Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:7081

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
25-08-2017
Zaaknummer
200.175.289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap ouders partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0175

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.175.289

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 121589)

arrest van 15 augustus 2017

[appellant 1] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

hierna: [appellant 1] ,

en

[appellant 2] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

hierna: [appellant 2] ,

appellanten,

advocaat: mr. U. Ugur,

tegen:

[geïntimeerde 1] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

hierna: [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. M.C. Leenhouts,

en

[geïntimeerde 2] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

hierna: [geïntimeerde 2] ,

mr. F.V. Marquenie,

geïntimeerden,

en

[geïntimeerde 3] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

niet verschenen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 december 2016 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 15 mei 2017.

1.3

Na afloop van de comparitie heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1

Partijen zijn broers en zusters van elkaar. De vader van partijen is op 5 juni 2005 overleden zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt. Ingevolge artikel 4:13 BW heeft de moeder van partijen alle goederen van de nalatenschap van de vader verkregen, komt de voldoening van de schulden van die nalatenschap voor haar rekening en heeft ieder van partijen een geldvordering op de moeder verkregen overeenkomend met de waarde van zijn/haar erfdeel. Op 7 oktober 2006 is de moeder van partijen (hierna verder: de erflaatster) overleden zonder bij testament over haar nalatenschap te hebben beschikt. Zij heeft partijen als haar enige erfgenamen achtergelaten, ieder van hen voor een vijfde deel van haar nalatenschap. Tot de nalatenschap van de erflaatster behoort de woning aan [adres] (hierna: de woning), die is verhuurd aan een derde.

2.2

Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders. [geïntimeerde 1] heeft in eerste aanleg in conventie vorderingen ingesteld die strekken tot verdeling en in het bijzonder tot toedeling van de woning. [appellant 1] en [appellant 2] hebben in eerste aanleg in reconventie vorderingen tot verdeling ingesteld.

Bij vonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank in conventie en in reconventie:

  • -

    de tot de nalatenschappen behorende woning aan [adres] toegedeeld aan [geïntimeerde 1] , tegen de taxatiewaarde in verhuurde staat van € 56.000,- met dien verstande dat [geïntimeerde 1] aan de overige erfgenamen wegens overbedeling dient te vergoeden een bedrag van € 44.800,-;

  • -

    bepaald dat, indien de erfgenamen niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis hun medewerking verlenen aan het passeren van de akte van levering, dit vonnis in de plaats zal treden van dat deel van de akte van levering, waarin de erfgenamen hun medewerking verlenen of dienen te verlenen;

  • -

    voor recht verklaard dat [appellant 1] aan de boedel verschuldigd is het saldo van de met de kosten gesaldeerde huuropbrengsten van de genoemde woning over de periode van februari 2007 tot 1 juli 2015, zijnde € 31.200,-;

  • -

    bepaald dat alle reeds betaalde (door [appellant 1] voorgeschoten) en nog openstaande rekeningen van de al eerder ingeschakelde boedelnotarissen, alsmede de kosten van een nog in te schakelen notaris ten laste van de boedel worden gebracht en uitbetaald;

  • -

    de kosten gecompenseerd zo dat iedere partij de eigen kosten draagt,

en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3

[appellant 1] en [appellant 2] komen in hoger beroep met vijf grieven op tegen de vonnissen van de rechtbank Overijssel van 22 augustus 2012, 28 januari 2015 en 8 juli 2015 en vermeerderen in hoger beroep hun eis met de vorderingen die hierna onder 2, 3 4, 5, 6, 7 en 9 zijn vermeld. Zij vorderen:

  1. deze vonnissen te vernietigen;

  2. gedaagden te veroordelen hun medewerking te verlenen aan de waardebepaling

(uitgezonderd de woning staande en gelegen aan [adres]

, die immers reeds bindend is gewaardeerd) en verdeling van de gehele

nalatenschap op grond van art. 3:179 BW waarin de erven deelgenoot zijn, derhalve

tevens omvattende de (on)roerende zaken staande en gelegen te Turkije (nader

omschreven in de akte ingediend zijdens eisers in eerste aanleg ter rolle van 6 mei 2015);

