Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7187

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
16/01009
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:2353, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:518
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. Varkensfokbedrijf. Omgevingsvergunning. Onverbindende verordening? Publicatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2050
Belastingblad 2017/369
Viditax (FutD), 01-09-2017
FutD 2017-2200
Viditax (FutD), 06-04-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

Nummer 16/01009

uitspraakdatum: 22 augustus 2017

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 juni 2016, nummer AWB 15/2179, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dinkelland (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij factuur (hierna: de legesnota) een bedrag aan leges in rekening gebracht welk bedrag hij, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd.

1.2

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 29 juni 2016 ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2017 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. [A] als zijn gemachtigde, alsmede [B] namens de heffingsambtenaar.

1.6

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende exploiteert een varkensfokbedrijf. Hij heeft op 3 september 2010 een aanvraag ingediend voor omgevingsvergunningen voor het bouwen van een zeugenstal, een biggenstal en een kraamzeugenstal. Belanghebbende heeft voor het in behandeling nemen van de aanvraag een bedrag van – in totaal – € 36.401 aan leges voldaan. De omgevings-vergunningen zijn op 28 februari 2011 afgegeven.

2.2

Belanghebbende heeft de zeugenstal en de biggenstal gebouwd in afwijking van de verleende vergunningen. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat beide stallen volgens de aanvraag in 2010 en de verleende omgevingsvergunning zouden worden uitgevoerd in tweelagenbouw. Zij zijn echter uitgevoerd in één bouwlaag waarbij het zogenoemde dieroppervlak gelijk is gebleven. Dit had een uitbreiding van het oppervlak van de begane grond tot gevolg.

2.3

Een aanvraag van 1 augustus 2013 tot wijziging van de verleende vergunningen is wegens het ontbreken van voldoende gegevens buiten behandeling gesteld. Op 13 december 2013 heeft belanghebbende opnieuw een aanvraag ingediend voor omgevingsvergunningen voor de bouw van een zeugenstal, een biggenstal en de uitbreiding van een vleesvarkensstal. In het desbetreffende aanvraagformulier zijn de bouwkosten, exclusief btw, geschat op respectievelijk € 300.000, € 700.000 en € 32.400, ofwel in totaal op € 1.032.400. Bij besluit van 26 september 2014 hebben burgemeester en wethouders van Dinkelland de omgevingsvergunningen geweigerd omdat de bouw in strijd is met het Bouwbesluit. De weigering staat inmiddels onherroepelijk vast.

2.4

Gelet op de door belanghebbende opgegeven bouwkosten heeft de heffingsambtenaar, wegens het in behandeling nemen van de aanvraag, een bedrag aan leges in rekening gebracht van € 19.156,20 welk bedrag, met toepassing van onderdeel 2.3.1.1.4 van de Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening 2013 (hierna: de Tarieventabel), is berekend over het totaal van de geschatte bouwkosten van € 1.032.400.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de legesnota terecht is vastgesteld, en zo ja of de leges tot een te hoog bedrag in rekening zijn gebracht. Het geschil spitst zich in hoger beroep nog slechts toe op de vraag of de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2013 (hierna: de Legesverordening 2013) verbindende kracht moet worden ontzegd omdat zij niet op de juiste wijze is gepubliceerd en de vraag of bij de berekening van de onderhavige leges rekening moet worden gehouden met de leges die zijn betaald voor het in behandeling nemen van de aanvragen in 2010.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak van de heffingsambtenaar en de legesnota.

3.4

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

In zijn arrest van 19 juni 2015, nr. 14/00520, ECLI:NL:HR:2015:1669, heeft de Hoge Raad – onder meer – het volgende overwogen:

“2.4.1. Het tweede middel faalt eveneens, aangezien het berust op de hiervoor in 2.3.4 verworpen opvatting dat de heffingsambtenaar bij de uitspraak op bezwaar voor de bepaling van de heffingsmaatstaf diende uit te gaan van een raming van de bouwkosten.

2.4.2.

De Hoge Raad merkt hierbij het volgende op. Het middel betoogt dat het voorwerp van de belasting niet overeenkomstig artikel 217 van de Gemeentewet in de Verordening is vermeld, aangezien voor de maatstaven die gelden bij de raming van de bouwkosten in de Tarieventabel wordt verwezen naar normblad NEN 2631. Belanghebbende heeft een afschrift van dit normblad in de bezwaarfase van de Gemeente ontvangen. Een afschrift van dit normblad behoort tot de stukken van het geding en in onderdeel 4.5.3 van de uitspraak van het Hof is dit normblad weergegeven.

