Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7189

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
24-08-2017
Zaaknummer
21-000303-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:37
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met dodelijke afloop. Het hof is – evenals de rechtbank – van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden, waardoor hij een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt. Ten gevolge van dit ongeval is één passagier overleden, heeft één passagier zwaar lichamelijk letsel bekomen en heeft een derde passagier zodanig letsel bekomen dat deze tijdelijk verhinderd is geweest in de uitoefening van zijn normale bezigheden. Ter zake van de vierde passagier bevat het dossier onvoldoende informatie omtrent het opgelopen letsel om de conclusie te kunnen dragen dat er sprake is (geweest) van zwaar lichamelijk letsel of een tijdelijke verhindering, zodat op dit punt een partiële vrijspraak volgt. Anders dan de rechtbank, legt het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaren op. Naast voornoemde gevangenisstraf, legt het hof de maximale taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis op, en wordt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor in totaal 3 jaren ontzegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000303-17

Uitspraak d.d.: 24 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 januari 2017 met parketnummer 18-730393-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 augustus 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een deelnameverplichting aan de gedragsinterventie ‘cognitieve vaardigheden’. Daarnaast heeft de advocaat-generaal de oplegging van een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaar gevorderd. Deze op schrift gestelde vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. T. van der Goot, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van 5 januari 2017 door de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Door de rechtbank is in de onderhavige zaak bewezenverklaard dat verdachte op 13 april 2016 zeer onvoorzichtig heeft gereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen en [slachtoffer 4] zodanig letsel heeft bekomen dat hij tijdelijk verhinderd is geweest in de normale uitoefening van zijn bezigheden. De rechtbank heeft verdachte hiervoor een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van één jaar, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en deelname aan een gedragsinterventie. Daarnaast is door de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie jaren opgelegd.

Het hof zal dit vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof op meerdere onderdelen – de tekst van de bewezenverklaring, de kwalificatie en de opgelegde straf – tot een andersluidende beslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 13 april 2016 te of bij [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto, merk Peugeot, type 206, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend,

komende uit de richting [plaats 2] en gaande in de richting van [plaats 1] , alwaar ter plaatse een maximumsnelheid geldt van 80 km/u,

terwijl hij in genoemde personenauto vier passagiers vervoerde en in die auto slechts drie veiligheidsgordels voor passagiers waren aangebracht, en/of

terwijl hij wist dat kort daarvoor nog neerslag was gevallen en het wegdek ter plaatse nog nat was, en/of

terwijl hij wist dat zijn auto in bochten snel uitbreekt (waarbij de voorkant of de achterkant van de auto wegglijdt), althans dat zijn auto meer uitbreekt wanneer er meer personen in zijn auto zitten, te rijden met een snelheid van ongeveer 98 km/u of meer, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan gezien de situatie ter plaatse en de (weers)omstandigheden was toegestaan en/of verantwoord was, en/of

nadat hij op hetzelfde weggedeelte op een bepaald moment had gemerkt dat de achterwielen van die personenauto uitbraken en/of dreigden uit te breken, (vervolgens) met onverminderde snelheid is doorgereden, althans zijn weggedrag niet zodanig heeft aangepast als gezien de situatie ter plaatse noodzakelijk was, en/of

waardoor (vervolgens), toen de weg ter plaatse een bocht naar links maakte, verdachte de controle over de personenauto is verloren en/of de achterzijde van de personenauto naar rechts is uitgebroken en/of in een drift naar de in verdachtes rijrichting gezien linkerzijde van de weg terecht is gekomen, en/of

(vervolgens) tegen een boom is gebotst en in de naastgelegen sloot terecht is gekomen,

- waardoor [slachtoffer 1] werd gedood, en/of

- waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen, een gebroken neus en een scheurtje in de schedel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of

- waardoor [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig traumatisch hersenletsel en/of ernstig inwendig buik- en borstletsel en/of diverse fracturen over het hele lichaam, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of