3. gedaagden te veroordelen dat indien na (bindende)waardering zij binnen twee maanden niet onderling tot een verdeling van de onroerende zaken staande en gelegen te

Turkije kunnen komen hen te veroordelen hun medewerking te verlenen aan overdracht

van hun aandeel in de nalatenschap in zijn geheel of in delen daarvan aan diegene die

ten aanzien van het geheel dan wel het betreffend bestanddeel het hoogste bod doet. Mocht bij notariële overdracht blijken dat de hoogste bieder niet afneemt door het verschuldigde bod niet te storten onder de notaris dan wordt hij geacht zijn aandeel daarin te hebben verspeeld en subsidiair te bepalen dat indien ook op deze wijze de nalatenschap gelegen te Turkije niet verdeeld geraakt deze te verkopen en de opbrengst te verdelen. Verkoop onder de waarde van het betreffend goed kan alleen met instemming van de erven gezamenlijk;

4. voor recht te verklaren dat er geen andere inkomsten of uitgaven zijn (tot 6 mei

2015) dan die bij akte ter rolle van 6 mei 2015 zijdens eisers in eerste aanleg in het geding is gebracht;

5. de vorderingen van de erven ziende op de verdeling van de inkomsten en

uitgaven die verband houden met het beheer van de nalatenschap tot 6 mei 2015 vast te

stellen op het saldo dat elk toekomt zoals verantwoord bij akte genomen door [appellant 1] en

[appellant 2] ter rolle van 6 mei 2015 en voor het overige [appellant 1] dan wel [appellant 2] te vrijwaren;

6. te bepalen dat op het aandeel van [geïntimeerde 2] in de nalatenschap € 10.000,- wegens overbedeling in mindering dient te strekken;

7. te bepalen dat [geïntimeerde 1] wordt belast met het verdere beheer van de

(algehele) nalatenschap met ingang van 6 mei 2015 dan wel met ingang van de datum der dagvaarding tot de verdeling en overdracht daarvan;

8. de door [makelaars] in opdracht van de door de rechtbank

benoemde notaris [notaris] , verrichte taxatie van 16 januari 2014 als bindend te

beschouwen en op grond van de daarin opgenomen waarde in verhuurde staat de woning aan [adres] , kadastraal bekend als Gemeente

[plaatsnaam] , [kadastraal nummer] , toe te delen aan [appellant 2] , aldus tegen de

taxatiewaarde van € 56.000,- dan wel te bepalen dat de woning wordt toegedeeld aan die

erfgenaam die het hoogste bod uitbrengt;

9. gedaagden te veroordelen om binnen een bij de uitspraak te bepalen termijn hun

medewerking te verlenen aan al hetgeen nodig is om tot een waardebepaling en verdeling te komen van de onroerende zaken staande en gelegen te Turkije en bij niet nakoming te veroordelen in een dwangsom van 500,- per dag dat geen gevolg wordt gegeven aan de verlangde medewerking c.q. vordering;

10. gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te

veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg alsmede het geding in hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- (€ 199,- na betekening) een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na) kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na) kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

11. één en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.

2.4

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voeren verweer. [geïntimeerde 2] sluit zich geheel aan bij de inhoud van de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] . Zij concluderen tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen en veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van dit hoger beroep.

2.5

[geïntimeerde 1] verzet zich tegen de vermeerdering van eis, omdat die eiswijziging leidt tot onredelijke vertraging van het geding en tot een onredelijke bemoeilijking van de verdediging en daardoor in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [appellant 1] en [appellant 2] hebben gelet op artikel 353 in samenhang met artikel 130 Rv het recht als oorspronkelijk eisers in reconventie in eerste aanleg hun eis in hoger beroep te vermeerderen. Naar het oordeel van het hof verzetten de eisen van de goede procesorde zich niet tegen deze vermeerdering van eis, nu [geïntimeerde 1] noch [geïntimeerde 2] daardoor niet onredelijk worden bemoeilijkt in hun verdediging en dit geding daardoor ook niet onredelijk wordt vertraagd.