2.4.3.

De artikelen 139 en 217 van de Gemeentewet stellen eisen aan de kenbaarheid van de maatstaven waarnaar gemeentebelastingen worden geheven. In een geval waarin de gemeentelijke regelgeving in het kader van de omschrijving van de heffingsmaatstaf verwijst naar NEN‑normen, is aan voormelde eisen, mede naar hun strekking, voldaan indien de gemeente die normen bekendmaakt door terinzagelegging op de wijze die in artikel 139, lid 3, van de Gemeentewet is voorzien voor bijlagen, en desgevraagd papieren afschriften van die normen verstrekt tegen betaling van bedragen die niet hoger zijn dan de tarieven die de gemeente hanteert voor het verstrekken van papieren afschriften van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden. Of in het onderhavige geval aan deze voorwaarden is voldaan kan onbesproken blijven gelet op hetgeen hiervoor in 2.4.1 is overwogen.”

4.2

Tot de stukken behoort een kopie van de officiële publicaties van de gemeente Dinkelland waarin is meegedeeld dat de Legesverordening 2013 met de bijbehorende Tarieventabel kosteloos ter inzage ligt op de afdeling “Burgerzaken en Belastingen”, dat tegen betaling van de kosten afschriften verkrijgbaar zijn en dat bekendmaking heeft plaatsgevonden door opname in het register van vastgestelde belastingbesluiten 2013. De heffingsambtenaar heeft, door belanghebbende niet weersproken, verklaard dat de NEN-normen waarnaar in de tarieventabel wordt verwezen, op gelijke wijze en onder dezelfde voorwaarden ter inzage liggen.

4.3

Gelet op het vorenstaande moet het standpunt van belanghebbende dat aan de Legesverordening 2013 (deels) verbindende kracht moet worden ontzegd omdat de NEN-normen niet tezamen met de Legesverordening 2013 zijn gepubliceerd, worden verworpen. Daar komt bij dat, gelet op de laatste volzin in de hiervoor geciteerde overweging 2.4.3 uit het arrest van de Hoge Raad, een onjuiste bekendmaking van de NEN-normen belanghebbende niet kan baten omdat in het onderhavige geval de heffingsambtenaar niet is uitgegaan van een raming van de bouwkosten met toepassing van die normen.

4.4

Hoofdstuk 7 van Titel 2 van de Tarieventabel luidt als volgt:

“Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een omgevingsvergunning als gevolg van een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging in het project: € 26,50”

4.5

Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de volgende projectbeschrijving een rol gespeeld (pagina 8 van het besluit tot weigering van de omgevingsvergunningen):

“Een nieuw te bouwen zeugenstal en biggenstal wordt gewijzigd uitgevoerd. In plaats van een stal met 2 lagen wordt nu een stal gebouwd die gelijkvloers is. De oppervlakte van de stallen wordt vergroot. Het aantal dieren blijft gelijk. (…)”

4.6

De heffingsambtenaar heeft verklaard dat de aanvragen in 2013 volledig opnieuw zijn beoordeeld, mede in verband met de gewijzigde regelgeving en te hanteren uitgangspunten.

4.7

Gelet op de omschrijving van de wijzigingen in de bouwwerken die door belanghebbende ter zitting ook zijn beaamd (de zeugenstal en de biggenstal) en de omstandigheid dat met betrekking tot een derde onderdeel van de aanvraag, het uitbreiden van de vleesvarkensstal, sprake was van een geheel nieuw onderdeel in het project, is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag van 13 december 2013 betrekking heeft op een, naar de omstandigheden beoordeeld, geringe wijziging van het in 2011 vergunde project.

4.8

Voor andere verminderingen van de verschuldigde leges biedt de legesverordening 2013 geen aanknopingspunten. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft gesteld kan niet leiden tot een vermindering van de legesnota. Voor een andere berekening van de bouwkosten dan vermeld in zijn eigen aanvraag heeft belanghebbende geen concrete gegevens naar voren gebracht.

4.9

Voor dat geval is niet in geschil dat de legesnota op de juiste wijze is vastgesteld. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. N. Djebali, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 22 augustus 2017 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. In zijn plaats tekent mr. R.A.V. Boxem.

De griffier, Namens de voorzitter,

(J.H. Riethorst)

(R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 22 augustus 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.