- waardoor [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel, te weten een vinger uit de kom en/of meerdere wonden en/of een gescheurde milt en/of een longkneuzing, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:

hij op of omstreeks 13 april 2016 te of bij [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Peugeot, type 206, kenteken [kenteken] ) , daarmee rijdende op de weg, [adres] , komende uit de richting [plaats 2] en gaande in de richting van [plaats 1] , alwaar ter plaatse een maximumsnelheid geldt van 80 km/u,

terwijl hij in genoemde personenauto vier passagiers vervoerde en in die auto slechts drie veiligheidsgordels voor passagiers waren aangebracht, en/of

terwijl hij wist dat kort daarvoor nog neerslag was gevallen en het wegdek ter plaatse nog nat was, en/of

terwijl hij wist dat zijn auto in bochten snel uitbreekt (waarbij de voorkant of de achterkant van de auto wegglijdt), althans dat zijn auto meer uitbreekt wanneer er meer personen in zijn auto zitten,

heeft gereden met een snelheid van ongeveer 98 km/u of meer, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan gezien de situatie ter plaatse en de (weers)omstandigheden was toegestaan en/of verantwoord was, en/of

nadat hij op hetzelfde weggedeelte op een bepaald moment had gemerkt dat de achterwielen van die personenauto naar uitbraken en/of dreigden uit te breken, (vervolgens) met onverminderde snelheid is doorgereden, althans zijn weggedrag niet zodanig heeft aangepast als gezien de situatie ter plaatse noodzakelijk was, en/of

waardoor (vervolgens), toen de weg ter plaatse een bocht naar links maakte, verdachte de controle over de personenauto is verloren en/of de achterzijde van de personenauto naar rechts is uitgebroken en/of in een drift naar de in verdachtes rijrichting gezien linkerzijde van de weg terecht is gekomen, en/of

(vervolgens) tegen een boom is gebotst en in de naastgelegen sloot terecht is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunten

Openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel hebben bekomen.

Verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep zijn in eerste aanleg gevoerde verweren grotendeels herhaald. Door de verdediging is opnieuw bepleit dat – gelet op de aard en ernst van de zaak – door verdachte geen afstand van consultatiebijstand had kunnen worden gedaan, zodat de bij de politie afgelegde verklaring van verdachte, die zonder consultatiebijstand tot stand is gekomen, niet voor het bewijs gebezigd kan worden. Met betrekking tot het tenlastegelegde feit heeft de raadsman betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zwaar lichamelijk letsel, dan wel lichamelijk letsel waaruit een tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, hebben bekomen, nu het dossier op dit punt onvoldoende informatie bevat. Tot slot heeft de raadsman bepleit dat alleen de minst zware vorm van schuld, namelijk aanmerkelijk onvoorzichtig, bewezenverklaard kan worden, nu verdachte in de kern alleen verweten kan worden dat hij sneller reed dan ter plaatse verantwoord was. Voor de overige tenlastegelegde onderdelen die een zwaardere vorm van schuld zouden moeten dragen, is – om verschillende redenen – onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, aldus de raadsman.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Afstand van consultatiebijstand

Het hof zal verdachtes verklaring zoals afgelegd bij de politie niet voor het bewijs bezigen. Het door de raadsman gevoerde verweer ten aanzien van het al dan niet afstand kunnen doen van het recht op consultatiebijstand in de onderhavige zaak behoeft daarom geen bespreking.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994

Voor de beoordeling van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In het algemeen valt niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Het hof stelt in dit kader vast dat niet ter discussie staat dat verdachte, zoals primair tenlastegelegd, zich op 13 april 2016 als bestuurder van een Peugeot 206 zodanig gedragen heeft dat een aan zijn schuld te wijten ongeval heeft plaatsgevonden. De vraag ligt voor welke mate van schuld bewezenverklaard kan worden. Overeenkomstig het vonnis van de rechtbank, is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, in het onderhavige geval geen sprake is geweest van roekeloosheid, de zwaarste vorm van schuld. Centraal staat de vraag of verdachtes rijgedrag aangemerkt moet worden als aanmerkelijk onvoorzichtig, de laagste gradatie van schuld zoals door de raadsman voorgesteld, of zeer onvoorzichtig, zoals de advocaat-generaal in lijn met het vonnis van de rechtbank heeft betoogd.

