m januari 2016 heeft [persoon 1] (…) mij, in onze bilaterale overleggen, op de hoogte gesteld van hetgeen zich rondom [verzoekster] en haar partner afspeelde. (…) Ons gesprek ging altijd over hoe houdt [verzoekster] dit vol?
19 januari 2016 werd ik gebeld door [persoon 1] . Hij had een gesprek met [verzoekster] en daar kwam naar voren dat [verzoekster] ook moest voorkomen bij de meervoudige strafkamer. We hebben diezelfde middag een gesprek met ons drieën gepland.
In dit gesprek vertelde [verzoekster] dat ook zij moest voorkomen bij de meervoudige strafkamer. Op de vraag waarom meldde [verzoekster] dat het allemaal onzin was, ze was onschuldig. Dit zou de advocaat van [partner van verzoekster] (haar partner) willen beamen. [verzoekster] zou worden meegesleurd in het hele verhaal rondom hem. Na doorvragen waarom ze dan moest voorkomen vertelde ze dat de politie bij de huiszoeking belastend materiaal zou hebben gevonden richting haar in haar mobiele telefoon. Het zou gaan om appjes van anderhalf/twee jaar geleden naar een directe collega. Ze had hem kamarga verstrekt (een tablet).

Ik had zelf geen idee wat kamarga was en vroeg dat haar. Volgens [verzoekster] was het een onschuldig middel, net als viagra, en je kan het overal kopen , zelfs bij bol.com. [verzoekster] was erg sterk in haar overtuiging dat het allemaal onzin was en erg opgeklopt vanwege de zaak tegen haar partner. Ze hadden geen enkel bewijs. Ik heb haar aangegeven dat ondanks de domheid van haar actie (als collega en verpleegkundige) de schuld dan eerst bewezen moest worden. Ik wilde me ook niet laten meeslepen in de feiten tegen haar partner, het ging mij om [verzoekster] . Dus ik heb gedacht; ze is onschuldig totdat het tegendeel bewezen is en dit heb ik gemeld. Eerst het onderzoek en de strafkamer afwachten. Maar wel met de boodschap dat als hier iets achter weg zou komen ik vervolgmaatregelen in dat licht zou bezien.

[verzoekster] zou ons op de hoogte houden wanneer er iets bekend zou worden van de zaak.
Op een vrijdagavond (19 febr. 2016) kreeg ik ineens allerlei appjes van collega’s dat ik op internet moest kijken want die dag was de zaak van [verzoekster] en haar partner behandeld. Het gonsde door de organisatie heen. [verzoekster] , ambulanceverpleegkundige verdacht van handel in kamarga (illegaal middel). Ik heb vervolgens hierop meteen contact gezocht met zowel (…) (directeur-bestuurder) als [persoon 1] (teammanager). In overleg hebben we besloten die avond/weekend niets te doen, maar het maandag gezamenlijk te bespreken om vervolgens [verzoekster] op non-actief te zetten tot het vonnis bekend zou zijn.

En na overleg die maandag hebben we in een gesprek [verzoekster] die dinsdag erna op non-actief gezet. [verzoekster] vond het verschrikkelijk vooral omdat ze niets gedaan zou hebben, het waren allemaal leugens in de krant en er klopte niets van. Ik moest de advocaat van haar partner maar bellen die zou beamen dat ze meegesleurd werd in zijn verhaal. (…) (…) Hierop vroeg [verzoekster] mij nog of ik haar zou ontslaan waarop ik wederom heb aangegeven dat ik eerst het vonnis afwacht.
Inderdaad heb ik de week erna een telefonisch gesprek gehad met de advocaat van haar partner. Volgens hem werd/is [verzoekster] meegesleurd in het verhaal van de partner. De bewijzen zijn vooral tegen hem gericht. Het bewijs in de telefoon van [verzoekster] was er ook wel, maar de politie had verzuimd aan te tonen dat er een bepaald middel zit in de pillen, dus volgens hem zou [verzoekster] vrijgesproken moeten worden.

(…)
Kortom in mijn ogen is de waarheid stukje bij beetje door [verzoekster] verteld of naar buiten gekomen via de pers. Het begon allemaal met haar partner en de beschuldigen en het is geëindigd met haar deelname in handel in kamarga. Haar gedrag in dit gehele proces laten in mijn ogen kanten zien die niet passen bij een professionele verpleegkundige/medewerker. Het vertrouwen in haar als medewerker is ernstig beschadigd.”

