Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7188

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
16/01527
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:6251, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Belastingrente. Schending zorgvuldigheidsbeginsel? Onduidelijk papieren aangiftebiljet? Aanspraak aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-09-2017
FutD 2017-2168
V-N Vandaag 2017/2045
V-N 2017/57.11.4

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Belastingkamer

Locatie Arnhem

nummer 16/01527

uitspraakdatum: 22 augustus 2017nummer 06/001470121

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 17 november 2016, nummer AWB 16/2969, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Daarbij is een bedrag van € 83 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de beschikking inzake de belastingrente gehandhaafd.

1.3.

Het door belanghebbende tegen deze uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 27 juli 2017 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, bijgestaan door zijn zoon mr. [A] , alsmede [B] namens de Inspecteur.

1.7.

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende woont in Nederland. Hij is geboren [in] 1923. In het onderhavige jaar (2013) genoot belanghebbende onder meer een (in de private sfeer opgebouwd) pensioen uit Zwitserland ten bedrage van € 8.090. Het heffingsrecht met betrekking tot dit pensioen komt op grond van, kort gezegd, het belastingverdrag Nederland – Zwitserland toe aan de woonstaat (Nederland).

2.2.

Belanghebbende heeft op 27 maart 2014 de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 ingediend. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van het papieren aangiftebiljet voor binnenlandse belastingplichtigen (het zogenoemde P-biljet). In de aangifte is bij vraag 7a het Zwitserse pensioen door belanghebbende opgenomen, onder vermelding van “Schweiz. Ausgleichskasse, Genève” als uitbetalende instantie.

2.3.

De vragen 45 en 45a van het aangiftebiljet behelzen het volgende:

“45 Aftrek om dubbele belasting te voorkomen

Hebt u in deze aangifte U hoeft vraag 45 niet in te vullen. (…)

buitenlandse inkomsten, Nee

uitkeringen of bezittingen

vermeld? En wilt u dubbele Vul Vraag 45 in

belasting voorkomen? Lees Ja

de toelichting bij vraag 45

Landcode Verrekenbare bronbelasting Inkomsten

45a Loon, pensioen en uitkeringen”.

2.4.

In de toelichting bij de vragen 45 en 45a is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“45 Aftrek om dubbele belasting te voorkomen

Woonde u in Nederland en had u bezittingen in het buitenland of inkomsten uit het buitenland? Dan moet u hiervan in Nederland aangifte doen. Ook als de bezittingen of inkomsten in het buitenland al belast waren. Om te voorkomen dat u dubbel belasting moet betalen (in Nederland en in het buitenland), kunt u in de aangifte een verzoek doen om dubbele belasting te voorkomen. Of u deze aftrek kunt krijgen, hangt onder meer af van het belastingverdrag dat Nederland met het betrokken land heeft gesloten. In zo’n verdrag is bepaald welk land over welke inkomsten belasting mag heffen.

(…)

Bij vraag 45a tot en met 45i

Vul deze vragen alleen in als u een verzoek doet om dubbele belasting te voorkomen.

(…)”

2.5.

Belanghebbende heeft in het aangiftebiljet bij vraag 45 het woord ‘Ja’ omcirkeld en heeft bij vraag 45a verwezen naar vraag 7a, aan inkomsten € 8.090 vermeld en een streep gezet bij ‘Verrekenbare bronbelasting’.

2.6.

Naar aanleiding van deze aangifte heeft de Inspecteur met dagtekening 14 juni 2014 een voorlopige aanslag IB/PVV 2013 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend van € 1.208. Op het aanslagbiljet is onder meer het volgende vermeld:

Deze aanslag is voorlopig

Deze aanslag is uitsluitend gebaseerd op de gegevens uit uw aangifte 2013. De Belastingdienst gaat uw gegevens nog controleren. De definitieve aanslag kan afwijken van deze voorlopige aanslag; (…)”

2.7.

De Inspecteur heeft met dagtekening 10 februari 2016 de definitieve aanslag IB/PVV 2013 aan belanghebbende opgelegd. Bij het vaststellen van deze aanslag heeft de Inspecteur belanghebbende ter zake van het Zwitserse pensioen geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend. Over het – eerder bij de voorlopige aanslag verleende maar bij de definitieve aanslag teruggenomen – bedrag van € 1.208 heeft de Inspecteur belanghebbende een bedrag van € 83 aan belastingrente in rekening gebracht. Dit bedrag is berekend over de periode van 1 juli 2014 tot en met 23 maart 2016.

2.8.

Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar aangetekend tegen de beschikking inzake de belastingrente. Het door belanghebbende tegen deze afwijzende uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur belanghebbende terecht belastingrente in rekening heeft gebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de beschikking inzake de belastingrente.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende op de voet van het bepaalde in artikel 30fc, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de onderhavige belastingrente in rekening gebracht. Het bedrag als zodanig – de gehanteerde rentevoet en de periode waarover rente is berekend – is tussen partijen niet in geschil.

4.2.