Het hof acht bij de beoordeling van de mate van schuld aan het ongeval de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

Rijgedrag van verdachte

Het ongeval heeft op 13 april 2016 rond half 8 ‘s avonds plaatsgevonden op [adres] , een doorgaande weg tussen [plaats 2] en [plaats 1] met meerdere bochten. Aan weerszijden van de weg staan bomen en er geldt een maximumsnelheid van 80 km/u. Verdachte kwam op de bewuste avond uit de richting van [plaats 2] . Hoe hard verdachte vlak voor of tijdens het ongeval gereden heeft, is achteraf niet meer exact vast te stellen. Het dossier bevat op dit punt wel enkele aanwijzingen of indicaties, maar uit het dossier volgt niet duidelijk hoe betrouwbaar deze gegevens zijn. Anders dan de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat deze aanwijzingen onvoldoende houvast bieden om aan te nemen dat verdachte met een aanzienlijk hogere snelheid heeft gereden dan toegestaan en verantwoord was. Wel blijkt zonder meer dat de door verdachte aangehouden snelheid te hoog is geweest: hoger dan toegestaan en voor de situatie ter plekke verantwoord was. In dit kader volgt ook uit verschillende verklaringen dat verdachte voorafgaand aan het ongeval in negatieve zin is opgevallen door zijn snelheid en rijgedrag.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij – rijdend met voornoemde te hoge snelheid – in een bocht naar links de controle over zijn auto is verloren, waarna deze is weggegleden. Uit de analyse van het verkeersongeval blijkt dat verdachtes auto in een drift in de linkerberm terecht is gekomen, waar deze op een boom is gebotst en vervolgens in de naastgelegen sloot is beland. Kort na het ongeval heeft verdachte naar verschillende personen WhatsAppberichten gestuurd over – onder meer – de toedracht van het ongeval. Verdachte schrijft in deze berichten: “Achterkant brak uit.. Zou bijsturen zoals ik normaal doe want hij breekt fcking snel uit… Maar toen drifte die door.”, “Bocht naar rechts gleed ie al, corrigeer em. Bocht naar links gaat ie weer en toen draaide die door?” en “pak bocht naar rechts en voel auto glijden.. Ga bocht naar links en weer glijdt de auto”. Anders dan de raadsman heeft bepleit, leidt het hof uit voornoemde berichten af dat verdachte in de bocht voorafgaand aan de bocht waar het ongeval heeft plaatsgevonden al de controle over zijn auto dreigde te verliezen. Verdachte heeft – aldus wetende dat zijn auto snel uitbreekt – naar aanleiding hiervan echter niet zijn rijgedrag aangepast door zijn snelheid te matigen, maar, zo volgt uit zijn verklaring ter zitting in eerste aanleg, dit signaal volledig genegeerd.

Onvoldoende veiligheidsgordels

Tijdens voornoemde rit, zaten in verdachtes auto – naast verdachte zelf – vier jonge passagiers, namelijk [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Voor deze vier passagiers waren slechts drie autogordels beschikbaar. In zoverre is het tenlastegelegde ontbreken van de vierde autogordel feitelijk juist en kan dit op grond daarvan wettig en overtuigend bewezen worden. Het ontbreken van deze autogordel is echter niet van belang voor de vaststelling van de mate van schuld aan het ongeval. Het ontbreken van de vierde autogordel is niet redengevend geweest voor het ontstaan van het ongeval, maar alleen van invloed geweest op de ernst van de gevolgen van het ongeval voor degene die geen gordel kon dragen, in dit geval [slachtoffer 1] . Dit maakt dat het ontbreken van deze autogordel niet kan bijdragen aan het bepalen van de mate van schuld aan het ontstaan van het ongeval. Het hof zal dit dan ook niet in die zin meewegen.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat verdachte te hard heeft gereden. Niet alleen zomaar te hard, maar verdachte heeft er kennelijk een zodanige rijstijl op nagehouden, dat hij in één van de bochten van [adres] zijn auto nog maar net onder controle kon houden, nadat deze in de bocht dreigde uit te breken of weg te glijden. Ondanks deze waarschuwing, heeft verdachte zijn rijgedrag op geen enkele wijze aangepast, waarna hij in de daaropvolgende bocht de controle over zijn auto volledig is kwijtgeraakt, met een zeer ernstig eenzijdig verkeersongeval tot gevolg. Het hof acht verdachtes rijgedrag, met name het niet corrigeren vanuit de eerdere – al zeer gevaarlijke – situatie, dermate ernstig, dat het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel is dat verdachte, door zich als bestuurder van een auto op deze wijze te gedragen zeer onvoorzichtig heeft gereden. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Gevolgen