4 De verzoeken in eerste aanleg en de beoordeling daarvan

4.1

[verweerster] heeft in eerste aanleg de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst tussen haar en [verzoekster] op grond van artikel 7:671b lid 1 aanhef onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te ontbinden primair op grond van artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub e BW, subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub g BW en meer subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub h BW.

4.2

[verzoekster] heeft primair afwijzing van de verzoeken bepleit en subsidiair bij wijze van tegenverzoek verzocht aan haar ten laste van [verweerster] een transitievergoeding toe te kennen van € 10.221,- bruto en een billijke vergoeding van € 50.000,- bruto op grond van artikel 7:671b lid 8 aanhef en sub c BW wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] .

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de g-grond ontbonden met ingang van 1 juni 2016, aan [verzoekster] de transitievergoeding van € 10.221,- bruto toegekend en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoekster] aan haar een billijke vergoeding toe te kennen, afgewezen.

5 De beoordeling in hoger beroep


In het principaal en in het incidenteel hoger beroep

5.1

[verzoekster] heeft in het principaal hoger beroep twee beroepsgronden en [verweerster] heeft in het incidenteel hoger beroep één beroepsgrond tegen de beschikking van
28 april 2016 aangevoerd. Beide partijen hebben hun beroepsgronden als grieven aangeduid. Het hof zal de terminologie van partijen volgen.

5.2

Met de twee grieven in het principaal hoger beroep komt [verzoekster] op tegen het oordeel van de kantonrechter (in rechtsoverweging 4.5 en 4.6 van de bestreden beschikking) dat de door [verweerster] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond rechtvaardigt. In grief 1 in het incidenteel hoger beroep klaagt [verweerster] er - ook - over dat de kantonrechter ten onrechte de arbeidsovereenkomst niet op de e-grond heeft ontbonden. De vraag of de kantonrechter de arbeidsovereenkomst had moeten ontbinden op de e-grond, zou ook aan de orde komen in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep indien in het principaal hoger beroep zou worden geoordeeld dat de kantonrechter ten onrechte de arbeidsovereenkomst op de g-grond heeft ontbonden. Gelet op het debat in het principaal en in het incidenteel hoger beroep zal het hof de beoordeling toespitsen op de vraag of het door [verweerster] aangevoerde feitencomplex ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond rechtvaardigde. Het hof overweegt het volgende.

5.3

[verzoekster] is met ingang van 1 februari 2009 bij [verweerster] in dienst getreden als ambulanceverpleegkundige. Een ambulanceverpleegkundige is een gespecialiseerd verpleegkundige, die BIG-geregistreerd dient te zijn. [verzoekster] was tijdens haar dienstverband BIG-geregistreerd. In deze procedure staat vast dat [verzoekster] tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden twee keer een strip met Kamagra pillen, een medicijn dat erectie bevorderend werkt, aan collega-chauffeurs op de ambulance heeft verstrekt. Deze pillen lagen in losse strips in een kledingkast in de woning van [verzoekster] en haar partner. [verzoekster] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat haar partner, voordat zij een relatie met hem kreeg, bij het toenmalige ministerie van Defensie werkzaam was geweest. Haar partner was via een “contact” bij het ministerie van Defensie in het bezit van deze pillen gekomen.

5.4

[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij ertoe over is gegaan aan haar collega-chauffeurs een strip Kamagra pillen te geven, nadat deze collega’s haar - tijdens de ritten op de ambulance - hadden verteld dat zij impotentieproblemen hadden, dat zij zich hiervoor schaamden en niet naar de huisarts durfden te gaan. Volgens [verzoekster] heeft zij haar collega’s slechts willen helpen. Zij had de pillen immers in huis en zag er, zoals zij herhaaldelijk heeft benadrukt, geen enkel kwaad in om deze aan haar collega’s te geven.

5.5

Met de hiervoor omschreven handelwijze van [verzoekster] verliest [verzoekster] uit het oog dat zij weliswaar medisch geschoold is, maar dat zij geen arts is. Het hof is van oordeel dat [verzoekster] , vanuit haar medische achtergrond, haar collega’s naar de huisarts had dienen te verwijzen en niet zelf had moeten gaan “dokteren”, ook omdat gesteld noch gebleken is dat zij als collega bekend was met de medische (voor)geschiedenis van haar collega’s. Het hof acht hierbij van belang dat [verzoekster] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft verklaard (zie rechtsoverweging 4.6 van de bestreden beschikking) dat zij haar collega’s aan wie zij de pillen heeft verstrekt geen bijsluiter heeft gegeven en evenmin uitleg. Zij heeft de pillen onverpakt aan haar collega’s gegeven. Op grond hiervan en mede gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3 met betrekking tot de herkomst van de pillen is overwogen, dient als vaststaand te worden aangenomen dat [verzoekster] aan haar collega’s illegale medicijnen heeft verstrekt. Als juist is, zoals [verzoekster] heeft gesteld en [verweerster] gemotiveerd heeft betwist, dat de Kamagra pillen via bol.com verkrijgbaar waren, valt niet te verklaren waarom [verzoekster] haar collega’s dan niet simpelweg naar bol.com heeft verwezen.