Belanghebbende betoogt in de kern dat de omstandigheid dat bij de definitieve aanslag van 10 februari 2016 een bedrag van € 1.208 aan door hem te betalen inkomstenbelasting is vastgesteld, louter het gevolg is van een door de Inspecteur bij de regeling van de voorlopige aanslag van 14 juni 2014 gemaakte fout. De Inspecteur heeft immers, aldus belanghebbende, zonder dat daarop in de aangifte aanspraak is gemaakt en in strijd met het belastingverdrag Nederland – Zwitserland, zelfstandig een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting aan hem verleend. Zonder deze fout zou bij de vastgestelde definitieve aanslag – na verrekening van de voorheffingen en voorlopige aanslagen – geen belasting zijn verschuldigd en derhalve ook geen belastingrente. Kennelijk moet dit standpunt van belanghebbende aldus worden begrepen dat het door de Inspecteur in acht te nemen zorgvuldigheidsbeginsel te dezen aan het in rekening brengen van belastingrente in de weg staat (vgl. HR 24 september 2010, nr. 08/03539, ECLI:NL:HR:2010:BM1206).

Aangifte

4.3.

Anders dan belanghebbende betoogt, heeft hij naar het oordeel van het Hof in de aangifte – al dan niet bewust – weldegelijk aanspraak gemaakt op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. De tekst van vraag 45 in het aangiftebiljet, gelezen in samenhang met de gegeven toelichting daarop, kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs niet anders worden verstaan dan dat de vraag ziet op het voorkomen van dubbele belasting in de situatie dat een bepaalde inkomstenbron dubbel, zowel in Nederland als in het buitenland, wordt belast. De vragen 7a, 45 en 45a en de toelichting op deze laatste twee vragen geven duidelijk weer dat enerzijds de buitenlandse inkomsten (bij vraag 7a) moeten worden opgenomen als onderdeel van het belastbare inkomen en anderzijds dat de belastingplichtige (bij vragen 45 en 45a) de inspecteur kan verzoeken heffing over die buitenlandse inkomsten achterwege te laten of te verminderen (aangeduid als aftrek) ter voorkoming van dubbele belasting. Van een onduidelijke en overbodige vraagstelling als door belanghebbende gesteld, is naar het oordeel van het Hof geen sprake. Dat belanghebbende in de aangifte een verzoek heeft gedaan tot toekenning van een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting volgt niet alleen uit het omcirkelen van het woord “ja’ in vraag 45 maar ook uit het invullen van vraag 45a. In de toelichting bij het aangiftebiljet is met betrekking tot vraag 45a tot en met 45i immers nadrukkelijk vermeld “Vul deze vragen alleen in als u een verzoek doet om dubbele belasting te voorkomen”. De omstandigheid dat belanghebbende zich niet ervan bewust was dat hij door aldus te handelen een verzoek tot voorkoming van dubbele belasting heeft gedaan, doet niet eraan af dat de Inspecteur redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat een dergelijk verzoek wel was gedaan.

Voorlopige aanslag

4.4.

Een voorlopige aanlag, die slechts een grondslag schept voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld, pleegt – in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften – door een inspecteur te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde gegevens. Bij de vaststelling van een voorlopige aanslag ligt een grondig onderzoek van de zijde van de belastingdienst derhalve niet voor de hand (vgl. onder meer HR 17 januari 2003, nr. 37.463, ECLI:HR:2003:AF2996). Die werkwijze is, naar het Hof aannemelijk acht, ook in het onderhavige geval gehanteerd. De Inspecteur heeft belanghebbende bij het vaststellen van de voorlopige aanslag van 14 juni 2014 immers bericht dat die aanslag uitsluitend is gebaseerd op de gegevens uit de aangifte 2013. Nu in die aangifte, naar het Hof hiervoor heeft geoordeeld, een verzoek tot toekenning van een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting was opgenomen, althans dat de Inspecteur daarvan redelijkerwijs mocht uitgaan, kan niet worden gezegd dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door dat verzoek aanvankelijk, in het kader van de regeling van de voorlopige aanslag te honoreren. Dat het belastingverdrag Nederland – Zwitserland het heffingsrecht over het pensioen aan Nederland toewijst, doet aan deze conclusie niet af. Hierbij zij overigens nog aangetekend dat genoemd belastingverdrag het heffingsrecht over sommige pensioenen toewijst aan de bronstaat Zwitserland, zodat niet zonder meer duidelijk is dat Nederland altijd mag heffen over Zwitserse pensioenen.

Definitieve aanslag

4.5.

Het stond de Inspecteur, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld en belanghebbende ook niet betwist, vervolgens vrij om de toegekende aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, bij het vaststellen van de definitieve aanslag terug te nemen. Hierdoor was belanghebbende een bedrag van € 1.208 aan belasting verschuldigd geworden.

Belastingrente

4.6

Gelet hierop en op het bepaalde in de leden 1 en 2 van artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen heeft de Inspecteur belanghebbende terecht over dit bedrag belastingrente in rekening gebracht. In aanmerking genomen dat de Inspecteur niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld is er geen grond de beschikking belastingrente te vernietigen of te matigen. Opgemerkt zij voorts nog dat ook geen grond bestaat de belastingrente te matigen op de voet van het derde lid van genoemd artikel 30fc, aangezien de definitieve aanslag niet is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte van belanghebbende.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2017.

De griffier, De voorzitter,

(J.L.M. Egberts) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 22 augustus 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.