Met de rechtbank, advocaat-generaal en de raadsman, is het hof van oordeel dat vastgesteld kan worden dat [slachtoffer 1] ten gevolge van het ongeval is komen te overlijden en [slachtoffer 3] door dit ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Het hof is van oordeel dat uit het dossier volgt dat de overige inzittenden – [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] – door het ongeval eveneens lichamelijk letsel hebben opgelopen. Met betrekking tot de vraag of dit letsel geduid kan worden als zwaar lichamelijk letsel en/of een tijdelijke verhindering zoals ten laste is gelegd, overweegt het hof als volgt.

Bij [slachtoffer 2] zijn ten gevolge van het ongeval een bloeduitstorting op het borstbeen, een gebroken bovenbeen, een breuk in het neusbot en een kneuzingshaard rechtsvoor in het brein, zonder neurologische afwijkingen of uitval, geconstateerd. Er was geen sprake van bloedverlies. Het dossier behelst voor het overige niets omtrent de (geneeskundige) ernst van zijn verwondingen, eventuele ondergane of in de toekomst noodzakelijke operaties of informatie over de tijd die gemoeid zal zijn met zijn herstel.

In eerste aanleg is door de verdediging bepleit dat deze summiere informatie niet de conclusie kan dragen dat – in juridische zin – sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen dat uit het feit dat [slachtoffer 2] onder controle zou zijn bij een chirurg, valt af te leiden dat hij dus geopereerd moet zijn. Terecht heeft de raadsman in hoger beroep opgemerkt dat dit misschien wel zo is, maar dat dit niet uit het dossier blijkt. Ondanks deze in eerste aanleg gevoerde discussie, zijn in hoger beroep geen aanvullende stukken overgelegd door het Openbaar Ministerie of het slachtoffer. De advocaat-generaal heeft in dit kader enkel de conclusie herhaald dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat bij het ontbreken van informatie over de ernst van de verwondingen, de genezingsduur en de eventuele ondergane of in de toekomst nog noodzakelijke operaties, niet zonder meer geconcludeerd kan worden dat bij [slachtoffer 2] sprake is (geweest) van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Evenmin kan uit de wel aanwezige gegevens volgen dat [slachtoffer 2] gedurende enige tijd verhinderd is geweest in de uitoefening van zijn normale bezigheden. Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

[slachtoffer 4] , ten tijde van het ongeval 16 jaar, heeft door het ongeval meerdere wonden, een scheur in de milt en een longkneuzing bekomen. Daarnaast is zijn vinger uit de kom geraakt. Bij hem was sprake van ernstig bloedverlies en storingen in het bewustzijn. De geschatte genezingsduur is meer dan zes maanden. Hoewel over de ernst van het bekomen letsel of ondergane operaties evenmin veel duidelijk wordt, bevat het dossier wel meer informatie over het verloop van het herstel van [slachtoffer 4] . Uit een brief van 25 april 2016 volgt dat [slachtoffer 4] 3 dagen volledig bedrust heeft moeten houden, gevolgd door 4 weken beperkte activiteit. In een schrijven van 12 september 2016 staat dat op 6 mei 2016 geadviseerd is om de schoolactiviteiten heel rustig op te bouwen, in eerste instantie met één uur per dag, met aansluitend een rustdag. Eind juni 2016 gaat hij op drie dagen per week drie uur naar school.