2.6

De vorderingen tot verdeling die [appellant 1] en [appellant 2] in dit hoger beroep instellen betreffen naar het oordeel van het hof een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding, waarbij het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing daarover ten aanzien van alle betrokkenen in dezelfde zin luidt. In eerste aanleg hebben [appellant 1] en [appellant 2] hun vordering in reconventie slechts ingesteld jegens [geïntimeerde 1] en daarbij niet [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] betrokken. Zij hebben vervolgens in hoger beroep wel alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen in het geding geroepen, zodat zij in hun vorderingen ontvankelijk zijn (HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411).

de grieven 1 en 2

2.7

De rechtbank heeft beslist dat er gewichtige redenen zijn te volstaan met verdeling van de goederen die zich in Nederland bevinden. [appellant 1] en [appellant 2] stellen dat zij bij akte van 6 mei 2015 een volledige opgave van de samenstelling van de nalatenschap gedaan en vorderen in hoger beroep alsnog verdeling van de gehele nalatenschap. Er is geen gewichtige reden voor een partiële verdeling.

2.8

[geïntimeerde 1] voert aan dat [appellant 1] en [appellant 2] in hun akte van 6 mei 2015 de onroerende zaken in Turkije voor het eerst hebben vermeld, maar destijds hun eis niet hebben gewijzigd. Voor hem is een partiële verdeling geen probleem; partijen hadden voordien de stilzwijgende afspraak deze onroerende zaken buiten beschouwing te laten. Indien daarover thans in dit hoger beroep beslist wordt, verliest [geïntimeerde 1] een instantie.

2.9

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat er gewichtige redenen zijn voor een gedeeltelijke verdeling van de nalatenschap van de erflaatster (artikel 3:179 BW). Dat [geïntimeerde 1] een feitelijke instantie verliest door de vermeerdering van eis in hoger beroep door [appellant 1] en [appellant 2] is niet een gewichtige reden in de zin van artikel 3:179 BW. Overigens vloeit noch uit artikel 6 EVRM noch uit enige andere verdragsbepaling of bepaling in de Grondwet of een andere (nationale) wetsbepaling voort dat [geïntimeerde 1] recht heeft op een beoordeling van de bij wege van vermeerdering van eis ingestelde vorderingen in twee feitelijke instanties. Dat partijen stilzwijgend ervan uitgingen dat de onroerende zaken in Turkije buiten beschouwing zouden blijven in deze procedure, is zonder meer onvoldoende om te kunnen oordelen dat zij daarmee tevens zijn overeengekomen hun bevoegdheid verdeling te vorderen uit te sluiten in de zin van artikel 3:178 lid 5 BW.

2.10

Met ingang van 1 januari 2012 bepaalt artikel 10:149 BW lid 1 dat de wijze waarop de verdeling van de nalatenschap tot stand wordt gebracht, door het Nederlandse recht wordt beheerst indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in Nederland had, tenzij de deelgenoten gezamenlijk het recht van een ander land aanwijzen. Ingevolge lid 2 wordt met de eisen van het goederenrecht van de plaats van ligging van de goederen rekening gehouden. Het ten tijde van het overlijden van de erflaatster toepasselijk artikel 4 lid 2 Wet conflictenrecht erfrecht bevatte een gelijkluidende bepaling. De EU Erfrechtverordening is niet van toepassing, aangezien de erflaatster voor 17 augustus 2015 is overleden. Erflaatster had haar laatste gewone verblijfplaats in Nederland. Gesteld noch gebleken is dat de deelgenoten samen het recht van een ander land hebben aangewezen, zodat het Nederlandse recht toepasselijk is op de wijze waarop de verdeling tot stand wordt gebracht. Het hof zal hierna rekening houden met eisen van het goederenrecht die in Turkije gelden.

