Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7111

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
WAHV 200.208.418
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Officiersappel in verzetsprocedure. Na het onbestelbaar retour ontvangen van de inleidende beschikking, ontstond voor het CJIB op grond van artikel 4, tweede lid, van de WAHV een onderzoeksplicht om het adres na te gaan in de basisregistratie personen of in dit geval bij de Kamer van Koophandel. Bij de KvK stonden twee adressen van de betrokkene geregistreerd, zodat het CJIB niet kon volstaan met het enkel toezenden van de inleidende beschikking het adres dat overeenkwam met het in het kentekenregister opgenomen adres, met name omdat de poststukken gericht aan dit adres telkens onbestelbaar retour werden ontvangen door het CJIB. De inleidende beschikking is niet op de juiste wijze bekend gemaakt. De kantonrechter heeft het verzet terecht gegrond verklaard en het hof bevestigt die beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.208.418

16 augustus 2017

CJIB 192723156

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 15 december 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaats 1].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie op 12 mei 2016 uitgevaardigd dwangbevel gegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter bepaald dat het voldane griffierecht door de griffier zal worden terugbetaald en dat de betrokkene een bedrag van € 59,- aan het CJIB dient te voldoen.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Een dwangbevel als bedoeld in artikel 26 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) kan eerst rechtsgeldig worden uitgevaardigd nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd tot verhaal waarvan het dwangbevel moet dienen, onherroepelijk is geworden. In een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene het verweer voert de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd (en de eerste en tweede aanmaning) niet te hebben ontvangen, is voor de beantwoording van de vraag of de beschikking onherroepelijk is, beslissend of op grond van een in het kader van de procedure van artikel 26 van de WAHV verricht onderzoek, zo nodig aan de hand van door de officier van justitie te verstrekken gegevens, door de kantonrechter wordt vastgesteld dat het verweer van de betrokkene als onjuist moet worden verworpen, omdat blijkt dat deze de beschikking wel heeft ontvangen, dan wel deze niet heeft ontvangen ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid. In beginsel is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat aan één van de voorwaarden is voldaan, maar van een betrokkene mag worden verwacht dat hij niet volstaat met de enkele ontkenning dat hij de beschikking heeft ontvangen, doch voor zover in zijn vermogen ligt, nadere gegevens verschaft ter staving van dat verweer.

2. De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld en voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat indien een beschikking en/of aanmaningen naar een adres van een nevenvestiging zijn gestuurd dat in het kentekenregister geregistreerd staat en is geverifieerd bij de Kamer van Koophandel, er ook nog een afschrift moet worden gestuurd naar het adres van de hoofdvestiging. Op grond van artikel 4 van de WAHV dienen de inleidende beschikking en aanmaningen naar het adres zoals die geregistreerd staat in het kentekenregister te worden gestuurd. Meermaals is in de onderhavige zaak bij de Kamer van Koophandel geverifieerd of dit adres overeen komt met het adres van de nevenvestiging. Nu dit adres overeenkwam, hoefde er niet ook nog een afschrift naar het adres van de hoofdvestiging te worden gestuurd, aldus de officier van justitie.

3. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de WAHV, voor zover hier van belang, geschiedt de bekendmaking van de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd door toezending naar het adres dat de betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief onbestelbaar lijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisregistratie personen vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisregistratie personen opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht bekend te zijn.

4. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de inleidende beschikking en de aanmaningen zijn gestuurd naar het adres zoals staat opgenomen in het kentekenregister, te weten: [adres 2] te [plaats 2]. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB is de inleidende beschikking tweemaal naar dit adres opgestuurd en tweemaal onbestelbaar retour ontvangen. De eerste en tweede aanmaning zijn ook onbestelbaar retour ontvangen door het CJIB. Telkens na het retour ontvangen van de poststukken heeft het CJIB het adres van de betrokkene geverifieerd bij de Kamer van Koophandel.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 11 oktober 2016 blijkt dat als adres van de nevenvestiging geregistreerd staat: [adres 2] te [plaats 2]. Tevens blijkt hieruit dat als adres van de hoofdvestiging geregistreerd staat: [adres 1] te [plaats 1].

5. Indien de inleidende beschikking onbestelbaar retour wordt ontvangen, ontstaat er voor het CJIB op grond van artikel 4, tweede lid, van de WAHV een onderzoeksplicht om het adres van de betrokkene na te gaan in de basisregistratie personen ofwel in dit geval bij de Kamer van Koophandel. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat er twee adressen van de betrokkene geregistreerd stonden. Het CJIB kon in dit geval niet volstaan met het enkel toezenden van de inleidende beschikking naar het adres in [plaats 2], dat overeen kwam met het in het kentekenregister opgenomen adres, met name omdat de poststukken gericht aan dit adres telkens onbestelbaar retour werden ontvangen door het CJIB. Aldus kan niet worden gesteld dat de betrokkene met de beschikking bekend kon worden geacht in de zin van de laatste volzin van artikel 4, lid 2 van de WAHV. De inleidende beschikking is dus niet op de juiste wijze bekend gemaakt.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan niet gezegd worden dat de inleidende beschikking - gelet op artikel 4, tweede lid, van de WAHV in verbinding met artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - onherroepelijk is geworden, zodat het dwangbevel niet rechtsgeldig is uitgevaardigd. De kantonrechter heeft het verzet terecht gegrond verklaard en het hof zal deze beslissing dan ook bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Deze beschikking is gegeven door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.