Op grond van het voorgaande is het hof met de rechtbank en de raadsman van oordeel dat onvoldoende uit het dossier blijkt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Voor het bestaan van lichamelijk letsel waardoor een tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, acht het hof echter wel voldoende bewijs aanwezig. Uit de leeftijd van 16 jaar en de stukken uit het dossier leidt het hof af dat [slachtoffer 4] schoolgaand was. Gedurende enkele weken is hij verhinderd geweest in het naar school kunnen gaan, door – zo begrijpt het hof – het letsel ten gevolge van het ongeval. Het hof verwerpt derhalve het door de raadsman gevoerde verweer op dat punt en acht wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer 4] door zijn letsel tijdelijke verhinderd is in de uitoefening van zijn normale bezigheden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op 13 april 2016 bij [plaats 1] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, merk Peugeot, type 206, kenteken [kenteken] , daarmede rijdende over [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig, komende uit de richting [plaats 2] en gaande in de richting van [plaats 1] , alwaar ter plaatse een maximumsnelheid geldt van 80 km/u,

terwijl hij in genoemde personenauto vier passagiers vervoerde en in die auto slechts drie veiligheidsgordels voor passagiers waren aangebracht, en

terwijl hij wist dat zijn auto in bochten snel uitbreekt, te rijden met een hogere snelheid dan gezien de situatie ter plaatse was toegestaan en verantwoord was, en

nadat hij op hetzelfde weggedeelte op een bepaald moment had gemerkt dat de achterwielen van die personenauto uitbraken of dreigden uit te breken, vervolgens met onverminderde snelheid is doorgereden,

waardoor, toen de weg ter plaatse een bocht naar links maakte, verdachte de controle over de personenauto is verloren en de achterzijde van de personenauto naar rechts is uitgebroken en in een drift naar de in verdachtes rijrichting gezien linkerzijde van de weg terecht is gekomen, en

vervolgens tegen een boom is gebotst en in de naastgelegen sloot terecht is gekomen,

- waardoor [slachtoffer 1] werd gedood, en

- waardoor [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig traumatisch hersenletsel en ernstig inwendig buik- en borstletsel en diverse fracturen over het hele lichaam, heeft bekomen en

- waardoor [slachtoffer 4] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte, ten tijde van het ongeval 18 jaar jong en slechts zes weken in het bezit van zijn rijbewijs, heeft op 13 april 2016 op [adres] te [plaats 1] een ernstig eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft zich als bestuurder van een personenauto zeer onvoorzichtig gedragen, door met een te hoge snelheid over voornoemde weg te rijden. Ook nadat verdachtes auto op een zeker moment dreigde uit te breken of uitbrak in één van de bochten van [adres] , heeft verdachte zijn rijgedrag of snelheid niet aan de situatie aangepast. Hij heeft deze waarschuwing – waaruit bleek dat hij de verkeerssituatie niet onder controle had – volledig genegeerd. In de daaropvolgende bocht, is verdachte vervolgens de controle over zijn auto verloren, waarna zijn auto tegen een boom is gebotst en in de naastgelegen sloot terecht is gekomen.

Verdachte had vier jonge passagiers bij zich in de auto. Voor de passagier die in het midden van de achterbank zat, [slachtoffer 1] , was in het geheel geen autogordel aanwezig. Hoewel het ontbreken van deze gordel niet (mede) heeft geleid tot het ongeval, acht het hof het een feit van algemene bekendheid dat de afwezigheid van gordels wel maakt dat de kans op ernstige gevolgen bij een verkeersongeval groter is. Verdachte had als bestuurder van de auto een verantwoordelijkheid voor de passagiers die hij vervoerde. Doordat de auto over onvoldoende gordels beschikte, heeft verdachte deze verantwoordelijkheid veronachtzaamd.