2.11

Op de comparitie bij het hof is met partijen vastgesteld dat de nalatenschap van de erflaatster op dit moment nog bestaat uit de woning in Nederland en de huuropbrengsten van die woning alsmede de volgende in de akte van 6 mei 2015 van [appellant 1] en [appellant 2] beschreven onroerende zaken, alle staand dan wel gelegen in het dorp [dorp] en de stad [stad] in de provincie [provincie] in Turkije en geregistreerd op naam van de vader van partijen:

  1. een stuk grond in de wijk [wijk 1] , ter grootte van 28 are en 4 centiare;

  2. een twee verdiepingen tellende woning in een tuin gelegen op een grondstuk van 57 are en 89 centiare;

  3. een stuk grond in de wijk [wijk 2] ter grootte van 1 are en 32 centiare;

  4. een stuk grond in de wijk [wijk 2] ter grootte van 4 are en 78 centiare;

  5. en stuk grond in de wijk [wijk 2] ter grootte van 4 are en 78 centiare;

  6. een stuk grond in de wijk [wijk 3] ter grootte van 28 are en 19 centiare.

2.12

Op de comparitie is besproken wie van de deelgenoten toedeling wenst van de onroerende zaken in Turkije. [appellant 1] en [appellant 2] wensen toedeling aan hen beiden; [geïntimeerde 1] wenst toedeling aan [appellant 1] , [appellant 2] en zichzelf. Elk van hen stelt de eigendom te willen houden vanwege een emotioneel belang, dat voor [appellant 1] en [appellant 2] erin bestaat dat hun vader deze onroerende zaken heeft geërfd van zijn vader en voor [geïntimeerde 1] dat zijn vader de woning in Turkije heeft gebouwd. Ter comparitie is gebleken dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] geen toedeling wensen. [geïntimeerde 1] heeft verklaard dat zijn zussen ieder aan hem hun aandeel in de onroerende zaken in Turkije hebben overgedragen en dat die overdracht bij de notaris in Turkije en in het kadasterregister aldaar bekend is. Ter comparitie blijkt dat [appellant 1] en [appellant 2] hiermee niet bekend zijn. Het hof zal bij de verdeling ervan uitgaan dat ook [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] nog deelgenoot zijn in de onroerende zaken in Turkije en daarbij bepalen dat, zo mocht blijken dat zij hun aandeel rechtsgeldig hebben overgedragen aan [geïntimeerde 1] , alsnog aan deze toekomt wat ingevolge de door het hof te gelasten wijze van verdeling aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] toekomt.

2.12

Het hof ziet aanleiding de wijze van verdeling van de onroerende zaken in Turkije te gelasten als hierna wordt overwogen en beslist, daarbij naar billijkheid rekening houdend met het belang van [appellant 1] en [appellant 2] en [geïntimeerde 1] bij toedeling van de woning en de belangen van de andere deelgenoten ( [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ). Het hof merkt volledigheidshalve op dat de rechter die de verdeling vaststelt of de wijze van verdeling gelast daarbij niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en niet - expliciet - behoeft in te gaan op hetgeen partijen hebben aangevoerd.

2.13

Het hof zal partijen gelasten de onroerende zaken in Turkije toe te delen aan [appellant 1] en [appellant 2] tegen de waarde die zal worden vastgesteld als hierna wordt bepaald. [geïntimeerde 1] wil slechts toedeling samen met [appellant 1] en [appellant 2] , terwijl [appellant 1] en [appellant 2] juist geen voortzetting van de onverdeeldheid tussen de drie broers wensen. Gelet op de slechte verstandhouding tussen [geïntimeerde 1] enerzijds en [appellant 1] en [appellant 2] anderzijds acht het hof het niet in het belang van de broers dat deze onverdeeldheid blijft voortduren.

2.14

Het hof zal de volgende wijze van verdeling gelasten:

  1. De uitvoering van deze verdeling, bestaande in de toedeling van de onroerende zaken in Turkije aan [appellant 1] en [appellant 2] , dient plaats te vinden ten overstaan van en onder regie van een notaris in Nederland, die zo nodig of desgewenst, bij een ter zake kundige in Turkije inlichtingen zal inwinnen om te kunnen beoordelen wat nodig is voor de uitvoering van deze verdeling. De kosten van de tussenkomst van deze notaris en alle andere kosten die samenhangen met deze verdeling komen voor rekening van partijen samen. Indien voor de verdeling van de onroerende zaken of de uitvoering daarvan mede moet worden voldaan aan in Turkije geldende wettelijke vereisten, zoals bijvoorbeeld het verlijden van een akte ten overstaan van een notaris in Turkije of verwerking daarvan in de kadastrale registratie, dienen partijen daaraan onverwijld mee te werken en zich te richten naar de aanwijzingen van de notaris in Nederland.

