Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7089

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
28-08-2017
Zaaknummer
200.211.927/01 en 200.211.941/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging. Aanvaardbare termijn voor terugplaatsing verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.211.927/01 en 200.211.941/01

(zaaknummers rechtbank Overijssel respectievelijk C/08/194566 / JE RK 16-2010 en C/08/191405 / FA RK 16-2257)

beschikking van 10 augustus 2017

in zaaknummer 200.211.927/01 inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I. Mercanoğlu te Almelo,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,


en

[de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders,

verweerders in hoger beroep,

advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest,

en

in zaaknummer 200.211.941/01 inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I. Mercanoğlu te Almelo,

en

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudend te Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI,


en

[de pleegouders] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de pleegouders,

verweerders in hoger beroep,

advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest.

1 Het geding in eerste aanleg

In zaaknummer 200.211.927/01:

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg in zaak C/08/194566 / JE RK 16-2010

naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 januari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

In zaaknummer 200.211.941/01:

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg in zaak C/08/191405 / FA RK 16-2257, naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 4 januari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in zaak 200.211.927/01 blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 maart 2017;

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- het verweerschrift van de pleegouders met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mercanoğlu van 24 maart 2017.

2.2

Het verloop van de procedure in zaak 200.211.941/01 blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 maart 2017;

- het verweerschrift van de raad met productie(s);

- het verweerschrift van de GI met productie(s);

- het verweerschrift van de pleegouders met productie(s)

2.3

De mondelinge behandeling van beide zaken heeft op 26 juni 2017 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [C] en mevrouw [D] . Namens de raad is de heer [E] verschenen. De pleegouders en hun advocaat zijn verschenen. De moeder van de moeder is eveneens verschenen en is met instemming van de andere aanwezigen als toehoorder tot de zitting toegelaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

De moeder oefende - tot de bestreden beschikking van 4 januari 2017 - het ouderlijk gezag over de minderjarige [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] juli 2010, alleen uit. De moeder heeft nog twee kinderen, te weten [de minderjarige2] , geboren [in] 2012, en [de minderjarige3] , geboren [in] 2013.

3.2

[de minderjarige1] staat onder toezicht sinds 17 januari 2011. Sinds 31 maart 2011 is zij uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg. Deze maatregelen zijn nadien telkens verlengd, laatstelijk in de bestreden beschikking van 3 januari 2017 voor de periode tot uiterlijk 17 januari 2018.

3.3

[de minderjarige1] woont sinds maart 2012 in het huidige pleeggezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is in beide zaken met tien grieven in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van de rechtbank van 3 en 4 januari 2017. De moeder verzoekt beide beschikkingen te vernietigen en in zaaknummer C/08/194566 / JE RK 16-2010 het verzoek van de GI alsnog af te wijzen en in zaak C/08/191405 / FA RK 16-2257 het verzoek van de raad alsnog af te wijzen. Daarnaast verzoekt de moeder om terugplaatsing van [de minderjarige1] bij haar.

4.2

De raad heeft in de zaak met nummer 200.211.941/01 (C/08/191405 FA RK 16‑2257) verweer gevoerd en het hof verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, kosten rechtens.

4.3

De GI en de pleegouders hebben in beide zaken verweer gevoerd en verzocht - samengevat - de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel haar verzoeken af te wijzen en de beschikkingen waarvan beroep te bekrachtigen.

4.4

Het hof zal eerst de meest verstrekkende maatregel, de gezagsbeëindiging, bespreken. De moeder heeft overigens geen grief gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling zodat het hof die verder onbesproken zal laten.

5 De motivering van de beslissing

Het gezag

5.1

Op grond van artikel 1:266 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.2

Het hof is van oordeel dat aan deze wettelijke vereisten is voldaan, zodat het gezag van de moeder over [de minderjarige1] moet worden beëindigd. Het hof onderschrijft na eigen onderzoek de motivering van de rechtbank zoals die uit die beschikking van 4 januari 2017 blijkt, maakt die tot de zijne en overweegt in aanvulling op de bestreden beschikking nog het volgende.

5.3

Over het raadsrapport van 12 september 2016 dat aan het inleidend verzoek ten grondslag lag heeft de moeder opgemerkt dat de raad niet zelf onderzoek heeft gedaan maar slechts de mening van de GI heeft overgenomen. Uit het raadsrapport maakt het hof evenwel op dat de raad zelf onderzoek heeft gedaan, informanten heeft gesproken en vervolgens een advies heeft uitgebracht.