5.6

[verzoekster] heeft ter gelegenheid van de behandeling van haar strafzaak bij de rechtbank (zie het proces-verbaal, zoals deels geciteerd in rechtsoverweging 3.11) verklaard dat de pillen van invloed kunnen zijn op het welbevinden, dat de hartslag erdoor wordt verhoogd en dat het gebruik van de pillen gevaarlijk kan zijn in combinatie met autorijden. Dit betekent dat [verzoekster] met het verstrekken van de Kamagra pillen aan haar collega’s een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat schade aan de gezondheid van haar collega’s zou ontstaan. Zij heeft voorts de veiligheid van anderen (zoals de te vervoeren persoon in de ambulance of deelnemers aan het verkeer) op het spel gezet gelet op de invloed die het gebruik van de pillen kan hebben op de rijvaardigheid (door [verzoekster] zelf aangeduid als gevaarlijk). Het is een feit van algemene bekendheid dat een ambulance ingeval van noodsituaties met zeer hoge snelheid rijdt.

5.7

De omstandigheid dat [verzoekster] slechts twee keer een strip met pillen aan haar collega’s heeft verstrekt maakt haar handelwijze, mede gelet op de aard van het medicijn, niet minder verwijtbaar. [verzoekster] had in haar functie als ambulanceverpleegkundige beter moeten weten.

5.8

Daarnaast is van belang dat [verzoekster] naar het oordeel van het hof op cruciale momenten heeft nagelaten [verweerster] juist en volledig te informeren met betrekking tot haar (strafrechtelijk) handelen. Naar aanleiding van de huiszoeking bij [verzoekster] en haar partner in de zomer van 2015 heeft [verzoekster] op 10 juni 2015 een e-mail aan haar collega’s gezonden, waarin zij onder andere schrijft vol ongeloof in de krant te hebben gelezen dat haar partner op grond van verdenking van een aantal strafbare feiten is aangehouden. Uit de in rechtsoverweging 3.16 vermelde schriftelijke verklaring van [persoon 1] blijkt dat [verzoekster] [persoon 1] heeft ingelicht over de huiszoeking, waarbij zij heeft aangegeven dat er sprake was van een grote vergissing, dat er niets aan de hand was en dat publicaties in kranten over de betrokkenheid van haar partner bij strafbare feiten allemaal leugens waren. Het hof is van oordeel dat de eventuele verdenkingen tegen de partner van [verzoekster] niet van belang zijn voor de arbeidsverhouding tussen [verweerster] en [verzoekster] . Dit standpunt heeft ook [verweerster] steeds ingenomen en naar [verzoekster] verwoord. Ervan uitgaande dat in de maanden na de huiszoeking het zwaartepunt lag op de verdenkingen tegen de partner van [verzoekster] , dan is deze situatie naar het oordeel van het hof in ieder geval ingrijpend gewijzigd op of omstreeks 8 december 2015. Rond dat tijdstip heeft [verzoekster] een brief van het arrondissementsparket in Oost Nederland ontvangen, waarin haar een afschrift is gezonden van een nog te betekenen dagvaarding om op 19 februari 2016 te verschijnen voor de politierechter. In randnummer 6 van haar hoger beroepschrift heeft [verzoekster] aangevoerd dat zij op 18 januari 2016 ontdekte dat zij op 19 februari 2016 niet moest verschijnen voor de politierechter maar voor de meervoudige strafkamer, tegelijk met de behandeling van de strafzaak tegen haar partner. Vast staat dat op 19 januari 2016 een gesprek tussen [verzoekster] , haar leidinggevende [persoon 1] en de manager ambulancezorg [persoon 2] heeft plaatsgevonden. In dat gesprek is de verstrekking door [verzoekster] van (een) Kamagra pil(len) aan de orde geweest. Volgens [verzoekster] heeft [persoon 2] tijdens dit gesprek aangegeven niet te kunnen geloven dat [verzoekster] voor twee stripjes voor de meervoudige kamer moest komen (zie randnummer 6 van het hoger beroepschrift). Hierin ligt naar het oordeel de kern van het aan het adres van [verzoekster] gemaakte verwijt. Tegen [verzoekster] zelf is een strafzaak aanhangig gemaakt, waarbij zij niet alleen is gedagvaard in verband met het verstrekken van Kamagra pillen. Zij is ook gedagvaard voor andere strafbare feiten. [verzoekster] had [verweerster] op dat moment hieromtrent volledige openheid van zaken moeten geven, ongeacht de eventuele uitkomst van de strafzaak tegen haar. Dat heeft zij nagelaten. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat zij aan [verweerster] alleen maar mededeling heeft gedaan over het verstrekken van twee strippen Kamagra pillen, niet over de andere feiten die in de dagvaarding stonden vermeld, “dat was niet haar verantwoordelijkheid”. [verzoekster] heeft hiermee niet alleen onjuiste/onvolledige informatie verstrekt aan [verweerster] , maar ook haar handelwijze en de tegen haar aanhangig gemaakte strafzaak gebagatelliseerd. De publicatie in onder andere het dagblad [naam dagblad] op 24 februari 2016 waarin [verzoekster] onder de noemer [verzoekster] ambulancemedewerker wordt vermeld als persoon die nep viagra aan collega’s heeft uitgedeeld (zie de brief van 24 februari 2016 van [verweerster] aan [verzoekster] ) heeft het imago van [verweerster] ernstig geschaad. [verweerster] vervult een publieke functie. De burger moet onverkort kunnen vertrouwen op de kwaliteit en vooral de professionaliteit van haar organisatie en van de medewerkers die bij haar in dienst zijn.