  2. Het hof wijst aan als notaris ten overstaan van wie de uitvoering van de verdeling moet plaatsvinden een van de notarissen verbonden aan [advocatenkantoor] .

  3. Partijen dienen binnen twee maanden na betekening van dit arrest door de meest gerede partij aan de overige deelgenoten (hierna verder: de betekening) eerst de waarde van de onroerende zaken in overleg met de notaris te doen bepalen door een of meer deskundigen in Turkije door partijen samen of - indien zij daarover niet binnen twee weken na betekening niet tot overeenstemming geraken - door de notaris aan te wijzen. Partijen dienen deze waardebepaling in overleg met de notaris te doen verrichten op de in Turkije voor een dergelijke waardebepaling gebruikelijke wijze. Indien zij daarover niet binnen twee weken na betekening tot overeenstemming komen zal de notaris aan de hand van dit richtsnoer de wijze van waardebepaling vaststellen na daartoe in Turkije bij een ter zake kundige inlichtingen te hebben ingewonnen.

  4. Binnen drie weken nadat de uitkomst van de taxatie door de notaris aan partijen is bekend gemaakt, dienen [appellant 1] en [appellant 2] door tussenkomst van de notaris aan de overige deelgenoten mee te delen of zij toedeling van de onroerende zaken tegen de getaxeerde waarde en betaling aan ieder van de overige deelgenoten van een/vijfde deel van die waarde wensen.

  5. Voor het geval [appellant 1] en [appellant 2] deze toedeling wensen, zal het hof bepalen dat partijen vervolgens binnen vier weken nadat [appellant 1] en [appellant 2] daarvan mededeling hebben gedaan bij notariële akte dienen over te gaan tot de toedeling van de onroerende zaken met gelijktijdige betaling door [appellant 1] en [appellant 2] aan de overige deelgenoten van ieders aandeel in de waarde daarvan en tot het verrichten op aanwijzing van de notaris van al hetgeen verder in Turkije nog nodig is voor de uitvoering van de verdeling en de overgang van het toegedeelde aan [appellant 1] en [appellant 2] .

  6. Indien geen toedeling aan [appellant 1] en [appellant 2] plaatsvindt, dienen partijen de onroerende zaken op de kortst mogelijke termijn te verkopen en de netto opbrengst bij gelijke delen te verdelen door:

  1. gezamenlijk opdracht te geven aan een door hen of - bij gebreke van overeenstemming door de notaris - te benoemen makelaar om de onroerende zaken aan een derde te verkopen.

  2. opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar;

  3. al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen;

  4. mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de (notariële) eigendomsoverdracht;

  5. medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de makelaarscourtage;

  6. gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht van de woning opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst bij gelijke delen te verdelen.

2.15

De grieven 1 en 2 slagen in zoverre dat het hof de wijze van verdeling zal gelasten als hiervoor is bepaald. Het hof zal de vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] in hoger beroep onder 1,2 en 9, voor zover deze afwijken van de aldus gelaste wijze van verdeling afwijzen. Het hof ziet geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom aan [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] nu niet is gebleken dat zij zich zullen verzetten ten bepaling van de waarde van de onroerende zaken in Turkije en verdeling daarvan.

grief 3

2.16

Grief 3 is gericht tegen de toedeling door de rechtbank van de woning aan [geïntimeerde 1] . [appellant 2] wenst toedeling van de woning aan zichzelf. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 8 juli 2015 bepaald dat, indien de erfgenamen niet binnen veertien dagen na betekening daarvan hun medewerking verlenen aan het passeren van de akte van levering, haar vonnis in de plaats zal treden van dat deel van de akte van levering waarin de erfgenamen hun medewerking verlenen of dienen te verlenen. Het hof constateert ambtshalve dat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW. Namens [appellant 2] is ter comparitie is verklaard dat het hoger beroep niet binnen 8 dagen na het instellen van dit rechtsmiddel is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister bij de rechtbank, zodat [appellant 1] en [appellant 2] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep, voor zover dat de toedeling van de woning aan [geïntimeerde 1] betreft. Het hof komt dan ook niet toe aan verdere beoordeling van grief 3. Het hof zal [appellant 1] en [appellant 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering onder 8.

