Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7082

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
31-08-2017
Zaaknummer
200.199.764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling. Reële executie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, familie

zaaknummer gerechtshof 200.199.764

(zaaknummer rechtbank Gelderland 4675962)

arrest van 15 augustus 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de man,

advocaat: mr. J.W. Kobossen,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. I.P. Biemond.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

15 juli 2015 en 2 december 2015 (comparitievonnis rechtbank) die de rechtbank Gelderland en de vonnissen van 16 december 2015 (comparitievonnis kantonrechter) en 25 mei 2016 die de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton, locatie Arnhem) tussen partijen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 24 augustus 2016,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord (met producties),

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De feiten, de vorderingen en de gronden van de beslissing

3.1

Partijen hebben een langdurige affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond. Zij hebben samen twee thans meerderjarige kinderen. De relatie en de samenwoning zijn in 2009 verbroken. Partijen zijn samen eigenaar van de woning met garage, tuinhuis en sauna-inrichting, ondergrond, erf, tuin en weiland en verdere aanhorigheden aan [adres] , kadastraal bekend [nummer] , groot 46 are en 70 centiare en [nummer 2] , groot 31 are en 90 centiare (hierna: de woning). In verband met de verwerving van de woning zijn partijen samen een geldlening aangegaan en hebben zij tot zekerheid van de terugbetaling daarvan op de woning een recht van hypotheek gevestigd. De man is na de verbreking van de samenwoning (aanvankelijk) in de woning blijven wonen.

3.2

Partijen hebben sedert de verbreking van de samenwoning overlegd over verkoop en verdeling van de woning, maar zijn er niet in geslaagd een verkoop of verdeling te realiseren.

3.3

De vrouw heeft de man in eerste aanleg gedagvaard voor de rechtbank Gelderland en in conventie gevorderd dat de rechtbank de man veroordeelt mee te werken aan de verkoop en levering van de woning (vorderingen I-VI), een regeling treft voor het gebruik en beheer van de woning tot de levering ten titel van koop (vorderingen VII-XIV) en de man veroordeelt aan de vrouw een vergoeding te betalen voor het gebruik van de woning vanaf 6 juni 2009 (XV-XVII) met veroordeling van de man in de kosten van de procedure (vordering XVIII).

3.4

De man heeft in eerste aanleg in reconventie vijf vorderingen jegens de vrouw ingesteld en gevorderd haar te veroordelen mee te werken aan het verkoopbaar maken van de woning en tot betaling van de helft van de kosten van de woning vanaf 2010.

3.5

De rechtbank heeft bij vonnis van 2 december 2015

  1. de zaak ten aanzien van de vordering van de vrouw in conventie onder I-VI en XVIII (voor zover daarmee verband houdende) op de voet van artikel 71 lid 2 Rv verwezen naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Gelderland locatie Arnhem;

  2. de zaak ten aanzien van alle overige vorderingen in conventie en in reconventie op de voet van artikel 71 lid 2 Rv en artikel 69 Rv verwezen naar de sector civiel, team kantonzaken van de rechtbank Gelderland en bevolen dat dit deel van de zaak in de stand waarin het zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.

3.6

De kantonrechter heeft voor zover de zaak is verwezen als hiervoor in 3.5 onder a. vermeld bij vonnis van 25 mei 2016 beslist op de vorderingen van de vrouw in conventie onder I-VI en haar gemachtigd tot het te gelde maken van de woning, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de kosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.7

De kantonrechter heeft voor zover de zaak is verwezen als hiervoor in 3.5 onder b. vermeld bij beschikking van 25 mei 2016 een regeling omtrent het gebruik van de woning getroffen en bepaald dat de man aan de vrouw een nader aan de hand van de daartoe door de kantonrechter gegeven maatstaven te berekenen vergoeding is verschuldigd voor het gebruik van de woning over de periode van 24 maart 2010 tot 8 juni 2016.