5.9

Op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond gerechtvaardigd was. Herplaatsing van [verzoekster] bij [verweerster] destijds - het betreft hier een beoordeling ex tunc - binnen de in artikel 10 lid 2 van de Ontslagregeling vermelde opzegtermijn, bedoeld in artikel 7:672 lid 2 BW, lag dan ook niet in de rede (artikel 7:669 lid 1 BW). Overigens heeft [verzoekster] geen beroepsgrond gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.8 van de bestreden beschikking dat herplaatsing van [verzoekster] niet in de rede ligt.

5.10

De grieven in het principaal hoger beroep falen, zodat de primaire verzoeken in hoger beroep onder A en B niet toewijsbaar zijn. [verzoekster] heeft geen grief gericht tegen rechtsoverweging 4.10 van de bestreden beschikking, waarin de kantonrechter het subsidiaire verzoek van [verzoekster] om aan haar een billijke vergoeding toe te kennen op de grond dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] , heeft afgewezen. Dit betekent dat ook het subsidiaire verzoek in hoger beroep onder C moet worden afgewezen.

5.11

Het hof zal het hoger beroep van [verzoekster] verwerpen. [verzoekster] dient, als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van het principaal hoger beroep te worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 718,- voor griffierecht en € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten, tarief II in hoger beroep), te vermeerderen met de door [verweerster] verzochte wettelijke rente.

5.12

De grief in het incidenteel hoger beroep is terecht voorgesteld voor zover deze betrekking heeft op de grond voor de ontbinding. Met hetgeen hieromtrent in het voorgaande is overwogen heeft het hof invulling gegeven aan hetgeen [verweerster] onder V van het petitum in het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep heeft verzocht.

In het incidenteel hoger beroep voorts

5.13

Grief 1 in het incidenteel hoger beroep is voorts gericht tegen de beslissing van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.12 van de bestreden beschikking dat [verweerster] aan [verzoekster] een transitievergoeding van € 10.221,- bruto verschuldigd is en tegen de in het dictum van deze beschikking omschreven veroordeling van [verweerster] om deze transitievergoeding aan [verzoekster] te betalen.