grief 4

2.17

Deze grief richt zich tegen de verklaring voor recht van de rechtbank dat [appellant 1] aan de boedel verschuldigd is het saldo van de met de kosten gesaldeerde huuropbrengsten van de genoemde woning over de periode van februari 2007 tot 1 juli 2015, zijnde € 31.200,-. [appellant 1] en [appellant 2] vorderen vernietiging van deze verklaring voor recht en stellen in hoger beroep in dit kader de vorderingen 4 en 5 in.

2.18

Het hof stelt - als enerzijds gesteld en anderzijds niet voldoende betwist of weersproken - aan de hand van de stukken en hetgeen partijen op de comparitie hebben verklaard het volgende vast.

 De woning is van 1 februari 2007 tot 1 mei 2009 verhuurd (geweest) aan [huurder 1] voor een huurprijs van € 480,- per maand. Vervolgens is de woning met ingang van 1 mei 2009 verhuurd aan [huurder 2] voor een huurprijs inclusief servicekosten van € 575,- per maand.

 Aanvankelijk had [appellant 1] een volmacht van alle erfgenamen die mede ertoe strekte de huur van de woning te innen. Die volmacht is ingetrokken op 10 augustus 2010.

 [appellant 1] heeft de huur over de periode 1 februari 2007 tot 31 juli 2012 geïnd; deze bedraagt blijkens zie bijlage B bij de akte van [appellant 1] en [appellant 2] van 6 mei 2015 in totaal € 33.465,-.

 Blijkens deze bijlage is in de jaren 2013-2015 aan [appellant 2] aan huur een bedrag van € 7.910,- betaald. [appellant 2] heeft op de comparitie onweersproken verklaard dat de huurder niet altijd de volledige huurprijs heeft voldaan en dat er nog een vordering bestaat op de huurder wegens niet betaalde huurpenningen; hij heeft deze vordering niet nader gekwantificeerd.

 Op de comparitie is gebleken dat [geïntimeerde 1] de huur vanaf februari 2016 heeft geïnd (dat is tot 1 mei 2017 in totaal een bedrag van 15 x € 575,- of € 8.625,-.

Aldus staat vast dat aan huur is ontvangen in totaal € 50.400,-. De totale huurprijs over de periode 1 februari 2007 tot 1 mei 2017 bedraagt € 68.160,-, zodat nog een bedrag van € 17.760,- niet is geïnd of niet is verantwoord.

 In hoger beroep is niet bestreden dat [appellant 1] een bedrag van €11.000,- heeft voldaan ter zake van kosten die verband houden met de woning.

 In hoger beroep is evenmin bestreden dat [appellant 1] aan [appellant 2] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] ieder uit de huuropbrengsten een bedrag van € 2000,- heeft voldaan.

2.19

De deelgenoten delen naar evenredigheid van hun aandelen (ieder voor een/vijfde) in de huuropbrengsten en moeten in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die ten behoeve van de woning zijn gedaan (artikel 3:172 BW). Dit leidt over en weer tot de volgende vorderingen tussen partijen.

2.20

[appellant 1] heeft per saldo € 22.465,- van de huuropbrengst onder zich (€ 33.465 - € 11.000). Hij dient aan ieder van de andere erfgenamen een bedrag van € 4.493, te voldoen. Aan [appellant 2] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] heeft hij al een voorschot uit de huuropbrengsten betaald van € 2000,-, zodat hij thans nog verschuldigd is aan:

 [appellant 2] € 2.293,-

 [geïntimeerde 2] € 2.293,-

 [geïntimeerde 3] € 2.293,-

 [geïntimeerde 1] € 4.493,-.