De moeder klaagt erover dat in het onderzoek niet is gesproken met [de minderjarige1] . Een dergelijk gesprek maakte geen deel uit van het onderzoeksplan en de moeder is daarmee akkoord gegaan. Het hof passeert deze klacht dan ook.

Een ander argument van de moeder voor haar standpunt is dat niet onderzocht is of de GI de aangewezen instelling is om de voogdij op zich te nemen omdat de GI besloten heeft de omgang tussen [de minderjarige1] en haar broertjes en tussen [de minderjarige1] en haar grootouders stop te zetten. De GI heeft meermalen laten weten dat de broertjes met de omgang tussen de moeder en [de minderjarige1] mee mogen; het is echter de keuze van de moeder om dat (nog) niet te doen. Ook overigens ziet het hof geen gronden om te twijfelen aan de totstandkoming, de onderbouwing en de rechtmatigheid van de inhoud van het raadsrapport van 12 september 2016.

5.4

Het hof oordeelt verder dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige1] om in onzekerheid te blijven over haar opvoedingsperspectief is verstreken. [de minderjarige1] is op zeer jonge leeftijd - ze was een baby van nog niet één jaar oud - uit huis geplaatst. Eén jaar later - dat is maart 2012 - is zij tot het gezin van de pleegouders gaan behoren. Dat is inmiddels al ruim vijf jaar haar thuis.

[de minderjarige1] is een beschadigd en kwetsbaar meisje. Ze heeft een ontwikkelingsachterstand op alle gebieden en is jonger in gedrag en cognitie dan haar leeftijdgenoten. Ze heeft een moeilijk lerend intelligentieniveau en ook op sociaal-emotioneel gebied zijn er zorgen. [de minderjarige1] heeft gezien deze kwetsbaarheid nog meer dan een gemiddeld kind belang bij zekerheid, stabiliteit en continuïteit in haar opvoedingssituatie. Om zich goed en harmonieus te kunnen ontwikkelen dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedingsperspectief van [de minderjarige1] . Dit perspectief ligt, gezien de lange duur van de plaatsing in het pleeggezin en de hechting die [de minderjarige1] daar is aangegaan, niet meer bij de moeder.

5.5

De moeder geeft aan dat het de vraag is of [de minderjarige1] veilig gehecht is aan de pleegouders nu zij samen in therapie gaan om de hechting te bevorderen. De moeder wijst erop dat er een onvervangbare zijnsloyaliteit is van [de minderjarige1] naar haar toe en dat de hechting tussen hen niet verbroken mag worden. Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank over de hechting heeft overwogen. Uit de door de rechtbank genoemde interactie-observaties kwam naar voren dat [de minderjarige1] aan zowel de moeder als de pleegouders is gehecht waarbij [de minderjarige1] in de relatie met de pleegouders een fase verder ontwikkeld is in de gehechtheid. Ook al is [de minderjarige1] ook aan haar moeder gehecht, de door de moeder gewenste terugkeer van [de minderjarige1] bij haar zou een verandering van opvoedomgeving voor [de minderjarige1] meebrengen en haar gehechtheidsrelatie met de pleegouders en daarmee haar ontwikkeling (verder) verstoren. Dat is niet in [de minderjarige1] 's belang.

5.6

De moeder heeft gewezen op het feit dat zij wel - ook zonder het kader van een ondertoezichtstelling - de zorg draagt voor de twee jongere broers van [de minderjarige1] die bij de moeder wonen. Volgens de moeder kan daaruit worden afgeleid dat zij ook voor [de minderjarige1] kan zorgen. Het hof overweegt dat nog los van de vraag of inmiddels de verwachting gerechtvaardigd zou kunnen zijn dat de moeder op termijn de verantwoordelijkheid voor de zorg voor [de minderjarige1] op zich kan nemen, de aanvaardbare termijn daarvoor onder voornoemde omstandigheden reeds is verstreken. Dat volgens de moeder het oordeel van de rechtbank dat zij niet in staat kan worden geacht [de minderjarige1] te verzorgen en op te voeden niet gemotiveerd is, kan het voorgaande dan ook niet anders maken.

5.7

De moeder wijst er op dat in 2014 de GI terecht de visie heeft gehad dat [de minderjarige1] teruggeplaatst kon worden bij de moeder en dat toen een begin is gemaakt met het traject voor thuisplaatsing door onder meer de omgang uit te breiden. Dat traject is niet gelukt, hetgeen volgens de moeder aan de pleegouders is te wijten.