3.8

De vrouw heeft de woning na 25 mei 2016 op voorwaarde van instemming door de man verkocht aan derden tegen een prijs van € 400.500,-. Zij heeft die voorwaardelijke verkoop voorgelegd aan de man die daarmee niet heeft ingestemd en heeft verklaard de woning zelf toegedeeld te willen krijgen. Vervolgens hebben partijen op 29 september 2016 afgesproken de woning aan de man toe te delen tegen een waarde van € 405.000,- en dat uiterlijk op 15 november 2016 notarieel af te wikkelen. Aan die afspraak is geen gevolg gegeven.

3.9

De man komt in dit hoger beroep met vier grieven op tegen de beslissing van de kantonrechter in het vonnis van 25 mei 2016 en vordert vernietiging van dit vonnis en afwijzing van de vorderingen van de vrouw in eerste aanleg in conventie onder I-VI met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in beide instanties, althans met compensatie van die kosten. De vrouw voert verweer en concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in hoger beroep.

3.10

De grieven van de man komen erop neer dat de kantonrechter de vrouw niet mocht machtigen de woning te gelde te maken. De vrouw heeft dit niet gevorderd. In elk geval zijn er geen gewichtige redenen voor die machtiging. De kantonrechter had partijen moeten voorhouden dat artikel 3:185 BW partijen een oplossing biedt en in elk geval de machtiging moeten clausuleren. De man stelt bovendien dat partijen op 29 september 2016 een bindende afspraak hebben gemaakt de woning aan de man toe te delen tegen een waarde van

€ 405.000,- en dat uiterlijk op 15 november 2016 notarieel af te wikkelen.

3.11

Het hof is met de man van oordeel dat de kantonrechter de vorderingen van de vrouw niet had mogen opvatten als een verzoek haar te machtigen de woning te gelde te maken in de zin van artikel 3:174 BW. Uit de duidelijke bewoordingen van haar vorderingen I-VI in de dagvaarding en de toelichting daarop van de vrouw in eerste aanleg (dagvaarding randnummer 5 en het proces-verbaal van de comparitie van partijen bij de rechtbank van 13 oktober 2015) en in hoger beroep (memorie van antwoord randnummer 10) volgt dat zij met het oog op de verdeling van de gemeenschap vordert dat de man wordt veroordeeld mee te werken aan verkoop en levering van de woning. Het hof is van oordeel dat haar vordering daarmee is aan te merken als een vordering tot verdeling die ertoe strekt dat partijen de netto-opbrengst van de woning verdelen nadat deze zal zijn verkocht in de zin van artikel 3:185 lid 2 onder c BW. Grief 3 van de man slaagt en leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis. De grieven 1, 2 en 4 van de man hebben eveneens betrekking op de machtiging en behoeven gelet op het slagen van grief 3 geen beoordeling meer.

3.12

Ten gevolge van de vernietiging van het bestreden vonnis dient het hof, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, de vorderingen I-VI van de vrouw te beoordelen. Het hof merkt op voorhand al op dat een toewijzing van deze vorderingen in dit hoger beroep niet zou betekenen dat de man slechter wordt van zijn hoger beroep (de zogeheten 'reformatio in peius'). Een machtiging tot te gelde maken van de woning brengt de vrouw immers in een betere positie dan de door haar gevorderde medewerking van de aan verkoop en levering van de woning, aangezien zij met die machtiging zonder meer alleen tot verkoop en levering kan overgaan.

3.13

De rechter die in een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW vaststelt, dient daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en, indien dat aan de orde is, het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt of de wijze van verdeling gelast daarbij niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en behoeft hij niet — expliciet — in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd.