2.21

[appellant 2] heeft € 7.910,- van de huuropbrengst onder zich. Hij dient aan ieder van de andere erfgenamen een bedrag van € 1.582,- te voldoen.

2.22

[geïntimeerde 1] heeft tot 1 mei 2017 € 8.625,- van de huuropbrengst onder zich. Hij dient aan ieder van de andere erfgenamen een bedrag van € 1.725,- te voldoen. Hij dient vanaf 1 mei 2017 aan ieder van de andere erfgenamen telkens een/vijfde van de door hem per maand te ontvangen huurpenningen te betalen.

2.23

Zoals hiervoor is overwogen is een bedrag van € 17.760,- niet geïnd of niet verantwoord. Het hof zal dan ook de door [appellant 1] en [appellant 2] gevorderde verklaring voor recht dat er geen andere inkomsten of uitgaven zijn dan die bij de akte van 6 mei 2015 zijn opgevoerd afwijzen. Grief 4 slaagt in zoverre dat het hof de vorderingen van de erfgenamen over en weer in verband met de inkomsten en uitgaven ten aanzien van de woning zal vaststellen zoals beslist in 2.20 tot en met2.22; in deze vaststelling is uitdrukkelijk niet begrepen het niet geïnde of niet verantwoorde bedrag van € 17.760,-.

grief 5

2.24

Grief 5 behelst dat [appellant 1] en [appellant 2] anders dan de rechtbank heeft geoordeeld hun stelling dat [geïntimeerde 2] zich de gouden armbanden van moeder ter waarde van € 8.000,- heeft toegeëigend en dat zij twee keer € 1.000,- heeft opgenomen (pinopname) afdoende hebben bewezen. Zij vorderen een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 2] is overbedeeld voor

€ 10.000,-.

2.25

Op de comparitie heeft [geïntimeerde 2] verklaard dat zij, toen vaststond dat de erflaatster zou overlijden, bedragen ter grootte van € 2.000,- heeft opgenomen van de bankrekening van de erflaatster en dit aan [appellant 1] heeft gegeven met de bedoeling daarmee de uitvaart van de erflaatster in Turkije te betalen. [appellant 1] betwist dit bedrag ooit te hebben ontvangen. [geïntimeerde 1] heeft op de comparitie desgevraagd verklaard dat zijn zus [geïntimeerde 2] dit geld heeft opgenomen, maar dat hij niet heeft gezien dat zij dat bedrag aan [appellant 1] heeft gegeven. Hij gaat wel ervan uit dat zij dit heeft gedaan. Nu [geïntimeerde 2] erkent dat zij een bedrag van

€ 2.000,- van de bankrekening van erflaatster heeft opgenomen rust op haar de bewijslast van haar stelling dat zij dit geld vervolgens aan haar broer [appellant 1] heeft gegeven. Nu deze haar stelling betwist en zij geen aanbod doet om dit te bewijzen, zal het hof daaraan voorbijgaan en oordelen dat zij dit bedrag aan de nalatenschap schuldig is en dat deze schuld op de voet van artikel 3:184 en 4:228 BW bij de verdeling op haar aandeel moet worden toegerekend. In zoverre slaagt grief 5.

