Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7161

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.178.902
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan het hof eerder heeft geoordeeld, kan de stelling van de betrokkene dat geen bewijsmateriaal is overgelegd niet worden opgevat als een verzoek om toezending van op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 200.178.902

18 augustus 2017

CJIB 182212386

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 18 september 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodzone (bord E1)”, welke gedraging zou zijn verricht op

10 mei 2014 om 23:22 uur op de Schiphol Boulevard te Schiphol met het voertuig met het kenteken [kenteken ].

2. De betrokkene ontkent dat hij de bovengenoemde gedraging heeft verricht. Verder voert hij aan dat hij niet is staande gehouden en dat niet is gebleken dat hij op de genoemde datum hinder, gevaar of ongelukken heeft veroorzaakt. Daarnaast stelt de betrokkene dat hij niet weet waar de overtreding exact is geconstateerd. Tevens verzoekt de betrokkene om het ijkrapport van de gebruikte apparatuur. De betrokkene stelt voorts dat geen bewijsmateriaal is overgelegd van de hem verweten gedraging.

3. Het hof stelt voorop dat de constatering van de gedraging door de verbalisant een visuele waarneming betreft waarbij geen meetapparatuur is gebruikt. Aan het verzoek van de betrokkene om een afschrift van het ijkrapport van de gebruikte apparatuur toe te zenden kan derhalve geen gevolg worden gegeven.

4. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vgl. ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging (vgl. het arrest van dit hof van 28 september 2015, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2015:7246).

5. Het hof stelt op grond van het dossier het volgende vast. De betrokkene heeft bij brief van 4 juli 2014 administratief beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. In deze brief klaagt de betrokkene er onder meer over dat hem geen bewijsmateriaal is overgelegd van de vermeende gedraging. Bij beslissing van 15 augustus 2014 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard.

6. Anders dan het hof eerder heeft geoordeeld, kan de stelling van de betrokkene dat geen bewijsmateriaal is overgelegd van de vermeende gedraging niet worden opgevat als een verzoek om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. Daarom komt het hof niet tot het oordeel dat de officier van justitie niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, zodat dit verweer faalt.

7. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

8. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in: ''Gedragingsgegevens: Zie bijlage pv (het hof leest: proces-verbaal) van bevindingen PL27RP/13-074648. Gedurende 2 minuten zijn er door mij geen laad- en losactiviteiten waargenomen.''

9. In het dossier bevindt zich het aanvullend proces-verbaal d.d. 14 april 2014, waarin de verbalisant op ambtsbelofte verklaart, voor zover van belang:

“Op de luchthaven Schiphol, Schiphol-Centrum, gelegen in de gemeente Haarlemmermeer, geldt een algeheel parkeerverbod. Dit is aangegeven met een zonebord E1, dat langs elke toegangsweg geplaatst is. Dat houdt in dat het parkeerverbod van toepassing is in de gehele zone, totdat men het bord ''einde zone'' gepasseerd is.

Op de Vertrekpassage is een herhalingsbord van het parkeerverbod geplaatst. Hier is ook op het wegdek een afbeelding van het verkeersbord E1 aangebracht. Aan de rechterkant van de Vertrekpassage zijn vakken gemaakt, met daarbij het bord E7 (gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen).

Op de Aankomstpassage geldt ook een parkeerverbod. Tevens zijn er stroken voor het laden en lossen. Deze zijn aangeduid middels een gele onderbroken streep dan wel het bord parkeerverbod (bord E1). (…).

Met grote regelmaat gebeurt het dat voertuigen, waaronder taxi's en voertuigen van ''valet-parking''-bedrijven, gebruik maken van deze laad- en losgelegenheden anders dan voor het onmiddellijk in- en of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. In alle gevallen geldt dat voordat er wordt overgegaan tot het uitschrijven van een Aankondiging van Beschikking, er een pardontijd in acht wordt genomen; de tijd, anders dan de tijd die nodig is voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Tijdens deze pardontijd worden geen van deze activiteiten waargenomen. (…).”

10. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Nu de betrokkene, anders dan de ontkenning dat hij de hem verweten gedraging heeft verricht, geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

11. Naast de enkele ontkenning de gedraging te hebben verricht, stelt de betrokkene dat niet blijkt waar de gedraging exact zou zijn verricht. Uit het zaakoverzicht en de inleidende beschikking blijkt dat de gedraging is verricht op de Schiphol Boulevard te Schiphol. Het uitgangspunt in WAHV-zaken is, dat de inleidende beschikking ten aanzien van het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging voldoende gegevens bevat om de gedraging waarop de beschikking betrekking heeft te individualiseren (vergelijk onder meer Hof Leeuwarden 26 januari 2005, LJN AS8373, gepubliceerd op rechtspraak.nl). Dat brengt mee dat van de betrokkene mag worden verwacht dat hij op basis van de gegevens op de inleidende beschikking - zoals die ook onder 1. zijn vermeld - in staat is de bezwaren tegen die beschikking te formuleren.

12. Uit de verklaring van de verbalisant volgt dat het voertuig stond geparkeerd. Gelet op die verklaring is het hof van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat zich in de onderhavige zaak geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het betrokken voertuig heeft voorgedaan. Aldus mocht worden volstaan met het opleggen van een sanctie aan de kentekenhouder.

13. Met betrekking tot de stelling van de betrokkene dat niet is gebleken dat hij hinder, gevaar of ongelukken heeft veroorzaakt, overweegt het hof dat het verrichten van een gedraging als de onderhavige op zichzelf al het opleggen van een sanctie kan rechtvaardigen. De mogelijkheid tot oplegging van een sanctie als de onderhavige heeft de wetgever niet afhankelijk gesteld van hinder of gevaarzetting. De omstandigheid dat niet is gebleken dat de betrokkene hinder, gevaar of ongelukken zou hebben veroorzaakt geeft dan ook geen aanleiding om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

14. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.