5.14

Op grond van artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW is de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.
In de parlementaire geschiedenis op de Wwz (Kamerstukken II 2013/14, 33818, p. 39-40).

zijn de volgende voorbeelden gegeven waarin sprake is van ernstig verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer:

- de situatie waarin de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt;

- de situatie waarin de werknemer in strijd met de eigen in de praktijk toegepaste en voor de werknemer kenbare gedragsregels van de organisatie van de werkgever, geld leent uit de bedrijfskas en zulks leidt tot een vertrouwensbreuk;

- de situatie waarin de werknemer controlevoorschriften bij ziekte, herhaaldelijk, ook na toepassing van loonopschorting, niet naleeft en hiervoor geen gegronde reden bestaat;

- de situatie waarin de werknemer veelvuldig en zonder gegronde reden te laat op zijn werk verschijnt, hierdoor de bedrijfsvoering wordt belemmerd en de werkgever de werknemer hierop tevergeefs heeft aangesproken;

- de situatie waarin de werknemer op oneigenlijke wijze heeft geprobeerd zijn productiecijfers gunstiger voor te stellen en hij hierdoor het vertrouwen van de werkgever ernstig heeft beschaamd.

5.15

Het hof is van oordeel dat de combinatie van feiten en omstandigheden die hiervoor in rechtsoverweging 5.3 tot en met 5.8 zijn weergegeven en waarnaar het hof verwijst, als ernstig (cursivering door het hof) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] in de zin van artikel 7:673 lid 7 onder c BW moeten worden gekwalificeerd. [verweerster] is dan ook geen transitievergoeding verschuldigd aan [verzoekster] .

5.16

Op grond van artikel 7:673 lid 8 BW kan de rechter de transitievergoeding, in afwijking van artikel 7:673 lid 7 onder c BW, geheel of gedeeltelijk aan de werknemer toekennen indien het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De in dit artikel omschreven formulering “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar” brengt tot uitdrukking, evenals dit het geval is bij toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW, dat de rechter de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten en dat deze formulering dan ook niet mag worden bekort tot “strijd met de redelijkheid en billijkheid”. In de parlementaire geschiedenis van artikel 7:673 lid 8 BW is als voorbeeld genoemd een relatief kleine misstap na een heel lang dienstverband (Memorie van Toelichting Kamerstukken II 33 818, nr 3, p. 113).

5.17

[verzoekster] is op 1 februari 2009 bij [verweerster] in dienst getreden en had geen heel lang dienstverband bij [verweerster] . Voorts is naar het oordeel van het hof geen sprake (geweest) van een relatief kleine misstap van [verzoekster] . De door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden - die [verweerster] op zichzelf niet heeft betwist - te weten dat zij als ambulanceverpleegkundige altijd goed heeft gefunctioneerd en dat zij zich gedurende haar dienstverband altijd voor meer dan 100% heeft ingezet - zijn, in het licht van de aard en ernst van de aan het adres van [verzoekster] gemaakte verwijten, van onvoldoende gewicht om te oordelen dat het geheel of gedeeltelijk niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.18

De grief in het incidenteel hoger beroep slaagt voor zover het de door de kantonrechter toegewezen transitievergoeding betreft. Op dit punt dient de bestreden beschikking te worden vernietigd. Het hof zal [verzoekster] veroordelen het (bruto) bedrag van de transitievergoeding ad € 10.221,-, aan [verweerster] terug te betalen, aangezien de transitievergoeding in 2016 aan [verzoekster] is uitbetaald en de terugbetaling in 2017 dient plaats te vinden, dit bedrag te vermeerderen met de door [verweerster] verzochte wettelijke rente en binnen de door [verweerster] verzochte termijn.

5.19

Het hof zal [verzoekster] , als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van de eerste aanleg en in de kosten van het incidenteel hoger beroep veroordelen. De kosten aan de zijde van [verweerster] wat betreft de eerste aanleg worden tot aan de bestreden beschikking vastgesteld op € 400,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief. De kosten aan de zijde van [verweerster] zullen wat betreft het incidenteel hoger beroep worden vastgesteld op € 894,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (de helft van het tarief in het principaal hoger beroep), te vermeerderen met de door [verweerster] verzochte wettelijke rente en nakosten.

6
6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in het principaal hoger beroep
verwerpt het hoger beroep van [verzoekster] ;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep tot aan deze beschikking vastgesteld op € 718,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

in het incidenteel hoger beroep


vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo) van 28 april 2016 voor zover het de veroordeling van [verweerster] betreft om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen en voor zover het de in deze beschikking uitgesproken proceskostenveroordeling betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van de transitievergoeding af;

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster] binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking de transitievergoeding van € 10.221,- terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag van de algehele voldoening;


veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten in eerste aanleg, tot aan de bestreden beschikking aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 400,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.


veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 894,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [verzoekster] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.


in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

verklaart deze beschikking, voor zover het de hierin vermelde betalingsveroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B. Knottnerus, J.H. Kuiper en S.C.P. Giesen en is tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.