2.26

[geïntimeerde 2] heeft op de comparitie desgevraagd ten aanzien van de gouden armbanden verklaard als volgt. Erflaatster heeft in het najaar van 2005 in verband met haar ziekenhuisopname aan haar vier dunne gouden armbanden in bewaring heeft gegeven. Toen [geïntimeerde 2] haar die armbanden op een gegeven moment wilde teruggeven heeft erflaatster tegen haar gezegd: “Hou jij die armbanden maar bij je. Het is van jou en jij kunt daar voor onze nabestaanden iets mee doen.” Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde 2] als degene die de armbanden houdt wordt vermoed deze armbanden voor zich zelf te houden en daarvan bezitter te zijn (artikel 3:109 BW). Zij wordt als bezitter voorts vermoed eigenaar van deze armbanden te zijn (artikel 3:119 lid 1 BW). Het hof is gelet op hetgeen over en weer is gesteld ten aanzien van de armbanden en de hiervoor weergegeven omstandigheden van dit geval van oordeel dat het vermoeden dat [geïntimeerde 2] eigenaar is zodanig is weerlegd dat zij haar gepretendeerde eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen (HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1398). [geïntimeerde 2] heeft evenwel geen daartoe strekkend bewijsaanbod heeft gedaan; het hof ziet geen aanleiding haar ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. Daarmee is gegeven dat [geïntimeerde 2] gehouden is de gouden armbanden aan de erfgenamen terug te geven. Van enige overbedeling van [geïntimeerde 2] ten aanzien van deze gouden armbanden is geen sprake, nu gesteld noch gebleken is dat deze zijn verdeeld of dat daarvan verdeling is gevorderd. Het hof kan ondanks het slagen van grief 5 de vordering onder 6 dan ook niet toewijzen. Het hof gaat ervan uit dat partijen de gouden armbanden alsnog in de verdeling zullen betrekken.

2.27

Op de comparitie is namens [appellant 1] en [appellant 2] vordering 7 ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.

2.28

Deze procedure betreft de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van partijen. Het hof ziet daarin aanleiding voor een compensatie van de proceskosten in beide instanties.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant 1] en [appellant 2] niet-ontvankelijk in hun vordering onder 8;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Almelo van 22 augustus 2012, het vonnis van de rechtbank Overijssel van 28 januari 2015 en het vonnis van de rechtbank Overijssel van

8 juli 2015 wat de beslissingen onder I, II, V en VI in onderdeel 3 betreft;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 8 juli 2015 wat de beslissingen onder III en IV in onderdeel 4 betreft en doet in zoverre opnieuw recht;

stelt vast dat partijen ter zake van de inkomsten en uitgaven van de woning aan [adres] over een weer de volgende vorderingen hebben:

 [appellant 1] heeft een vordering op [appellant 2] van € 1.582,-

 [appellant 1] heeft een vordering op [geïntimeerde 1] van € 1.725,-

 [appellant 2] heeft een vordering op [appellant 1] van € 2.293,-

 [appellant 2] heeft een vordering op [geïntimeerde 1] van € 1.725,-.

 [geïntimeerde 2] heeft een vordering op [appellant 1] van € 2.293,-

 [geïntimeerde 2] heeft een vordering op [appellant 2] van € 1.582,-

 [geïntimeerde 2] heeft een vordering op [geïntimeerde 1] van € 1.725,-

 [geïntimeerde 3] heeft een vordering op [appellant 1] van € 2.293,-

 [geïntimeerde 3] heeft een vordering op [appellant 2] van € 1.582,-

 [geïntimeerde 3] heeft een vordering op [geïntimeerde 1] van € 1.725,-

 [geïntimeerde 1] heeft een vordering op [appellant 1] van € 4.493,-

 [geïntimeerde 1] heeft een vordering op [appellant 2] van € 1.582;

stelt vast dat [geïntimeerde 1] vanaf 1 mei 2017 tot de datum waarop de onverdeeldheid van de woning aan [adres] eindigt, aan ieder van de andere erfgenamen telkens een/vijfde van de door hem per maand te ontvangen huurpenningen verschuldigd wordt;

verstaat dat bij het vaststellen van deze vorderingen geen rekening is gehouden met een bedrag van € 17.760,- aan nog niet geïnde of nog niet verantwoorde huurpenningen;

gelast partijen over te gaan tot verdeling van de in 2.11 omschreven onroerende zaken in Turkije, als hiervoor in rechtsoverweging 2.13 en2.14 bepaald;

bepaalt dat de verdeling ten overstaan en onder regie van een van de notarissen verbonden bij [advocatenkantoor] dient te geschieden;

verstaat dat indien blijkt dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] geen deelgenoot (meer) zijn in de onroerende zaken in Turkije doordat zij hun aandeel rechtsgeldig hebben overgedragen aan [geïntimeerde 1] , aan [geïntimeerde 1] toekomt wat ingevolge de door het hof te gelasten wijze van verdeling aan [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] toekomt;

compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2017.