Door voornoemd ongeval is de toen 14-jarige [slachtoffer 1] om het leven gekomen. De overige passagiers – allen jonge mensen in de leeftijd van 16 en 17 jaar – zijn ten gevolge van het ongeval gewond geraakt. Bij [slachtoffer 3] zijn deze verwondingen aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, bij [slachtoffer 4] is sprake geweest van letsel waardoor hij tijdelijk verhinderd is geweest om zijn normale activiteiten – naar school gaan – uit te voeren. Hoewel het hof ter zake van de vierde passagier, [slachtoffer 2] , niet tot een bewezenverklaring komt van zwaar lichamelijk letsel of letsel waardoor tijdelijke verhindering is opgetreden, betekent dit niet – zoals de raadsman terecht ook heeft opgemerkt – dat hij geen letsel heeft bekomen ten gevolge van het ongeval. Dit letsel kan vanwege de vrijspraak op dit punt echter niet worden meegewogen in de strafoplegging.

Verdachtes verkeersgedrag heeft diepe sporen nagelaten in de levens van de betrokkenen en hun families. Met het overlijden van [slachtoffer 1] is aan de nabestaanden een groot en onherstelbaar leed berokkend. Dit gemis is door de moeder van [slachtoffer 1] op indringende wijze verwoord tijdens het ter zitting voorlezen van haar slachtofferverklaring. Het overlijden van [slachtoffer 1] houdt de nabestaanden nog dagelijks bezig en zij hebben allen grote moeite het verlies te verwerken, zo volgt uit de verklaringen. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] en haar moeder volgt dat het ongeval ook voor haar zeer ingrijpende, blijvende, fysieke en psychische gevolgen heeft gehad. Niets is meer zoals voor het ongeval. Hoewel verwacht wordt dat [slachtoffer 4] fysiek volledig zal herstellen van het ongeval, blijkt uit de stukken dat ook hij nog altijd kampt met de psychische impact van het ongeval.

Het ongeval heeft tevens een grote impact gehad op de gemeenschap waarvan verdachte, de slachtoffers en de nabestaanden deel uitmaken. Door verdachtes opstelling vlak na het ongeval, waarbij hij zich uiterst onhandig heeft uitgedrukt via sociale media, zijn tussen verschillende groepen spanningen ontstaan. Uit het dossier volgt dat deze spanningen tot op de dag van vandaag resulteren in onderlinge confrontaties en verwijten over en weer. Deze verstoorde verhoudingen zijn hoogst ongelukkig voor iedereen die direct of indirect betrokken is geweest bij het ongeval. De verschillende aangiftes en meldingen die hieruit voortvloeien, zijn echter niet meer dan aanwijzingen voor de wijze waarop verdachtes gedrag kennelijk ervaren wordt door anderen. Hieraan kunnen in strafvorderlijke zin geen consequenties verbonden worden. Anders dan de advocaat-generaal, ziet het hof dan ook geen aanleiding om dit element in strafverzwarende zin mee te wegen.

In dit verband heeft het hof eveneens in aanmerking genomen dat verdachtes sociaal onhandige reactie na het ongeval niet ontstaan is uit kwade intenties. Uit het reclasseringsrapport d.d. 15 december 2016 blijkt dat deze reactie te verklaren is uit zijn beperkte vaardigheden op sociaal gebied. Uit de verdiepingsdiagnostiek volgt dat verdachtes intelligentie beneden gemiddeld is, waarbij sprake is van een disharmonisch profiel. Dit houdt in dat verdachte non-verbaal sterk is, maar zich slecht in woorden kan uitdrukken. Verdachte is hierdoor slechts in beperkte mate in staat om zijn gevoel te uiten en, wanneer hij dat wel doet, kan dat op een onhandige manier gebeuren. Ondanks deze beperkingen, worden er in de verdiepingsdiagnostiek geen indicaties gevonden voor ontwikkelingsproblematiek of persoonlijkheidsproblematiek. Op maatschappelijk gebied functioneerde verdachte daarnaast – in ieder geval tot het ongeval – naar behoren, zo volgt uit het rapport.

De reclassering ziet in het verloop van verdachtes ontwikkeling geen harde indicaties voor de toepassing van het jeugdstrafrecht en adviseert daarom verdachte af te straffen via het op hem van toepassing zijnde volwassenstrafrecht. Wel wordt geadviseerd om verdachte als bijzondere voorwaarde, naast een meldplicht, ook een deelnameverplichting aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (COVA) op te leggen in verband met zijn beperkte sociale vaardigheden en onhandigheid op dit vlak.

Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn leven momenteel stil staat. Verdacht kampt sinds het ongeval met stress gerelateerde klachten, die na verloop van tijd in intensiteit zijn toegenomen. Hierdoor is verdachte momenteel niet in staat om te werken en volgt hij ook geen opleiding (meer). Zowel bij de reclassering, als in hoger beroep, heeft verdachte aangegeven zich verantwoordelijk te voelen voor het ongeval. Bij de reclassering omschrijft de verdachte zijn eigen rijgedrag achteraf als onverantwoord. Hoewel verdachte moeite heeft om kritisch naar zichzelf en zijn gedrag te kijken, heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wel aangegeven dat hij fouten heeft gemaakt, ook in de nasleep van het ongeval.

Op grond van voornoemde persoonlijke omstandigheden, met name verdachtes sociale beperkingen en jeugdige leeftijd, heeft de raadsman het hof bij pleidooi in overweging gegeven om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Op grond van het reclasseringsrapport ziet het hof echter onvoldoende aanleiding om tot toepassing hiervan over te gaan. Het hof passeert derhalve deze suggestie van de raadsman.

Voorts heeft het hof gelet op het de verdachte betreffende Uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2017, waaruit geen onherroepelijke veroordelingen in het verleden volgen die voor de beoordeling van de onderhavige zaak relevant zijn.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben zowel de advocaat-generaal als verdachtes raadsman de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Vakinhoud Strafrecht (LOVS) aangehaald. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval ten gevolge van een ernstige verkeersfout, zonder dat sprake is geweest van alcoholgebruik, en waarbij het slachtoffer is overleden, wordt een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een rijontzegging voor de duur van 2 jaren als vertrekpunt gehanteerd. Het hof heeft hierop acht geslagen.

Voordat het hof tot een strafoplegging komt, verdient het in zijn algemeenheid opmerking dat het hof zich – evenals de rechtbank – realiseert dat geen enkele straf het hiervoor beschreven leed van de nabestaanden, slachtoffers en hun naasten ongedaan kan maken. De gevolgen zijn onomkeerbaar. Ook verdachte zal als veroorzaker van het ongeval daarmee moeten leren leven. Hierbij moet echter niet uit het oog verloren worden dat verdachte deze noodlottige gevolgen van zijn verkeersgedrag voor anderen evenmin heeft gewild en deze betreurt. Ook dit element heeft bij verkeersongevallen als het onderhavige zijn weerslag op de strafoplegging.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, brengt het hof tot het oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit, alsmede de gevolgen die dit feit heeft gehad. Verdachte dient doordrongen te worden van de ernst van het tentoongespreide rijgedrag op 13 april 2016 en de noodzaak om dit gedrag aan te passen. In de aard van het feit, verdachtes jeugdige leeftijd en zijn persoonlijke omstandigheden, ziet het hof echter aanleiding om de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf fors te matigen. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een deelnameverplichting aan een COVA-training, passend en noodzakelijk. Van het opleggen van één maand gevangenisstraf onvoorwaardelijk gaat tevens een grotere preventieve werking uit op het nakomen van de voorwaarden van het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf. Verdachte ondervindt bij deze strafoplegging aan den lijve wat hem te wachten kan staan, indien hij in het verkeer, dan wel daarbuiten, opnieuw een strafbaar feit pleegt dan wel zich niet aan de opgelegde bijzondere voorwaarden houdt. Op deze wijze beoogt het hof een grotere mate van bewustwording bij verdachte en een blijvend positief effect op verdachtes rijgedrag te bewerkstelligen.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal, ziet het hof aanleiding om naast voornoemde gevangenisstraf, de maximale taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis op te leggen. Tot slot acht het hof het ter bescherming van de verkeersveiligheid noodzakelijk dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor in totaal drie jaar wordt ontzegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat

  • -

    de veroordeelde zich binnen zeven dagen na het onherroepelijke worden van het onderhavige arrest meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 te Leeuwarden. Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht

  • -

    de veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. P.W.J. Sekeris en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier,

en op 24 augustus 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. W.M. van Schuijlenburg is buiten staat om dit arrest te ondertekenen.