Hoewel het hof de moeder kan nageven dat dit traject en met name de communicatie daarover ongelukkig is verlopen, hetgeen het hof ook al in zijn beschikking over de verlenging van de uithuisplaatsing op 4 augustus 2015 heeft overwogen, miskent de moeder (nog steeds) dat dit traject destijds is stopgezet vanwege de zorgelijke signalen die [de minderjarige1] liet zien toen de omgang met de moeder werd uitgebreid. De pleegouders hebben vervolgens, aandacht vragend voor het belang van [de minderjarige1] , volkomen terecht hun zorgen geuit over deze zorgelijke signalen. Dat dit (mede) heeft geleid tot de voor de moeder zo moeilijk te accepteren perspectiefbepaling bij de pleegouders is helder, maar hieruit volgt geenszins dat de pleegouders de terugplaatsing hebben tegengewerkt.

5.8

Het hof heeft voorts nog in zijn oordeel betrokken dat de moeder geenszins bereid is om [de minderjarige1] bij de pleegouders te laten opgroeien. Zij wil de rol van moeder op afstand (nog) niet accepteren. Zij en haar familie blijven de jeugdbeschermer en de pleegouders privé en publiekelijk bestrijden. Niet bestreden is dat de moeder in dit verband kort geleden strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld is. De strijd tussen de moeder en de pleegouders doet [de minderjarige1] geen goed en is bedreigend voor haar ontwikkeling. De stelling van de moeder dat zij bij een gezagsbeëindiging altijd voor de terugkeer van haar dochter zal blijven vechten, zelfs als dat onmiskenbaar terugkerende onrust en spanning bij [de minderjarige1] teweeg zal brengen, baart het hof in dat verband dan ook grote zorgen. De moeder kiest er aldus voor om in de strijd te blijven, ook al schaadt het haar dochter.

5.9

Ten slotte geeft de moeder nog aan dat haar omgangscontacten zodanig uitgebreid moeten worden dat de interactie tussen de moeder en [de minderjarige1] geobserveerd kan worden zodat een gemotiveerde beslissing over [de minderjarige1] 's toekomst kan worden genomen. Voor zover de moeder verzoekt onderzoek te doen naar de interactie alvorens te beslissen, zal het hof dat afwijzen. De uitkomsten van een onderzoek naar hoe de interactie verloopt kunnen namelijk geen wijzigingen brengen in bovenstaand oordeel dat de aanvaardbare termijn in het geval van [de minderjarige1] verstreken is en terugplaatsing van [de minderjarige1] bij de moeder niet meer aan de orde is. Hoe de interactie verloopt kan wel van belang zijn voor omgangscontacten, maar dat ligt in deze zaak niet ter beoordeling voor.

5.10

Ten overvloede overweegt het hof dat de beëindiging van het gezag van de moeder niet betekent dat de band tussen [de minderjarige1] en de moeder wordt verbroken of dat de moeder geen rol van betekenis meer in het leven van [de minderjarige1] zal hebben. De moeder heeft ondanks de beëindiging van haar gezag blijvend een belangrijke rol in het leven van [de minderjarige1] omdat zij altijd de moeder van [de minderjarige1] zal blijven. Zij blijft recht hebben op informatie over haar ontwikkeling en recht op contact voor zover het belang van [de minderjarige1] zich hiertegen niet verzet. Voor het hof is het duidelijk dat de moeder veel van [de minderjarige1] houdt. Zij zal in het belang van [de minderjarige1] echter haar rol van ouder op afstand moeten leren accepteren en zo goed mogelijk daaraan invulling dienen te geven, wil zij niet verder op afstand komen te staan. Voortzetting van de strijd leidt niet tot oplossingen en zal [de minderjarige1] niet bij de moeder terug kunnen brengen. Evenals de rechtbank dringt het hof er bij de moeder (en haar familie), de GI en de pleegouders op aan dat zij zich er in het belang van [de minderjarige1] voor inzetten om te komen tot een vorm van samenwerking waarbij [de minderjarige1] niet langer belast wordt met de huidige strijd.

Machtiging tot uithuisplaatsing

5.11

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

5.12

In het licht van het hiervoor onder 5.3 tot en met 5.9 overwogene is de machtiging tot uithuisplaatsing terecht verlengd. De moeder wenst terugplaatsing van [de minderjarige1] maar dat behoort zoals hiervoor is overwogen niet meer tot de mogelijkheden.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikkingen bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

zaaknummer 200.211.927/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 3 januari 2017, uitgesproken onder zaaknummer C/08/194566 / JE RK 16-2010, voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft;

zaaknummer 200.211.941/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 4 januari 2017, uitgesproken onder zaaknummer C/08/191405 / FA RK 16-2257;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 10 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.