3.14

Het hof stelt vast dat partijen sedert 2009 niet erin zijn geslaagd de verdeling van de woning tot stand te brengen en af te ronden. Aan de verdeling die zij op 29 september 2016 zijn overeengekomen hebben zij (nog) geen gevolg kunnen geven doordat tussen hen geschillen zijn ontstaan over de bedragen zij ten aanzien van de woning met elkaar moeten afrekenen. Die geschillen hebben ertoe geleid dat partijen het niet eens zijn over het bedrag dat de man ter gelegenheid van het verlijden van de notariële akte van verdeling en levering door tussenkomst van de notaris aan de vrouw moet betalen. Beslechting van deze geschillen is in deze procedure overigens niet aan de orde. Het hof constateert dat deze geschillen juist zijn ontstaan doordat partijen niet zijn overgegaan tot verdeling. Het is naar het oordeel van het hof dan ook van belang dat de verdeling thans onverwijld plaatsvindt om te voorkomen dat tussen partijen nog meer (afreken)geschillen ontstaan. Het hof is ook van oordeel dat het bestaan van deze geschillen aan een onverwijlde verdeling van de woning niet in de weg hoeft te staan. Het hof is ten slotte van oordeel dat met de belangen van de man enerzijds en de vrouw anderzijds naar billijkheid rekening wordt gehouden indien de woning onverwijld wordt verkocht en de netto opbrengst na verkoop tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, waarbij de man nog een periode van twee weken wordt gegund alsnog de toedeling aan zichzelf te effectueren. Ter gelegenheid van de verdeling van de netto opbrengst kunnen partijen bezien of zij ook tot een vergelijk kunnen komen over de afrekengeschillen ten aanzien van de woning en kan ieder van hen zo nodig zijn/haar belang dienen door het treffen van de rechtsmaatregelen die ieder van hen ter bewaring of effectuering van zijn/haar rechten geboden acht.

3.15

Het hof zal de wijze van verdeling gelasten als hierna is beslist en verder op vordering van de vrouw bepalen dat dit arrest in de plaats zal komen van de medewerking van de man aan de onderhandse akte van verkoop van de woning en de notariële akte van levering van de woning.

3.16

Partijen zijn elkaars levensgezellen geweest. Deze procedure vloeit voort uit de verbreking van de affectieve relatie en de samenwoning van partijen. Gelet hierop ziet het hof aanleiding de kosten voor compensatie van de proceskosten in beide instanties. Het hof zal de beslissing ten aanzien van de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg dan ook bekrachtigen en op dit punt verder beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton, locatie Arnhem) van 25 mei 2016 maar alleen wat de beslissing over de compensatie van de proceskosten betreft en vernietigt dit vonnis voor het overige;

doet in zoverre opnieuw recht;

gelast de wijze van verdeling van de woning van partijen als volgt;

tenzij partijen binnen weken na dagtekening van dit arrest alsnog bij notariële akte uitvoering geven aan de door hen op 29 september 2016 overeengekomen verdeling, dienen zij de woning op de kortst mogelijke termijn te verkopen en de netto opbrengst bij helfte te verdelen door binnen twee weken na betekening van dit arrest:

  1. gezamenlijk opdracht te geven aan makelaar [makelaar] om de woning aan een derde te verkopen.

  2. opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar;

  3. al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen;

  4. mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht;

  5. medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de makelaarscourtage;

  6. gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht van de woning opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst bij helfte te verdelen.

bepaalt dat deze uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de verkoop van de woning, in de plaats zal treden van de medewerking van de man aan de onderhandse akte van verkoop in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • -

    de makelaar die deze onderhandse akte heeft opgesteld heeft partijen uitgenodigd de onderhandse akte van verkoop op zijn kantoor te ondertekenen, heeft daartoe een tijdstip vastgesteld en heeft hun ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze akte toegezonden;

  • -

    de man heeft niet uiterlijk op het door de makelaar vastgestelde tijdstip meegewerkt aan de ondertekening van deze akte;

bepaalt dat deze uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de levering van de woning en de uitvoering daarvan, in de plaats zal treden van de medewerking van de man aan de notariële akte van levering in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • -

    de notaris die met de levering is belast heeft partijen uitgenodigd de akte van levering op zijn kantoor te ondertekenen, heeft daartoe een tijdstip vastgesteld en heeft hun ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze akte en een afrekening toegezonden;

  • -

    de man heeft niet uiterlijk op het door de notaris vastgestelde tijdstip meegewerkt aan de ondertekening van deze akte;

  • -

    de notaris heeft in de akte van levering verklaard dat aan al deze voorwaarden is voldaan;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten in hoger beroep draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.H.A. Moes en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2017.